De eerste
is: dat de land-furst den geestelijken staet niet meerder verhogen en
mach, dan van ouds gebruykelijk, en van den fursten geset is geweest,
ten zy dan sake dattet door die andere twe Staten, namelijk: die van
adel en der steden mede bewilligt werde.
2. Dat de furst geen zijnder onderdanen, of vreemde inwoonder, burgerlijker
of kriminalischer wijse vervolgen en mach, dan alleen door ordentlijke
en vrije opentlijke iustitie en landsgerichte, aldaer de misdader met
hulpe der advokaten sich verantwoorden en beschermen mach.
3. Dat de furst geen tribuit noch schattinge op zyn onderdanen leggen,
noch iet nieus aenrechten en mach sonder bewillinge van den Staten des
lands.
4. Dat de furst geen vreemd of uitlants officier in Braband en mach
stellen, uitgenomen eenige kleine exceptien: namelijk int Hof mach hy
onder de raets-heeren twe vreemde, doch van de selve spraek setten,
desgelijx so mach een die niet uyt Braband geboortig is, doch mits dat
hy een tijd lang een vrye heerlijkheit beseten heeft int selve Hof,
president werden.
5. Als de furst de Staten t'samen beroept om iet, 't sy geld, hulpe
of iet anders van haer te vorderen en begeren, die van Braband, noch
ook d'andere Staten der landen, en zyn niet gehouden buiten haer land
te reisen noch gene saken daer buiten zynde te besluiten.
6. So verre de Furst hare privilegien wil breken door gewelt of andersins,
so werden die van Braband na ordentlijke gedane protesten, van haren
gedanen eed en huldinge ledich en vry, en mogen als vrye, ledige en
onverbondene na haer gevallen voornemen 't gund hem beste dunkt.
Bron: Ses van de
voornamelijkste previlegien van die van Braband (1555)