‘De
nationale vergadering, overwegend dat zij geroepen is om de grondwet
van het koninkrijk vast te leggen, het herstel van de openbare orde
te bewerkstelligen en de ware beginselen van de monarchie te handhaven,
stelt vast dat niets haar kan beletten om haar beraadslagingen voort
te zetten, waar zij ook gedwongen zou zijn zich te vestigen, en ten
slotte dat overal waar haar leden vergaderd zijn, daar ook de nationale
vergadering is.
Besluit
dat alle leden van de Vergadering onmiddellijk de plechtige eed zullen
afleggen om nooit uiteen te gaan en zich overal waar de omstandigheden
het zullen eisen bijeen te komen, totdat de grondwet van het koninkrijk
op hechte grondslagen is gevestigd en bekrachtigd; en dat na de eedaflegging
alle leden en ieder van hen afzonderlijk dit onwrikbare besluit zullen
bevestigen door hun handtekening.'