index | democratie | republiek | burgerschap | politiek | globalisering | links | e-mail

Burgerschapskunde
Globalisering: teksten | terug | print deze pagina | bron (*.pdf) en auteursrechten
De artikelen van het verdrag tot instelling van een grondwet voor Europa. Ontwerptekst (18 juli 2003)

Hierbij gaat voor de leden van de Conventie de definitieve tekst van het ontwerp-Verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa, in de versie die op 18 juli 2003 te Rome is voorgelegd
aan de voorzitter van de Europese Raad.

1 | 2 | 3 | 4 | inhoud

 

GRONDWET VOOR EUROPA
Bij consensus aangenomen door de Europese Conventie
op 13 juni en 10 juli 2003
VOORGELEGD AAN DE
VOORZITTER VAN DE EUROPESE RAAD
TE ROME
- 18 juli 2003 -

VOORWOORD
bij de Delen I en II van het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,
voorgelegd aan de Europese Raad, op 20 juni 2003 te Thessaloniki bijeen.

De Europese Raad heeft in zijn bijeenkomst op 14 en 15 december 2001 te Laken, in België,
geconstateerd dat de Europese Unie voor een beslissend moment in haar bestaan stond, en de
Europese Conventie over de toekomst van Europa bijeengeroepen.
Deze Conventie werd opgedragen voorstellen te formuleren over drie thema's: de burgers dichter bij
het Europese project en de Europese instellingen brengen; structuur geven aan het politieke leven en
de Europese politieke ruimte in een uitgebreide Unie; de Unie tot een stabiliserende factor en een
lichtbaken in de nieuwe wereldorde maken.
De Conventie heeft antwoorden geformuleerd op de vragen die in de Verklaring van Laken zijn
gesteld:
- zij stelt een betere verdeling van de bevoegdheden van de Unie en haar lidstaten voor;
- zij beveelt samenvoeging van de verdragen en toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de
Unie aan;
- zij geeft aan op welke wijze de instrumenten voor het optreden van de Unie kunnen worden
vereenvoudigd;
- zij stelt maatregelen voor om de democratie, de transparantie en de doeltreffendheid van de
Europese Unie te vergroten door de bijdrage van de nationale parlementen tot de legitimiteit
van het Europese project te ontwikkelen, door het besluitvormingsproces te vereenvoudigen
en door de werking van de Europese instellingen transparanter en inzichtelijker te maken;
- zij geeft aan welke maatregelen nodig zijn om de structuur te verbeteren en de rol te
versterken van elk van de drie instellingen van de Unie, onder inachtneming van, met name,
de gevolgen van de uitbreiding.

In de Verklaring van Laken is de vraag opgeworpen of de vereenvoudiging en de herschikking van
de verdragen niet moeten leiden tot de aanneming van een constitutionele tekst. De besprekingen
van de Conventie zijn inderdaad uitgemond in de opstelling van een ontwerp-verdrag tot vast-
stelling van een Grondwet voor Europa waarover tijdens de plenaire zitting van 13 juni 2003 een
brede consensus werd bereikt.
Die tekst leggen we heden, op 20 juni 2003, te Thessaloniki namens de Europese Conventie aan de
Europese Raad voor, daarbij de wens uitsprekend dat hij als grondslag dient voor een toekomstig
verdrag tot vaststelling van de Europese grondwet.

Valéry Giscard d'Estaing: voorzitter
Giuliano Amato: vice-voorzitter
Jean-Luc Dehaene: vice-voorzitter

 

DEEL I

VERDRAG TOT VASTSTELLING VAN EEN GRONDWET VOOR EUROPA

PREAMBULE
[Onze constitutie ... wordt democratisch genoemd, omdat de macht niet in handen is van een
minderheid, maar van de grootst mogelijke meerderheid.]
Thucydides II, 37

In het besef dat Europa als werelddeel een bakermat van de beschaving is; dat zijn inwoners, die
zich hier sedert mensenheugenis golfsgewijs gevestigd hebben, geleidelijk de waarden hebben
ontwikkeld die ten grondslag liggen aan het humanisme: gelijkheid van alle mensen, vrijheid en
eerbied voor de rede,
Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, waarvan de
waarden, die immer deel hebben uitgemaakt van zijn erfgoed, de centrale rol van de mens en zijn
onschendbare en onvervreemdbare rechten, alsmede de eerbiediging van het recht, in de
samenleving hebben verankerd,
In de overtuiging dat het voortaan verenigde Europa op de ingeslagen weg van beschaving, vooruit-
gang en welvaart wil voortgaan, ten profijte van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en
de meest behoeftigen; dat Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en
maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn
openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de
wereld,
In het vertrouwen dat de volkeren van Europa, ook al zijn zij trots op hun identiteit en hun nationale
geschiedenis, vastbesloten zijn hun oude tegenstellingen te overwinnen, en, steeds hechter verenigd,
vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming,
Er vast van overtuigd dat Europa, verenigd in zijn verscheidenheid, hun de beste kansen biedt om,
onder eerbiediging van eenieders rechten en in het besef van de verantwoordelijkheden jegens de
toekomstige generaties en de aarde, voort te gaan met de grootse onderneming van Europa bij
uitstek een ruimte maakt waar de mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties,
Erkentelijk jegens de leden van de Europese Conventie, omdat zij namens de burgers en de staten
van Europa deze Grondwet hebben opgesteld,
[die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, als volgt zijn
overeengekomen:]

TITEL I

Definitie en doelstellingen van de Unie

Artikel 1: Instelling van de Unie
1. Bij deze Grondwet, die geïnspireerd wordt door de wil van de burgers en de staten van Europa
om hun gemeenschappelijke toekomst op te bouwen, wordt een Unie ingesteld waaraan de
lidstaten bevoegdheden verlenen om hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken. De
Unie coördineert het beleid van de lidstaten dat gericht is op het bereiken van die doel-
stellingen en oefent op communautaire wijze de bevoegdheden uit die de lidstaten aan haar
overdragen.
2. De Unie staat open voor alle Europese staten die haar waarden eerbiedigen en zich ertoe
verbinden deze gezamenlijk te bevorderen.

Artikel 2: De waarden van de Unie
De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid,
democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. Deze waarden hebben
de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, verdraagzaamheid,
rechtvaardigheid, solidariteit en door het verbod van discriminatie.

Artikel 3: De doelstellingen van de Unie
1. De Unie stelt zich ten doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te
bevorderen.
2. De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zonder
binnengrenzen, en een interne markt waar de mededinging vrij en onvervalst is.
3. De Unie zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een even-
wichtige economische groei, van een sociale markteconomie met een groot concurrentie-
vermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een
hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie
bevordert wetenschappelijke en technische vooruitgang.
De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en
bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de solidariteit tussen generaties en de
bescherming van de rechten van het kind.
De Unie bevordert de economische, sociale en territoriale samenhang, en de solidariteit tussen
de lidstaten.
De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instand-
houding en de ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed.
4. In haar betrekkingen met de wereld buiten haar grenzen handhaaft en bevordert de Unie haar
waarden en belangen. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van
de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke
handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder
de rechten van kinderen, alsook tot de strikte nakoming en ontwikkeling van het inter-
nationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de
Verenigde Naties.
5. Deze doelstellingen worden nagestreefd met passende middelen, afhankelijk van de bevoegd-
heden die daartoe in de Grondwet aan de Unie zijn toegewezen.

Artikel 4: Fundamentele vrijheden en het verbod van discriminatie
1. De Unie verzekert overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet binnen haar grenzen het
vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, en de vrijheid van vestiging.
2. Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet is, onverminderd de bijzondere bepalingen
ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel 5: De betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten
1. De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun funda-
mentele politieke en grondwettelijke structuren, waaronder die voor regionaal en lokaal
zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met inbegrip van de verdediging van de
territoriale integriteit, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnen-
landse veiligheid.
2. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en
steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.
De lidstaten dragen ertoe bij dat de Unie haar taak kan vervullen en onthouden zich van alle
maatregelen die de verwezenlijking van de in de Grondwet genoemde doelstellingen in gevaar
kunnen brengen.

Artikel 6: Rechtspersoonlijkheid
De Unie bezit rechtspersoonlijkheid.

TITEL II

De grondrechten en het burgerschap van de Unie

Artikel 7: De grondrechten
1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de
grondrechten van de Unie, dat Deel II van de Grondwet vormt.
2. De Unie streeft naar toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden. Toetreding laat de bevoegdheden van de Unie, zoals
in de Grondwet omschreven, onveranderd.
3. De grondrechten, die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en die voortvloeien uit de
gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maken als algemene beginselen
deel uit van het recht van de Unie.

Artikel 8: Het burgerschap van de Unie
1. Eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, is burger van de Unie. Het burgerschap van
de Unie staat naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die in de Grondwet zijn
neergelegd. Zij hebben:
- het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te
verblijven;
- het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de
gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voor-
waarden als de onderdanen van die staat;
- het recht om op het grondgebied van een derde land waar de lidstaat waarvan zij onder-
daan zijn, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire
instanties van iedere andere lidstaat te genieten onder dezelfde voorwaarden als de
onderdanen van die lidstaat;
- het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de
Europese ombudsman te wenden, alsook de instellingen en de adviesorganen van de
Unie in een van de officiële talen van de Grondwet aan te schrijven en in die taal
antwoord te krijgen.
3. Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de
Grondwet en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

TITEL III

Bevoegdheden van de Unie

Artikel 9: Grondbeginselen
1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van
bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door
de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
2. Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de
bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde
doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn
toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
3. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar
exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het
optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen
worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter
door de Unie kunnen worden bereikt.

De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het aan de
Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en
evenredigheid. De nationale parlementen zien erop toe dat het beginsel volgens de in dat
protocol vastgelegde procedure wordt geëerbiedigd
4. Krachtens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de
Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.

De instellingen passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het in lid 3 bedoelde
protocol.

Artikel 10: Het recht van de Unie
1. De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie krachtens de haar toegedeelde
bevoegdheden vaststellen, hebben voorrang boven het recht van de lidstaten.
2. De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming
van de uit de Grondwet of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende
verplichtingen te verzekeren.

Artikel 11: De categorieën van bevoegdheden
1. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een exclusieve bevoegdheid aan
de Unie wordt toegedeeld, kan uitsluitend de Unie wetgevend optreden en juridisch bindende
handelingen vaststellen, en kunnen de lidstaten zulks uitsluitend zelf doen op grond van een
machtiging van de Unie of ter uitvoering van door de Unie vastgestelde handelingen.
2. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een bevoegdheid aan de Unie
wordt toegedeeld die zij met de lidstaten deelt, zijn de Unie en de lidstaten beide bevoegd, op
dat gebied wetgevend op te treden en juridisch bindende handelingen vast te stellen. De
lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit voorzover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitge-
oefend of besloten heeft deze niet langer uit te oefenen.
3. De Unie is bevoegd om te zorgen voor de bevordering en de coördinatie van het economisch
beleid en het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.
4. De Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en
te voeren, en in het kader daarvan geleidelijk een gemeenschappelijk defensiebeleid vast te
stellen.
5. Op bepaalde gebieden en onder de in de Grondwet gestelde voorwaarden is de Unie bevoegd
om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen, zonder
evenwel afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op die gebieden.
6. De omvang en de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden
bepaald door de specifieke bepalingen voor ieder gebied in Deel III.

Artikel 12: De exclusieve bevoegdheden
1. De Unie is exclusief bevoegd om de voor de werking van de interne markt noodzakelijke
mededingingsregels vast te stellen, en is voorts bevoegd op de volgende gebieden:
- het monetair beleid voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd,
- het gemeenschappelijk handelsbeleid,
- de douane-unie,
- de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeen-
schappelijk visserijbeleid.
2. De Unie is exclusief bevoegd, een internationale overeenkomst te sluiten indien een wet-
gevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet, indien zulks noodzakelijk is om de Unie
in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen en indien zulks van invloed is op een
interne handeling van de Unie.

Artikel 13: De gedeelde-bevoegdheidsgebieden
1. De Unie heeft een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid in de gevallen waarin in de Grondwet
haar een bevoegdheid wordt toegedeeld die buiten de in de artikelen 12 en 16 bedoelde
gebieden valt.
2. De gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten betreffen de volgende hoofdgebieden:
- de interne markt,
- de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,
- landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische
rijkdommen van de zee,
- vervoer en trans-Europese netwerken,
- energie,
- het sociaal beleid, voor in Deel III omschreven aspecten,
- de economische, sociale en territoriale samenhang,
- het milieu,
- consumentenbescherming,
- gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid.
3. Op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte-onderzoek is de Unie
bevoegd op te treden, met name programma's vast te stellen en uit te voeren, zonder dat door de
uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten verhinderd wordt hun eigen bevoegdheid uit te
oefenen.
4. Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp is de Unie bevoegd op te
treden en een gemeenschappelijk beleid te voeren, zonder dat door de uitoefening van die
bevoegdheid de lidstaten wordt verhinderd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.

Artikel 14: De coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid
1. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het economisch beleid van
de lidstaten, met name door de globale richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen. De lidstaten
coördineren hun economisch beleid binnen de Unie.
2. Voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd, gelden specifieke bepalingen.
3. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het werkgelegenheids-
beleid van de lidstaten, met name door de richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen.
4. De Unie kan initiatieven nemen om te zorgen voor de coördinatie van het sociaal beleid van de
lidstaten.

Artikel 15: Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
1. De bevoegdheid van de Unie met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veilig-
heidsbeleid bestrijkt alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband
houden met de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een
gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie.
2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en
onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de
Unie en eerbiedigen de handelingen die de Unie op dat gebied vaststelt. Zij onthouden zich
van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen
doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel 16: De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden
1. De Unie kan ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden.
2. De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden zijn, wat hun
Europese dimensie betreft:
- industrie,
- bescherming en verbetering van de volksgezondheid,
- onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport,
- cultuur,
- civiele bescherming.
3. De door de Unie op grond van de specifieke bepalingen betreffende deze gebieden in Deel III
vastgestelde juridisch bindende handelingen kunnen generlei harmonisatie van de wettelijke
of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden.

Artikel 17: Flexibiliteit
1. Indien een optreden van de Unie in het kader van de in Deel III omschreven beleidsgebieden
nodig blijkt om een van de in de Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken zonder
dat de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad van Ministers,
op voorstel van de Europese Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met
eenparigheid van stemmen de passende maatregelen.
2. In het kader van de in artikel 9, lid 3, bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteits-
beginsel vestigt de Europese Commissie de aandacht van de nationale parlementen van de
lidstaten op de voorstellen die op het onderhavige artikel gebaseerd zijn.
3. De op grond van het onderhavige artikel vastgestelde bepalingen mogen geen harmonisatie van
de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden in gevallen waarin de
Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.

TITEL IV

De instellingen van de Unie

Hoofdstuk I: Het institutioneel kader

Artikel 18: De instellingen van de Unie
1. De Unie beschikt over één enkel institutioneel kader, dat ertoe strekt:
- de doelstellingen van de Unie na te streven,
- de waarden van de Unie te bevorderen,
- de belangen van de Unie, van haar burgers en van haar lidstaten te dienen,
en de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van het beleid en van het optreden
van de Unie, dat gericht is op het verwezenlijken van haar doelstellingen, te verzekeren.
2. Dit institutioneel kader omvat:
het Europees Parlement,
de Europese Raad,
de Raad van Ministers,
de Europese Commissie,
het Hof van Justitie.
3. Elke instelling handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de Grondwet
zijn toegekend, volgens de procedures en de voorwaarden die daarin zijn omschreven. De
instellingen werken onderling loyaal samen.

Artikel 19: Het Europees Parlement
1. Het Europees Parlement oefent samen met de Raad van Ministers onder de in de Grondwet
vastgelegde voorwaarden de wetgevings- en de begrotingstaak uit, alsmede de politieke
controle- en raadgevingstaken. Het Parlement kiest de voorzitter van de Europese Commissie.
2. Het Europees Parlement wordt door de Europese burgers voor een periode van vijf jaar
gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen. Het aantal
leden bedraagt niet meer dan zevenhonderdzesendertig. De Europese burgers zijn degressief
evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van vier leden van het Europees Parlement
per lidstaat.
Lang genoeg voor de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 en vervolgens voor
volgende verkiezingen naargelang van de behoefte stelt de Europese Raad met eenparigheid
van stemmen op voorstel van en na goedkeuring door het Europees Parlement een besluit vast
inzake de samenstelling van het Europees Parlement, met inachtneming van de hiervoor
vermelde beginselen.
3. Het Europees Parlement kiest uit zijn leden de voorzitter en het bureau.

Artikel 20: De Europese Raad
1. De Europese Raad geeft aan de Unie de voor haar ontwikkeling nodige impulsen en stelt haar
algemene politieke richtsnoeren en prioriteiten vast. Hij oefent geen wetgevingstaken uit.
2. De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden of regeringsleiders van de lidstaten, zijn voor-
zitter en de voorzitter van de Europese Commissie. De minister van Buitenlandse Zaken van
de Unie neemt deel aan de besprekingen.
3. De Europese Raad komt elk kwartaal na een convocatie door zijn voorzitter bijeen. Indien de
agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Europese Raad besluiten zich te laten bijstaan
door een minister en, wat de voorzitter van de Europese Commissie betreft, door een
Europese Commissaris. Indien de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone
bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.
4. Voorzover in de Grondwet niet anders is bepaald, spreekt de Europese Raad zich bij
consensus uit.

Artikel 21: De voorzitter van de Europese Raad
1. De Europese Raad kiest met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zijn voorzitter voor
een periode van tweeëneenhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter
verhinderd is of ernstig tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure een
einde maken aan zijn mandaat.
2. De voorzitter van de Europese Raad:
- leidt en stimuleert de besprekingen van de Europese Raad;
- zorgt, in samenwerking met de voorzitter van de Europese Commissie en op basis van
de besprekingen van de Raad Algemene Zaken, voor de voorbereiding en de continuïteit
van de besprekingen van de Europese Raad;
- streeft ernaar, de samenhang en de consensus binnen de Europese Raad te bevorderen;
- legt na afloop van iedere bijeenkomst van de Europese Raad een verslag voor aan het
Europees Parlement.
De voorzitter van de Europese Raad zorgt op zijn niveau en in die hoedanigheid voor de
externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappe-
lijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, onverminderd de verantwoordelijkheden van de
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
3. De voorzitter van de Europese Raad kan geen nationaal mandaat uitoefenen.

Artikel 22: De Raad van Ministers
1. De Raad van Ministers oefent samen met het Europees Parlement onder de in de Grondwet
vastgelegde voorwaarden de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit, alsmede
beleidsbepalende en coördinerende taken.
2. De Raad van Ministers bestaat voor iedere Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van
iedere lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat welke hij
vertegenwoordigt, te binden en het stemrecht uit te oefenen.
3. Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen.

Artikel 23: De formaties van de Raad van Ministers
1. De Raad Wetgeving en Algemene Zaken zorgt voor de samenhang van de besprekingen van
de Raad van Ministers.
Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van Raad Algemene Zaken handelt,
verzorgt hij samen met de Europese Commissie de voorbereiding en de voortgangsbewaking
van de bijeenkomsten van de Europese Raad.
Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van wetgever handelt, beraadslaagt hij
en vaardigt hij samen met het Europees Parlement, conform de bepalingen van de Grondwet,
de Europese wetten en de Europese kaderwetten uit. Wanneer hij in deze hoedanigheid
handelt, wordt iedere lidstaat vertegenwoordigd door één of twee andere vertegenwoordigers
op ministerieel niveau die voor de agenda terzake bevoegd zijn.
2. De Raad Buitenlandse Zaken werkt het extern beleid van de Unie uit volgens de door de
Europese Raad bepaalde strategische lijnen en zorgt voor de samenhang in het optreden van
de Unie. Hij wordt voorgezeten door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
3. De Europese Raad stelt een Europees besluit vast over de andere formaties waarin de Raad
van Ministers bijeen kan komen.
4. Het voorzitterschap van de andere formaties van de Raad van Ministers dan de formatie
Buitenlandse Zaken wordt volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid gedurende
perioden van ten minste één jaar uitgeoefend door de vertegenwoordigers van de lidstaten in
de Raad van Ministers. De Europese Raad stelt een Europees besluit betreffende de regels
voor dit toerbeurtsysteem vast, rekening houdend met het Europese politieke en geografische
evenwicht en de verscheidenheid van de lidstaten.

Artikel 24: De gekwalificeerde meerderheid van stemmen
1. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en in de Raad van
Ministers wordt verstaan, de meerderheid van de lidstaten welke tevens ten minste drievijfde
van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.
2. Indien de Grondwet niet vereist dat de Europese Raad of de Raad van Ministers op basis van
een voorstel van de Europese Commissie besluit, of indien de Europese Raad of de Raad van
Ministers niet besluit op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie,
bestaat de vereiste gekwalificeerde meerderheid uit tweederde van de lidstaten, welke ten
minste drievijfde van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.
3. De bepalingen van de leden 1 en 2 worden op 1 november 2009 van kracht, nadat
overeenkomstig artikel 19 de verkiezingen voor het Europees Parlement hebben
plaatsgevonden.
4. Met betrekking tot de gevallen waarin volgens Deel III Europese wetten en Europese
kaderwetten door de Raad van Ministers volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden
vastgesteld, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid van stemmen, na
een termijn van behandeling van ten minste zes maanden bij Europees besluit bepalen dat de
Europese wetten of kaderwetten volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden
vastgesteld. De Europese Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en na
informatie van de nationale parlementen te hebben verkregen.
Met betrekking tot de gebieden waarop volgens Deel III de Raad van Ministers met een-
parigheid van stemmen besluit, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid
van stemmen, bij Europees besluit bepalen dat de Raad van Ministers met gekwalificeerde
meerderheid kan besluiten. Ieder initiatief van de Europese Raad op grond van deze alinea
wordt ten minste vier maanden voordat een beslissing wordt genomen, aan de nationale
parlementen toegezonden.
5. In de Europese Raad nemen de voorzitter en de voorzitter van de Europese Commissie niet
deel aan de stemming.

Artikel 25: De Europese Commissie
1. De Europese Commissie bevordert het Europese algemeen belang en neemt daartoe passende
initiatieven. Zij ziet toe op de toepassing van zowel de bepalingen van de Grondwet als de
bepalingen die de instellingen krachtens de Grondwet vaststellen. Onder de controle van het
Hof van Justitie ziet zij toe op de toepassing van het recht van de Unie. Zij voert de begroting
uit en beheert programma's. Zij oefent onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden
tevens coördinatie-, uitvoerings- en beheerstaken uit. Zij draagt zorg voor de externe
vertegenwoordiging van de Unie, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en
veiligheidsbeleid en in andere in de Grondwet genoemde gevallen. Zij neemt de initiatieven
tot de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie met het oog op de
totstandbrenging van interinstitutionele akkoorden.
2. Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie alleen
op voorstel van de Europese Commissie worden vastgesteld. Andere handelingen worden op
voorstel van de Commissie vastgesteld in de gevallen waarin de Grondwet daarin voorziet.
3. De Europese Commissie is een college dat bestaat uit een voorzitter, de minister van
Buitenlandse Zaken van de Unie/vice-voorzitter en dertien Europese Commissarissen die
volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid tussen de lidstaten worden gekozen. Dit
systeem wordt door de Europese Raad bij Europees besluit vastgesteld op basis van de
volgende beginselen:
a) de lidstaten worden volstrekt gelijk behandeld wat betreft de bepaling van de volgorde
en de ambtstermijn van hun onderdanen als leden van het college; derhalve kan het
verschil tussen het totale aantal ambtstermijnen van onderdanen van twee willekeurige
lidstaten nooit meer dan één bedragen;
b) onverminderd punt a) weerspiegelt de samenstelling van het college te allen tijde in
voldoende mate de demografische en geografische verscheidenheid van alle lidstaten
van de Unie.
De voorzitter van de Europese Commissie benoemt Commissarissen zonder stemrecht, die
volgens dezelfde criteria worden gekozen als de gewone leden van het college en die
afkomstig zijn uit alle andere lidstaten.
Deze regeling wordt op 1 november 2009 van kracht.
4. De Europese Commissie oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Bij
de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de Europese Commissarissen en de
Commissarissen instructies van enige regering of enig ander lichaam.
5. De Europese Commissie legt als college verantwoording af aan het Europees Parlement. De
voorzitter van de Commissie legt verantwoording af aan het Europees Parlement over de
activiteiten van de Commissarissen. Het Europees Parlement kan volgens de procedure van
artikel III-243 een motie van afkeuring betreffende de Commissie aannemen. Indien de motie
wordt aangenomen, moeten de Europese Commissarissen en de Commissarissen gezamenlijk
aftreden. De Commissie blijft de lopende zaken behartigen totdat een nieuw college is
benoemd.

Artikel 26: De voorzitter van de Europese Commissie
1. Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raad-
plegingen draagt, de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het
Europees Parlement een kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Europese Commissie
voor. Deze kandidaat wordt door het Europees Parlement bij meerderheid van stemmen van
zijn leden gekozen. Indien de kandidaat geen meerderheid behaalt, draagt de Europese Raad
binnen een maand volgens dezelfde procedure een nieuwe kandidaat bij het Europees
Parlement voor.
2. Iedere lidstaat die volgens het toerbeurtsysteem is aangewezen, stelt een lijst van drie
personen op die hij geschikt acht voor het ambt van Europees Commissaris; in de lijst moeten
beide geslachten vertegenwoordigd zijn. Door uit elk van deze lijsten een persoon te kiezen,
wijst de verkozen voorzitter de dertien Europese Commissarissen aan, op grond van hun
bekwaamheid, Europese inzet en waarborgen voor onafhankelijkheid. De voorzitter en de als
leden van het college aangewezen personen, met inbegrip van de toekomstige minister van
Buitenlandse zaken van de Unie, alsmede de als commissarissen zonder stemrecht
aangewezen personen, worden collectief ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van
het Europees Parlement. De ambtstermijn van de Commissie bedraagt vijf jaar.
3. De voorzitter van de Europese Commissie:
- stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Commissie haar opdracht
vervult;
- beslist over de interne organisatie van de Commissie, teneinde de samenhang, de doel-
treffendheid en het collegiale karakter van haar optreden te waarborgen;
- benoemt uit de leden van het college de vice-voorzitters.
Een Europees Commissaris of een Commissaris dient zijn ontslag in indien de voorzitter hem
daarom verzoekt.

Artikel 27: De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie
1. Met instemming van de voorzitter van de Europese Commissie benoemt de Europese Raad
met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de minister van Buitenlandse Zaken van de
Unie. Deze voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. De
Europese Raad kan zijn mandaat volgens dezelfde procedure beëindigen.
2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt met zijn voorstellen bij tot de uit-
werking van het gemeenschappelijk buitenlands beleid, dat hij als mandataris van de Raad
van Ministers uitvoert. Hij handelt op dezelfde wijze ten aanzien van het gemeenschappelijk
veiligheids- en defensiebeleid.
3. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is een van de vice-voorzitters van de
Europese Commissie. Hij is belast met de externe betrekkingen en de coördinatie van de
overige aspecten van het externe optreden van de Unie. Bij de uitoefening van zijn verant-
woordelijkheden in de Commissie en alleen binnen het bestek daarvan, is de minister van
Buitenlandse Zaken van de Unie onderworpen aan de procedures tot regeling van de werking
van de Commissie.

Artikel 28: Het Hof van Justitie
1. Het Hof van Justitie omvat het Europees Hof van Justitie, de Rechtbank van de Europese
Unie en gespecialiseerde rechtbanken. Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de
uitlegging en toepassing van de Grondwet.
De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het
gebied van het recht van de Unie te waarborgen.
2. Het Europees Hof van Justitie telt één rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocaten-
generaal.
De Rechtbank van de Europese Unie telt ten minste één rechter per lidstaat. Het aantal
rechters wordt in het Statuut van het Hof van Justitie bepaald.
De rechters en de advocaten-generaal van het Europees Hof van Justitie en de rechters van de
Rechtbank van de Europese Unie, die worden gekozen uit personen welke alle waarborgen
voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van de artikelen III-260 en III-
261, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar
benoemd. Zij zijn herbenoembaar.
3. Het Hof van Justitie:
- doet uitspraak inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon
ingesteld beroep overeenkomstig het bepaalde in Deel III;
- geeft, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, prejudiciële beslissingen over
de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van
de instellingen;
- doet uitspraak inzake andere in de Grondwet bepaalde gevallen.

Hoofdstuk II - Overige instellingen en organen

Artikel 29: De Europese Centrale Bank
1. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken vormen het Europees Stelsel van
Centrale Banken. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten
die de munt van de Unie, de euro, hebben aangenomen, voeren het monetair beleid van de
Unie.
2. Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt geleid door de besluitvormingsorganen van
de Europese Centrale Bank. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken is
het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit, ondersteunt het
het algemene economische beleid in de Unie om zodoende bij te dragen tot de
verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Het voert alle andere taken van een
centrale bank uit, in overeenstemming met Deel III en de statuten van het Europees Stelsel
van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.
3. De Europese Centrale Bank is een instelling met rechtspersoonlijkheid. Zij heeft het alleen-
recht machtiging te geven tot uitgifte van de euro. Zij is onafhankelijk, zowel bij de uitvoering
van haar bevoegdheden als met betrekking tot haar financieel beleid. De instellingen en
organen van de Unie en de regeringen van de lidstaten verbinden zich ertoe de
onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank te eerbiedigen.
4. De Europese Centrale Bank neemt alle maatregelen die nodig zijn om haar taken te vervullen
in overeenstemming met de artikelen III-77 tot en met III-83 en artikel III-90 en onder de
voorwaarden van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de
Europese Centrale Bank. Overeenkomstig diezelfde bepalingen behouden niet tot de eurozone
behorende landen en hun centrale banken hun bevoegdheden op monetair gebied.
5. Op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, wordt de Europese Centrale Bank geraad-
pleegd over elk voorstel voor een handeling van de Unie, alsmede over elk ontwerp van
regelgeving op nationaal niveau, en kan zij advies uitbrengen.
6. De besluitvormingsorganen van de Europese Centrale Bank, hun samenstelling en werkwijze
functioneren worden omschreven in de artikelen III-84 tot en met III-87, alsmede in de
statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

Artikel 30: De Rekenkamer
1. De Rekenkamer is de instelling die de controle van de rekeningen verricht.
2. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie en
gaat na of een goed financieel beheer is gevoerd.
3. In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Reken-
kamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit.

Artikel 31: De adviesorganen van de Unie
1. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie worden
bijgestaan door een Comité van de Regio's en een Economisch en Sociaal Comité, die een
adviestaak hebben.
2. Het Comité van de Regio's bestaat uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeen-
schappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording ver-
schuldigd zijn aan een gekozen vergadering.
3. Het Economisch en Sociaal Comité bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties van
werkgevers, werknemers en andere representanten van het maatschappelijk middenveld, met
name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties.
4. De leden van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité mogen
niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhanke-
lijk uit in het algemeen belang van de Unie.
5. De regels betreffende de samenstelling van deze comités, de benoeming van hun leden, de
bevoegdheden en de werking ervan worden vastgesteld in de artikelen III-292 tot en
met III-298. De regels betreffende de samenstelling worden door de Raad van Ministers op
voorstel van de Europese Commissie op gezette tijden opnieuw bezien, opdat zij in
overeenstemming blijven met de economische, sociale en demografische ontwikkeling van de
Unie.

TITEL V

De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie

Hoofdstuk I - Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 32: De rechtshandelingen van de Unie
1. De rechtshandelingen waarvan de Unie overeenkomstig de bepalingen van Deel III gebruik
maakt bij de uitoefening van de haar in de Grondwet toegewezen bevoegdheden, zijn de
Europese wet, de Europese kaderwet, de Europese verordening, het Europees besluit, aan-
bevelingen en adviezen.
De Europese wet is een wetgevingshandeling van algemene strekking. Zij is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in iedere lidstaat.
De Europese kaderwet is een wetgevingshandeling die iedere lidstaat waartoe zij is gericht,
bindt ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar die de bevoegdheid omtrent de keuze van
vorm en middelen aan de nationale instanties overlaat.
De Europese verordening is een handeling van algemene strekking, niet zijnde een wet-
gevingshandeling, ter uitvoering van een wetgevingshandeling of van bijzondere bepalingen
van de Grondwet. Zij is ofwel verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in
iedere lidstaat, ofwel bindend voor iedere lidstaat waartoe zij is gericht ten aanzien van het te
bereiken resultaat, met dien verstande dat de bevoegdheid omtrent de keuze van vorm en
middelen aan de nationale instanties wordt overgelaten.
Het Europees besluit is een handeling, niet zijnde een wetgevingshandeling, die verbindend is
in al haar onderdelen. Het besluit is in voorkomend geval alleen verbindend voor degene tot
wie het is gericht.
De aanbevelingen en adviezen van de instellingen hebben geen bindende kracht.
2. Indien bij het Europees Parlement en de Raad van Ministers een voorstel voor een wet-
gevingshandeling is ingediend, onthouden zij zich van het vaststellen van handelingen op het
betrokken gebied waarin dit artikel niet voorziet.

Artikel 33: De wetgevingshandelingen
1. De Europese wetten en kaderwetten worden op voorstel van de Europese Commissie door het
Europees Parlement en de Raad van Ministers gezamenlijk vastgesteld volgens de in
artikel III-302 vastgelegde gewone wetgevingsprocedure. Indien deze twee instellingen geen
overeenstemming bereiken, is de wetgevingshandeling niet vastgesteld.
In de in artikel III-165 bepaalde specifieke gevallen kunnen de Europese wetten en kader-
wetten op initiatief van een groep lidstaten worden vastgesteld volgens artikel III-302.
2. In bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen worden de Europese wetten en kaderwetten
volgens bijzondere wetgevingsprocedures vastgesteld door het Europees Parlement met
deelname van de Raad van Ministers, dan wel door de Raad van Ministers met deelname van
het Europees Parlement.

Artikel 34: Handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen
1. De Raad van Ministers en de Europese Commissie stellen Europese verordeningen en
Europese besluiten vast in de gevallen bedoeld in de artikelen 35 en 36, alsmede in de bij de
Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Raad stelt Europese besluiten vast in de
bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Centrale Bank stelt Europese
verordeningen en Europese besluiten vast in de gevallen waarin de Grondwet dit toestaat.
2. De Raad van Ministers en de Europese Commissie, alsook de Europese Centrale Bank in de
gevallen waarin de Grondwet haar daartoe de mogelijkheid biedt, stellen aanbevelingen vast.
Artikel 35: Gedelegeerde verordeningen
1. Bij Europese wet of kaderwet kan aan de Europese Commissie de bevoegdheid worden
overgedragen gedelegeerde verordeningen uit te vaardigen ter aanvulling of wijziging van
bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van de Europese wet of kaderwet.
De Europese wet of kaderwet omschrijft uitdrukkelijk de doelstellingen, de inhoud, de
strekking en de duur van de delegatie. Essentiële beleidsonderdelen kunnen niet het voorwerp
zijn van delegatie. Deze worden uitsluitend bij Europese wet of kaderwet geregeld.
2. De Europese wet of kaderwet bepaalt uitdrukkelijk onder welke voorwaarden de delegatie
wordt toegepast. Deze voorwaarden kunnen in de volgende mogelijkheden bestaan:
- het Europees Parlement of de Raad van Ministers kan besluiten tot intrekking van de
delegatie;
- de gedelegeerde verordening treedt niet in werking dan nadat het Europees Parlement of
de Raad van Ministers geen bezwaar heeft aangetekend binnen de bij de Europese wet
of kaderwet gestelde termijn.
Voor de toepassing van de eerste alinea besluit het Europees Parlement met meerderheid van
de stemmen van zijn leden en besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid
van stemmen.

Artikel 36: De uitvoeringshandelingen
1. De lidstaten nemen alle maatregelen van intern recht die nodig zijn ter uitvoering van de
juridisch bindende handelingen van de Unie.
2. Indien het nodig is dat bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden
worden uitgevoerd, kunnen bij die handelingen aan de Europese Commissie, of in naar
behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij artikel 39 bepaalde gevallen aan de
Raad van Ministers, uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.
3. Bij Europese wet worden vooraf de voorschriften en algemene beginselen vastgelegd voor de
wijze waarop de lidstaten toezicht uitoefenen op de uitvoeringshandelingen van de Unie.
4. De uitvoeringshandelingen van de Unie hebben de vorm van een Europese uitvoerings-
verordening of een Europees uitvoeringsbesluit.

Artikel 37: Gemeenschappelijke beginselen betreffende de rechtshandelingen van de Unie
1. Tenzij de Grondwet in een specifieke handeling voorziet, besluiten de instellingen, met
inachtneming van de toepasselijke procedures, welk soort van handeling in elk afzonderlijk
geval overeenkomstig het in artikel 9 neergelegde evenredigheidsbeginsel moet worden vast-
gesteld.
2. De Europese wetten, de Europese kaderwetten, de Europese verordeningen en de Europese
besluiten worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of de adviezen
waarin de Grondwet voorziet.

Artikel 38: Bekendmaking en inwerkingtreding
1. Europese wetten en kaderwetten die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vast-
gesteld, worden door de voorzitter van het Europees Parlement en door de voorzitter van de
Raad van Ministers ondertekend. In de overige gevallen worden zij door de voorzitter van het
Europees Parlement of door de voorzitter van de Raad van Ministers ondertekend. De
Europese wetten en kaderwetten worden in het Publicatieblad van de Europese Unie
bekendgemaakt en treden in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan,
op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.
2. Europese verordeningen en Europese besluiten die geen adressaat vermelden of die tot alle
lidstaten zijn gericht, worden ondertekend door de voorzitter van de instelling waardoor zij
worden vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Zij treden
in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan, op de twintigste dag
volgende op die van hun bekendmaking.
3. Van de overige besluiten wordt kennisgegeven aan degenen tot wie zij zijn gericht. Zij
worden door deze kennisgeving van kracht.

Hoofdstuk II - Bijzondere bepalingen

Artikel 39: Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk
buitenlands en veiligheidsbeleid
1. De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op
de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de vaststelling van
aangelegenheden die van algemeen belang zijn en de totstandbrenging van een steeds
toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.
2. De Europese Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doel-
stellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad van
Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk in het kader van de door de Europese
Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en volgens het bepaalde in Deel III.
3. De Europese Raad en de Raad van Ministers stellen de nodige Europese besluiten vast.
4. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister
van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de
middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
5. De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers over iedere
aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid
met het oog op het vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt
met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad van Ministers alvorens inter-
nationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen
schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent
optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen
gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
6. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de
fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheids-
beleid, en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
7. Europese besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
worden door de Europese Raad en door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen
vastgesteld, behalve in de in Deel III bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van
een lidstaat, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of van deze minister met
steun van de Commissie. Europese wetten en kaderwetten zijn uitgesloten.
8. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad van Ministers
ook in andere dan de in Deel III bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid besluit.

Artikel 40: Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk
veiligheids- en defensiebeleid
1. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid is een integrerend deel van het
gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het voorziet de Unie van een
operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt. De Unie kan deze
gebruiken in het kader van buiten het grondgebied van de Unie uit te voeren missies met het
oog op handhaving van de vrede, conflictpreventie en versterking van de internationale
veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij de
uitvoering van deze taken wordt gebruik gemaakt van de door de lidstaten beschikbaar te
stellen vermogens.
2. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid omvat de geleidelijke bepaling van een
gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie. Dit zal tot een gemeenschappelijke defensie
leiden zodra de Europese Raad met eenparigheid van stemmen daartoe besluit. In dat geval
beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun
onderscheiden grondwettelijke bepalingen.
Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veilig-
heids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-
Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeen-
schappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, en is
verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijk veiligheids- en defensie-
beleid.
3. De lidstaten stellen civiele en militaire vermogens ter beschikking van de Unie voor de
uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, om zodoende bij te
dragen tot het bereiken van de door de Raad van Ministers bepaalde doelstellingen. De lid-
staten die onderling multinationale strijdkrachten vormen, kunnen deze strijdkrachten tevens
ter beschikking van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid stellen.
De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Er wordt
een Europees Bureau voor bewapening, onderzoek en militaire vermogens opgericht, dat de
operationele behoeften bepaalt, maatregelen bevordert om in die behoeften te voorzien,
bijdraagt tot de vaststelling en, in voorkomend geval, tot de uitvoering van alle nuttige maat-
regelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, deel-
neemt aan het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening, en de Raad
van Ministers helpt de verbetering van de militaire vermogens te evalueren.
4. Europese besluiten betreffende de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en
defensiebeleid, waaronder begrepen het opzetten van een missie als bedoeld in dit artikel,
worden op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of op voorstel van
een lidstaat door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld. De
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie kan, in voorkomend geval samen met de
Europese Commissie, voorstellen, gebruik te maken van nationale middelen en van
instrumenten van de Unie.
5. De Raad van Ministers kan de uitvoering van een taak in het kader van de Unie opdragen aan
een groep lidstaten, teneinde de waarden van de Unie te beschermen en haar belangen te
dienen. Voor de uitvoering van een dergelijke taak geldt het bepaalde in artikel III-211.
6. De lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan hogere militaire criteria en die op
dit gebied onderling verdergaande verbintenissen zijn aangegaan met het oog op de uit-
voering van de meest veeleisende taken, stellen in het kader van de Unie een gestructureerde
samenwerking in. Voor deze samenwerking geldt het bepaalde in artikel III-213.
7. Zolang de Europese Raad het besluit overeenkomstig lid 2 niet genomen heeft, wordt in het
kader van de Unie een nauwere samenwerking op het gebied van de wederzijdse defensie
ingesteld. Krachtens deze samenwerking verlenen, indien het grondgebied van een aan deze
samenwerking deelnemende lidstaat gewapenderhand wordt aangevallen, de overige deel-
nemende staten deze lidstaat met alle militaire en andere middelen waarover zij beschikken
hulp en bijstand overeenkomstig het bepaalde in artikel 51 van het Handvest van de
Verenigde Naties. Bij de totstandbrenging van een hechtere samenwerking op het gebied van
wederzijdse defensie werken de deelnemende lidstaten nauw samen met de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie. De nadere bepalingen voor de deelneming en de werking, alsook de
besluitvormingsprocedures, met betrekking tot deze samenwerking zijn in artikel III-214
opgenomen.
8. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de
fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,
en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.

Artikel 41: Bijzondere bepalingen inzake de totstandbrenging van een ruimte van
vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
1. De Unie vormt een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid:
- door de vaststelling van Europese wetten en kaderwetten waarmee, zonodig, de
nationale wetgevingen op de in Deel III opgesomde gebieden onderling worden
aangepast;
- door het onderlinge vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te
bevorderen, met name op basis van de wederzijdse erkenning van gerechtelijke en
buitengerechtelijke beslissingen;
- door operationele samenwerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met
inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde diensten op het gebied van
het voorkomen en opsporen van strafbare feiten.
2. In deze ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid kunnen de nationale parlementen
deelnemen aan de evaluatiemechanismen van artikel III-161 en worden zij betrokken bij de
politieke controle van Europol en bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust,
overeenkomstig de artikelen III-177 en III-174.
3. Op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken beschikken de lidstaten
over een recht van initiatief overeenkomstig artikel III-165.

Artikel 42: De solidariteitsclausule
1. De Unie en de lidstaten treden solidair tezamen op indien een lidstaat slachtoffer is van een
terreuraanslag, van een natuurramp of van een ramp veroorzaakt door menselijk optreden. De
Unie maakt van alle tot haar beschikking staande instrumenten, waaronder de door de
lidstaten ter beschikking gestelde militaire middelen, gebruik om:
a) - de dreiging van het terrorisme op het grondgebied van de lidstaten te keren;
- de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele
terroristische aanval te beschermen;
- op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied
bijstand te verlenen in geval van een terroristische aanval;
b) - op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied
bijstand te verlenen in geval van een ramp.
2. De nadere bijzonderheden betreffende de uitvoering van deze bepaling zijn opgenomen in
artikel III-231.

Hoofdstuk III - Nauwere samenwerking

Artikel 43: Nauwere samenwerking
1. De lidstaten die onderling nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de
niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, kunnen gebruik maken van de instellingen van de
Unie en die bevoegdheden uitoefenen op grond van de terzake geldende bepalingen van de
Grondwet, binnen de grenzen van en in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel en in
de artikelen III-322 tot en met III-329.
Met nauwere samenwerking wordt beoogd de doelstellingen van de Unie te bevorderen, haar
belangen te beschermen en haar integratieproces te versterken. Nauwere samenwerking staat
open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan, en op ieder ander tijdstip,
overeenkomstig artikel III-324.
2. De machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan wordt in laatste instantie verleend door
de Raad van Ministers, wanneer in de Raad van Ministers is vastgesteld dat de door de
nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de
Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt en mits door ten minste eenderde van de
lidstaten aan de nauwere samenwerking wordt deelgenomen. De Raad van Ministers besluit
volgens de procedure van artikel III-325.
3. Alleen leden van de Raad van Ministers die aan een nauwere samenwerking deelnemende
staten vertegenwoordigen, nemen deel aan de vaststelling van handelingen. Alle lidstaten
kunnen evenwel deelnemen aan de beraadslagingen van de Raad van Ministers.
Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de
deelnemende staten gevormd. Een gekwalificeerde meerderheid wordt gevormd door de
meerderheid van de vertegenwoordigers van de deelnemende staten die ten minste drievijfde
van de bevolking van die staten vertegenwoordigt. Indien de Grondwet niet voorschrijft dat de
Raad van Ministers op basis van een voorstel van de Europese Commissie of op initiatief van
de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie handelt, wordt de vereiste gekwalificeerde
meerderheid gevormd door tweederde van de deelnemende staten, die ten minste drievijfde
van de bevolking van die staten vertegenwoordigt.
4. De in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen zijn alleen bindend
voor de deelnemende staten. Zij worden niet beschouwd als een acquis dat door de kandidaat-
lidstaten van de Unie moet worden aanvaard.

TITEL VI

Het democratisch bestel van de Unie

Artikel 44: Het beginsel van democratische gelijkheid
In al haar activiteiten eerbiedigt de Unie het beginsel van gelijkheid van haar burgers. De burgers
genieten gelijke aandacht van de instellingen van de Unie.
Artikel 45: Het beginsel van de representatieve democratie
1. De werking van de Unie is gegrond op het beginsel van de representatieve democratie.
2. De burgers worden op het niveau van de Unie rechtstreeks vertegenwoordigd in het Europees
Parlement. De lidstaten worden in de Europese Raad en in de Raad van Ministers vertegen-
woordigd door hun regeringen, die zelf verantwoording verschuldigd zijn aan de door hun
burgers verkozen nationale parlementen.
3. Iedere burger heeft het recht aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen. De
besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als
mogelijk is.
4. De politieke partijen op Europees niveau dragen bij tot de vorming van een Europees politiek
bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie.

Artikel 46: Het beginsel van de participerende democratie
1. De instellingen van de Unie stellen de burgers en de representatieve organisaties de nodige
middelen ten dienste om hun mening over alle gebieden van het optreden van de Unie kenbaar
te kunnen maken en daarover in het openbaar in discussie te kunnen treden.
2. De instellingen van de Unie voeren een open, transparante en regelmatige dialoog met de
representatieve organisaties en het maatschappelijk middenveld.
3. Ter wille van de samenhang en de transparantie van het optreden van de Unie pleegt de
Europese Commissie op ruime schaal overleg met de betrokken partijen.
4. Op initiatief van ten minste één miljoen burgers, afkomstig uit een aanzienlijk aantal lidstaten,
kan de Europese Commissie worden verzocht een passend voorstel in te dienen inzake een
aangelegenheid waarvan de burgers menen dat een rechtshandeling van de Unie nodig is ter
uitvoering van de Grondwet. De voorschriften inzake de specifieke procedures en
voorwaarden voor een dergelijk initiatief van de burgers worden bij Europese wet vastgesteld.

Artikel 47: De sociale partners en de autonome sociale dialoog
De Europese Unie erkent en bevordert de rol van de sociale partners op het niveau van de Unie, en
houdt daarbij rekening met de verschillen tussen de nationale stelsels; zij bevordert hun onderlinge
dialoog, met inachtneming van hun autonomie.

Artikel 48: De Europese ombudsman
Een door het Europees Parlement benoemde Europese ombudsman neemt kennis van, doet onder-
zoek naar en brengt verslag uit over klachten betreffende gevallen van wanbeheer in de instellingen,
organen en bureaus van de Unie. De Europese ombudsman verricht zijn werkzaamheden in
volledige onafhankelijkheid.

Artikel 49: Transparantie van de werkzaamheden van de instellingen van de Unie
1. Om goed bestuur te bevorderen en de deelneming van het maatschappelijk middenveld te
waarborgen, werken de instellingen, organen en bureaus van de Unie in een zo groot
mogelijke openheid.
2. Het Europees Parlement, alsook de Raad van Ministers indien hij een wetgevingsvoorstel
bespreekt en aanneemt, vergaderen in het openbaar.
3. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of
statutaire zetel in een lidstaat heeft onder de in Deel III genoemde voorwaarden het recht van
inzage in de documenten, welke vorm deze ook hebben, van de instellingen, organen en
bureaus van de Unie.
4. Bij Europese wet worden de algemene beginselen en de beperkingen vastgesteld die om
redenen van openbaar of particulier belang aan de uitoefening van het recht van inzage in
deze documenten verbonden zijn.
5. De in lid 3 bedoelde instellingen, organen en bureaus stellen overeenkomstig de in lid 4
bedoelde Europese wet in hun reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de
inzage van hun documenten vast.

Artikel 50: De bescherming van persoonsgegevens
1. Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.
2. Bij Europese wet worden de voorschriften vastgesteld betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instel-
lingen, de organen en de bureaus van de Unie, alsook door de lidstaten, bij de uitoefening van
activiteiten die onder de werkingssfeer van het recht van de Unie vallen, alsmede de voor-
schriften betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Op de naleving van deze voor-
schriften wordt toezicht uitgeoefend door een onafhankelijke autoriteit.

Artikel 51: De status van kerken en van niet-confessionele organisaties
1. De Unie eerbiedigt de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen
volgens het nationale recht in de lidstaten hebben, en doet daaraan geen afbreuk.
2. De Unie eerbiedigt tevens de status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele
organisaties.
3. De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties,
onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage.

TITEL VII

De financiën van de Unie

Artikel 52: De budgettaire en financiële beginselen
1. Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie moeten overeenkomstig de bepalingen van Deel III
voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting.
2. De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
3. De op de begroting opgevoerde uitgaven worden toegestaan voor de duur van het
begrotingsjaar, in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde Europese wet.
4. De uitvoering van de op de begroting opgevoerde uitgaven vereist de voorafgaande vaststelling
van een bindende rechtshandeling die een rechtsgrond geeft aan het optreden van de Unie en
aan de uitvoering van de uitgave, in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde
Europese wet. Deze handeling moet de vorm hebben van een Europese wet, een Europese
kaderwet, een Europese verordening of een Europees besluit.
5. Teneinde de begrotingsdiscipline te zeker te stellen, stelt de Unie geen handelingen vast die
aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat
die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen
middelen van de Unie en van het in artikel 54 bedoelde meerjarig financieel kader.
6. De begroting van de Unie wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer.
De lidstaten en de Unie dragen er samen zorg voor dat de op de begroting opgevoerde
kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.
7. De Unie en de lidstaten bestrijden overeenkomstig de bepalingen van artikel III-321 fraude en
alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden
geschaad.

Artikel 53: De middelen van de Unie
1. De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken
en haar beleid ten uitvoer te leggen.
2. De begroting van de Unie wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen
gefinancierd.
3. Bij Europese wet van de Raad van Ministers worden de grenzen van de middelen van de Unie
bepaald en kunnen nieuwe categorieën van middelen worden vastgesteld, dan wel bestaande
categorieën worden ingetrokken. De wet treedt pas in werking na door de lidstaten
overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen te zijn goedgekeurd. De Raad
van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees
Parlement.
4. Bij Europese wet van de Raad van Ministers worden de modaliteiten betreffende de middelen
van de Unie vastgesteld. De Raad besluit na goedkeuring door het Europees Parlement.

Artikel 54: Het meerjarig financieel kader
1. Het meerjarig financieel kader beoogt een geordende ontwikkeling van de uitgaven van de Unie
te waarborgen binnen de grenzen van de eigen middelen. In het kader worden overeenkomstig
de bepalingen van artikel III-308 de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor
vastleggingen per uitgavencategorie vastgesteld.
2. Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld bij Europese wet van de Raad van Ministers.
De Raad besluit na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij
meerderheid van stemmen van zijn leden.
3. In de jaarlijkse begroting van de Unie wordt het meerjarig financieel kader in acht genomen.
4. Het eerste meerjarig financieel kader na de inwerkingtreding van de Grondwet wordt door de
Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld.

Artikel 55: De begroting van de Unie
Op voorstel van de Europese Commissie stellen het Europees Parlement en de Raad van Ministers
overeenkomstig de in artikel III-310 bepaalde regels de Europese wet houdende de jaarlijkse
begroting van de Unie vast.

TITEL VIII

De Unie en haar naaste omgeving

Artikel 56: De Unie en haar naaste omgeving
1. De Unie ontwikkelt met de naburige staten bijzondere betrekkingen, die erop gericht zijn een
ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van
de Unie en welke gekenmerkt wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd
zijn op onderlinge samenwerking.

2. Te dien einde kan de Unie overeenkomstig het bepaalde in artikel III-227 met de betrokken
staten specifieke overeenkomsten sluiten en uitvoeren. De overeenkomsten kunnen
wederkerige rechten en verplichtingen omvatten en tevens voorzien in de mogelijkheid
gemeenschappelijk op te treden. Over de uitvoering ervan wordt op gezette tijden overleg
gepleegd.

TITEL IX

Het lidmaatschap van de Unie

Artikel 57: De criteria om in aanmerking te komen en de procedure voor toetreding tot de
Unie
1. De Unie staat open voor alle Europese staten die de in artikel 2 bedoelde waarden eerbiedigen
en zich ertoe verbinden deze gezamenlijk te bevorderen.
2. Iedere Europese staat die lid wenst te worden van de Unie, richt daartoe een verzoek tot de
Raad van Ministers. Het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten
worden van dit verzoek in kennis gesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid
van stemmen, na de Europese Commissie te hebben geraadpleegd en na goedkeuring door het
Europees Parlement. De voorwaarden en nadere regels voor de toelating vormen het voorwerp
van een akkoord tussen de lidstaten en de kandidaat-lidstaat. Dit akkoord wordt door alle
overeenkomstsluitende staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen
aan bekrachtiging onderworpen.

Artikel 58: Schorsing van de lidmaatschapsrechten van de Unie
1. De Raad van Ministers kan met een meerderheid van viervijfde van zijn leden, op een met
redenen omkleed voorstel van eenderde van de lidstaten, van het Europees Parlement of van
de Europese Commissie, en na goedkeuring door het Europees Parlement, bij Europees
besluit constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige inbreuk door een
lidstaat op de in artikel 2 genoemde waarden. Alvorens die constatering te doen, hoort de
Raad van Ministers de betrokken lidstaat en kan hij die lidstaat volgens dezelfde procedure
aanbevelingen doen.
De Raad van Ministers gaat regelmatig na of de redenen die tot zijn constatering hebben
geleid, nog gegrond zijn.
2. De Europese Raad kan bij Europees besluit met eenparigheid van stemmen, op voorstel van
eenderde van de lidstaten of van de Europese Commissie en na goedkeuring door het
Europees Parlement, een ernstige en voortdurende inbreuk door een lidstaat op de in artikel 2
genoemde waarden constateren, na die lidstaat om opmerkingen te hebben verzocht.
3. Wanneer de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, kan de Raad van Ministers met
gekwalificeerde meerderheid van stemmen een Europees besluit vaststellen tot schorsing van
bepaalde rechten die uit de toepassing van de Grondwet op de lidstaat in kwestie voortvloeien,
met inbegrip van de stemrechten van die lidstaat in de Raad van Ministers. De Raad van
Ministers houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing
voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.
Deze lidstaat blijft in ieder geval gebonden door de verplichtingen die uit hoofde van de
Grondwet op hem rusten.
4. De Raad van Ministers kan naderhand bij Europees besluit met gekwalificeerde meerderheid
van stemmen de krachtens lid 3 genomen maatregelen wijzigen of intrekken naar aanleiding
van wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.
5. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad van Ministers zonder rekening te houden
met de stemmen van de lidstaat in kwestie. Onthouding van stemming door aanwezige of
vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van de in lid 2 bedoelde
besluiten.
Dit lid is eveneens van toepassing indien stemrechten worden geschorst op grond van lid 3.
6. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 besluit het Europees Parlement met een meerderheid
van tweederde der uitgebrachte stemmen welke tevens de meerderheid van zijn leden
vertegenwoordigt.

Artikel 59: Vrijwillige terugtrekking uit de Unie
1. Iedere lidstaat kan overeenkomstig zijn grondwettelijke regels besluiten zich uit de Europese
Unie terug te trekken.
2. De lidstaat die besluit zich terug te trekken, geeft kennis van zijn voornemen aan de Europese
Raad, die deze kennisgeving in behandeling neemt. In het licht van de richtsnoeren van de
Europese Raad sluit de Unie via onderhandelingen met deze staat een overeenkomst over de
voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de
toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie. Deze overeenkomst wordt namens de
Unie door de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen gesloten, na
goedkeuring door het Europees Parlement.
De vertegenwoordiger van de lidstaat die zich terugtrekt, neemt niet deel aan de beraad-
slagingen of de besluitvorming van de Europese Raad en van de Raad van Ministers die hem
betreffen.
3. De Grondwet is niet meer op de betrokken staat van toepassing met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de terugtrekkingsovereenkomst of, bij gebreke daarvan, twee jaar na de
in lid 2 bedoelde kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van de betrokken
lidstaat tot verlenging van deze termijn besluit.
4. Indien een lidstaat die zich uit de Unie heeft teruggetrokken, opnieuw om het lidmaatschap
verzoekt, is op zijn verzoek de procedure van artikel 57 van toepassing.

 

DEEL II

HET HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE EUROPESE UNIE

PREAMBULE

De volkeren van Europa zijn vastbesloten een op gemeenschappelijke waarden gegrondveste
vreedzame toekomst te delen door onderling een steeds hechter verbond tot stand te brengen.
De Europese Unie, zich bewust van haar geestelijke en morele erfgoed, is gegrondvest op de
ondeelbare en universele waarden van menselijke waardigheid en van vrijheid, gelijkheid en
solidariteit. Zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtsstaat. De Unie
stelt de mens centraal in haar optreden, door het burgerschap van de Unie in te stellen en een ruimte
van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen.
De Europese Unie draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van deze gemeen-
schappelijke waarden, met inachtneming van de verscheidenheid van cultuur en traditie van de
volkeren van Europa, alsmede van de nationale identiteit van de lidstaten en van hun
staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Zij streeft ernaar een evenwichtige en
duurzame ontwikkeling te bevorderen en draagt zorg voor het vrije verkeer van personen, goederen,
diensten en kapitaal, alsook de vrijheid van vestiging.
Te dien einde moet in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en
de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen de bescherming van de grondrechten
worden versterkt door deze rechten beter zichtbaar te maken in een handvest.
Dit Handvest bevestigt, onder inachtneming van de bevoegdheden en taken van de Europese Unie
en van het subsidiariteitsbeginsel, de rechten die voortvloeien uit de gemeenschappelijke
constitutionele tradities en uit de internationale verplichtingen van de lidstaten, uit het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de
Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het
Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens. In dit
verband zullen de rechtscolleges van de Europese Unie en van de lidstaten bij de uitlegging van het
Handvest naar behoren rekening houden met de toelichtingen die onder de verantwoordelijkheid
van het Praesidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld, zijn opgesteld.
Het genot van deze rechten brengt verantwoordelijkheden en plichten mede jegens de medemens,
jegens de mensengemeenschap en jegens de toekomstige generaties.
Derhalve erkent de Europese Unie de hieronder genoemde rechten, vrijheden en beginselen.

TITEL I

Waardigheid

Artikel II-1: De menselijke waardigheid
De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

Artikel II-2: Het recht op leven
1. Eenieder heeft recht op leven.
2. Niemand wordt tot de doodstraf veroordeeld of terechtgesteld.

Artikel II-3: Het recht op menselijke integriteit
1. Eenieder heeft recht op lichamelijke en geestelijke integriteit.
2. In het kader van de geneeskunde en de biologie moeten met name worden nageleefd:
a) de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene, volgens de bij de wet bepaalde
regels,
b) het verbod van eugenetische praktijken, met name die welke selectie van personen tot
doel hebben,
c) het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van
financieel voordeel aan te wenden,
d) het verbod van het reproductief klonen van mensen.

Artikel II-4: Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende
behandelingen of bestraffingen
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende
behandelingen of bestraffingen.

Artikel II-5: Het verbod van slavernij en dwangarbeid
1. Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.
2. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.
3. Mensenhandel is verboden.

TITEL II

Vrijheden

Artikel II-6: Het recht op vrijheid en veiligheid
Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

Artikel II-7: De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven
Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning
en zijn communicatie.

Artikel II-8: De bescherming van persoonsgegevens
1. Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.
2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met
toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag
waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens
en op rectificatie daarvan.
3. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd.

Artikel II-9: Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten
Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale
wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.

Artikel II-10: De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst
1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens
de vrijheid, van godsdienst en overtuiging te veranderen, en de vrijheid, hetzij alleen, hetzij
met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging
tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en
in het onderhouden van geboden en voorschriften.
2. Het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend volgens de
nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen.

Artikel II-11: De vrijheid van meningsuiting en van informatie
1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te
koesteren en de vrijheid informatie te ontvangen en te verstrekken, en kennis te nemen van
ideeën en deze te uiten, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.
2. De vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd.

Artikel II-12: De vrijheid van vergadering en vereniging
1. Eenieder heeft op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied,
het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, hetgeen mede
omvat eenieders recht, ter bescherming van zijn belangen samen met anderen vakverenigingen op
te richten of zich daarbij aan te sluiten.
2. Politieke partijen op het niveau van de Europese Unie dragen bij tot de uiting van de politieke wil
van de burgers van de Unie.

Artikel II-13: De vrijheid van kunsten en wetenschappen
De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.

Artikel II-14: Het recht op onderwijs
1. Eenieder heeft recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing.
2. Dit recht houdt de mogelijkheid in, verplicht onderwijs kosteloos te volgen.
3. De vrijheid om instellingen voor onderwijs op te richten met inachtneming van de democratische
beginselen en het recht van de ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van het onderwijs en
de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, levensbeschouwelijke en opvoedkundige
overtuigingen, worden geëerbiedigd volgens de nationale wetten die de uitoefening ervan beheersen.

Artikel II-15: De vrijheid van beroep en het recht te werken
1. Eenieder heeft het recht te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen.
2. Iedere burger van de Unie is vrij, in iedere lidstaat werk te zoeken, te werken, zich te vestigen of
diensten te verrichten.
3. Onderdanen van derde landen die op het grondgebied van de lidstaten mogen werken, hebben
recht op arbeidsvoorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke de burgers van de Unie
genieten.

Artikel II-16: De vrijheid van ondernemerschap
De vrijheid van ondernemerschap wordt overeenkomstig het recht van de Europese Unie en van de
nationale wetgevingen en praktijken erkend.

Artikel II-17: Het recht op eigendom
1. Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te
bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Aan niemand mag zijn eigendom
worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden
waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik
van de goederen kan bij wet worden geregeld, voorzover het algemeen belang dit vereist.
2. Intellectuele eigendom is beschermd.

Artikel II-18: Het recht op asiel
Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van
Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchte-
lingen, en overeenkomstig de Grondwet.

Artikel II-19: Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering
1. Collectieve uitzetting is verboden.
2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat
waarin een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere
onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

TITEL III

Gelijkheid

Artikel II-20: Gelijkheid voor de wet
Eenieder is gelijk voor de wet.

Artikel II-21: Non-discriminatie
1. Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst,
genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het
behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele
gerichtheid, is verboden.
2. Binnen de werkingssfeer van de Grondwet en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan,
is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel II-22: Verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal
De Europese Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal.

Artikel II-23: De gelijkheid van mannen en vrouwen
De gelijkheid van mannen en vrouwen moet op alle gebieden worden gewaarborgd, met inbegrip
van werkgelegenheid, beroep en beloning.
Het beginsel van gelijkheid belet niet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij
specifieke voordelen worden ingesteld ten voordele van het ondervertegenwoordigde geslacht.

Artikel II-24: De rechten van het kind
1. Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij
mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden wordt
in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang gehecht.
2. Bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheids-
instanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
3. Ieder kind heeft er recht op, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten
met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.

Artikel II-25: De rechten van ouderen
De Europese Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen, een waardig en zelfstandig leven te
leiden en aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.

Artikel II-26: De integratie van personen met een handicap
De Europese Unie erkent en eerbiedigt het recht van personen met een handicap op maatregelen die
beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het
gemeenschapsleven te bewerkstelligen.

TITEL IV

Solidariteit

Artikel II-27: Het recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de
onderneming
Werknemers en hun vertegenwoordigers moeten in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het
recht van de Europese Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien, de zekerheid
hebben, dat zij op passende niveaus tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd.

Artikel II-28: Het recht op collectieve onderhandelingen en op collectieve actie
Werkgevers en werknemers en hun respectieve organisaties hebben overeenkomstig het recht van
de Europese Unie en de nationale wetgevingen en praktijken het recht, op passende niveaus
collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, alsmede, in geval van
belangenconflicten, collectieve actie te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip
van staking.

Artikel II-29: Het recht op toegang tot arbeidsbemiddeling
Eenieder heeft recht op toegang tot kosteloze arbeidsbemiddeling.

Artikel II-30: Bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag
Iedere werknemer heeft overeenkomstig het recht van de Europese Unie en de nationale
wetgevingen en praktijken recht op bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag.

Artikel II-31: Rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden
1. Iedere werknemer heeft recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden.
2. Iedere werknemer heeft recht op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse
en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

Artikel II-32: Het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op het werk
Kinderarbeid is verboden. De minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager
zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht ophoudt, onverminderd voor jongeren gunstiger regels en
behoudens beperkte afwijkingen.
Werkende jongeren moeten arbeidsvoorwaarden krijgen die aangepast zijn aan hun leeftijd en zij
moeten worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen iedere arbeid die hun veiligheid,
hun gezondheid of hun lichamelijke, geestelijke, morele of maatschappelijke ontwikkeling kan
schaden, dan wel hun opvoeding in gevaar kan brengen.

Artikel II-33: Het gezins- en beroepsleven
1. Het gezin geniet bescherming op juridisch, economisch en sociaal vlak.
2. Teneinde beroep en gezin te kunnen combineren, heeft eenieder recht op bescherming tegen
ontslag om een reden die verband houdt met moederschap, alsmede recht op betaald
moederschapsverlof en recht op ouderschapsverlof na de geboorte of de adoptie van een kind.

Artikel II-34: Sociale zekerheid en sociale bijstand
1. De Europese Unie erkent en eerbiedigt onder de door het recht van de Unie en de nationale
wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden het recht op toegang tot socialezekerheids-
voorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in gevallen zoals moederschap,
ziekte, arbeidsongevallen, afhankelijkheid of ouderdom, alsmede bij verlies van arbeid.
2. Eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, heeft recht op sociale-
zekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de
nationale wetgevingen en praktijken.
3. Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, erkent en eerbiedigt de Unie het recht op
sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, teneinde eenieder die niet over
voldoende middelen beschikt, onder de door het recht van de Unie en de nationale
wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden een waardig bestaan te verzekeren.

Artikel II-35: De gezondheidszorg
Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder
de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Bij de vaststelling en
uitvoering van het beleid en de maatregelen van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming
van de menselijke gezondheid gewaarborgd.

Artikel II-36: De toegang tot diensten van algemeen economisch belang
De Europese Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Grondwet de toegang tot diensten van
algemeen economisch belang die in de nationale wetgevingen en praktijken is geregeld, teneinde de
sociale en territoriale samenhang van de Unie te bevorderen.

Artikel II-37: Milieubescherming
Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten in
het beleid van de Europese Unie worden geïntegreerd en worden gewaarborgd overeenkomstig het
beginsel van duurzame ontwikkeling.

Artikel II-38: Consumentenbescherming
In het beleid van de Unie wordt zorg gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming.

TITEL V

Burgerschap

Artikel II-39: Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement
1. Iedere burger van de Unie heeft het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het
Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de
onderdanen van die staat.
2. De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, vrije en
geheime algemene verkiezingen.

Artikel II-40: Actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen
Iedere burger van de Unie heeft het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de
lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Artikel II-41: Recht op behoorlijk bestuur
1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn
door de instellingen, organen en bureaus van de Unie worden behandeld.
2. Dit recht behelst met name:
a) het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige
individuele maatregel wordt genomen,
b) het recht van eenieder om inzage te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inacht-
neming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en
het zakengeheim,
c) de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden.
3. Eenieder heeft recht op vergoeding door de Unie van de schade die door haar instellingen of
haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, overeenkomstig de
algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.
4. Eenieder kan zich in een van de talen van de Grondwet tot de instellingen van de Unie
wenden en moet ook in die taal antwoord krijgen.

Artikel II-42: Recht van inzage in documenten
Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire
zetel in een lidstaat heeft recht van inzage in documenten van de instellingen, organen en bureaus
van de Unie, ongeacht de vorm waarin deze worden geproduceerd.

Artikel II-43: Europees Ombudsman
Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire
zetel in een lidstaat heeft het recht zich tot de Europese ombudsman te wenden over gevallen van
wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of bureaus van de Unie, met uitzondering
van het Europees Hof van Justitie en de Rechtbank van de Europese Unie bij de uitoefening van
hun gerechtelijke taak.

Artikel II-44: Recht van petitie
Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire
zetel in een lidstaat heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten.

Artikel II-45: Vrijheid van verkeer en van verblijf
1. Iedere burger van de Unie heeft het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te
verplaatsen en er vrij te verblijven.
2. De vrijheid van verkeer en van verblijf kan overeenkomstig de Grondwet worden toegekend
aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.

Artikel II-46: Diplomatieke en consulaire bescherming
Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij
onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire
instanties van iedere andere lidstaat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat.

TITEL VI

Rechtspleging

Artikel II-47: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft
recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voor-
waarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke
termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de
mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken,
voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Artikel II-48: Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging
1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn
schuld in rechte is komen vast te staan.
2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de
verdediging gegarandeerd.

Artikel II-49: Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen
1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar
nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde.
Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan
van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in
een lichtere straf voorziet, dan is die van toepassing.
2. Dit artikel staat niet de berechting en bestraffing in de weg van iemand die schuldig is aan een
handelen of nalaten dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was volgens de door
de volkerengemeenschap erkende algemene beginselen.
3. De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.

Artikel II-50: Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te
worden berecht of gestraft
Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit
waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.

TITEL VII

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE INTERPRETATIE EN DE
TOEPASSING VAN HET HANDVEST

Artikel II-51: Werkingssfeer
1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en bureaus van de Unie
met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het
recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de
beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegd-
heden en met inachtneming van de beperkingen van de bevoegdheden zoals deze in de andere
delen van de Grondwet aan de Unie worden verleend.
2. Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de
bevoegdheden van de Unie reiken en schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie en
wijzigt de in de andere delen van de Grondwet neergelegde bevoegdheden en taken niet.
Artikel II-52: Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij
wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inacht-
neming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld, indien zij
noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang
of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.
2. De door dit Handvest erkende rechten die worden beschreven in andere delen van de Grondwet,
worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke door de desbetreffende
delen zijn gesteld.
3. Voorzover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd
door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan
worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere
bescherming biedt.
4. Voorzover dit Handvest grondrechten erkent zoals die voortvloeien uit de gemeenschappelijke
constitutionele tradities van de lidstaten, worden die rechten in overeenstemming met die tradities
uitgelegd.
5. Aan bepalingen van dit Handvest die beginselen bevatten, mag uitvoering worden gegeven bij
wetgevings- en uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld door instellingen en organen van
de Unie, en bij handelingen van de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer
brengen, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheid. De rechterlijke bevoegdheid ten
aanzien van die bepalingen blijft beperkt tot de uitlegging van genoemde handelingen en de
toetsing van de rechtsgeldigheid ervan.
6. Er wordt rekening gehouden met de nationale wetgevingen en praktijken zoals bedoeld in dit
Handvest.

Artikel II-53: Beschermingsniveau
Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van
of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun
respectieve werkingssferen worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de
internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door
de grondwetten van de lidstaten.

Artikel II-54: Verbod van misbruik van recht
Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige
activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in
dit Handvest zijn erkend, teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan
door dit Handvest is toegestaan.

 

DEEL III

BELEID EN WERKING VAN DE UNIE

TITEL I

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-1
De Unie waakt over de samenhang van de verscheidene beleidsvormen en maatregelen bedoeld in
dit deel van de Grondwet, in het licht van het geheel van de doelstellingen van de Unie en in
overeenstemming met het beginsel van bevoegdheidstoedeling.

Artikel III-2
Bij alle in dit deel bedoelde maatregelen streeft de Unie ernaar de ongelijkheid tussen mannen en
vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.

Artikel III-3
Bij de bepaling en de uitvoering van het in dit deel van de Grondwet bedoelde beleid en de in dit
deel van de Grondwet bedoelde maatregelen streeft de Unie ernaar, iedere discriminatie op grond
van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele
gerichtheid te bestrijden.

Artikel III-4
De eisen inzake milieubescherming moeten worden opgenomen in de bepaling en uitvoering van
het in dit deel bedoelde beleid en de in dit deel bedoelde maatregelen van de Unie, in het bijzonder
met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

Artikel III-5
Met de eisen terzake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij de bepaling en
uitvoering van het beleid en de maatregelen van de Unie op andere gebieden.

Artikel III-6
Onverminderd de artikelen III-55, III-56 en III-136 en gezien de plaats die de diensten van
algemeen economisch belang innemen als diensten waaraan eenieder in de Unie waarde hecht,
alsook de rol die zij vervullen bij het bevorderen van sociale en territoriale samenhang van de Unie
en de lidstaten, dragen de Unie en de lidstaten er overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden
en binnen het toepassingsgebied van de Grondwet zorg voor, dat deze diensten functioneren op
basis van beginselen en onder de voorwaarden, met name economische en financiële, die hen in
staat stellen hun taken te vervullen. Deze beginselen en voorwaarden worden bij Europese wet
bepaald.

TITEL II

NON-DISCRIMINATIE EN BURGERSCHAP

Artikel III-7
Het in artikel I-4 bedoelde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit kan bij Europese wet
of kaderwet worden geregeld.

Artikel III-8
1. Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet, en binnen de grenzen van de in de
Grondwet aan de Unie verleende bevoegdheden, kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad
van Ministers de nodige maatregelen worden vastgesteld om discriminatie op grond van geslacht,
ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te
bestrijden. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het
Europees Parlement.
2. Bij Europese wet of kaderwet kunnen de grondbeginselen betreffende de stimulerings-
maatregelen van de Unie, alsmede die maatregelen zelf worden vastgesteld, ter ondersteuning van
de regelingen die de lidstaten treffen, met uitzondering van enige harmonisatie van hun wettelijke
of bestuursrechtelijke regelingen.

Artikel III-9
1. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om de uitoefening van het in artikel I-8
bedoelde recht van vrij verkeer en vrij verblijf voor iedere burger van de Unie te bevorderen en de
Grondwet niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen bij Europese wet of kaderwet
maatregelen daartoe worden vastgesteld.
2. Met hetzelfde doel en tenzij de Grondwet in de hiertoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen
bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers maatregelen worden vastgesteld inzake
paspoorten, identiteitskaarten, verblijfstitels en andere daarmee gelijkgestelde documenten, alsmede
maatregelen inzake sociale zekerheid of sociale bescherming. De Raad van Ministers besluit met
eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-10
Bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers worden voor iedere burger van de Unie in
de lidstaat waar hij verblijft en waarvan hij geen onderdaan is, nadere bepalingen vastgesteld
betreffende de uitoefening van het in artikel I-8 bedoelde actieve en passieve kiesrecht bij de
gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement. De Raad van
Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Deze
nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen, indien zulks gerechtvaardigd wordt door
bijzondere problemen in een lidstaat.
Het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement wordt uitgeoefend
onverminderd artikel III-232, lid 2 en de maatregelen ter toepassing van het kiesrecht.

Artikel III-11
De lidstaten stellen regels vast voor de in artikel I-8 bedoelde diplomatieke en consulaire
bescherming van de burgers van de Unie in derde landen.
De Raad van Ministers kan bij Europese wet maatregelen ter bevordering van deze bescherming
vaststellen. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-12
De talen waarin iedere burger van de Unie krachtens artikel I-8 het recht heeft de instellingen en de
adviesorganen aan te schrijven en antwoord te krijgen, worden genoemd in artikel IV-10. De in dit
artikel bedoelde instellingen en adviesorganen worden genoemd in artikel I-18, lid 2, artikel I-30 en
artikel I-31; ook de Europese ombudsman behoort hiertoe.

Artikel III-10 (voorheen artikel 22)
De Europese Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad van
Ministers en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van de
bepalingen van artikel I-8 en van deze titel. In dit verslag wordt rekening gehouden met de
ontwikkeling van de Unie.
Op basis van dit verslag en onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet, kunnen bij
Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers maatregelen ter aanvulling van de in
artikel I-8 vastgelegde rechten worden vastgesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid
van stemmen, na goedkeuring van het Europees Parlement. Deze wet of kaderwet treedt slechts in
werking nadat hij door de lidstaten overeenkomstig hun respectieve grondwettelijke bepalingen is
aangenomen.

TITEL III

INTERN BELEID EN OPTREDEN

HOOFDSTUK I

DE INTERNE MARKT

AFDELING I

DE TOTSTANDBRENGING VAN DE INTERNE MARKT

Artikel III-14
1. De Unie stelt, overeenkomstig het onderhavige artikel, artikel III-15, artikel III-26, lid 1, alsmede
de artikelen III-29, III-39, III-62, III-65, en III-143 en onverminderd de overige bepalingen van de
Grondwet, maatregelen vast om de interne markt tot stand te brengen.
2. De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin volgens de bepalingen van de
Grondwet het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd.
3. Op voorstel van de Europese Commissie stelt de Raad van Ministers bij Europese verordening of
besluit de richtsnoeren en voorwaarden ter waarborging van een evenwichtige vooruitgang in het
geheel der betrokken sectoren vast.

Artikel III-15
Bij het formuleren van voorstellen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-14
houdt de Europese Commissie rekening met de inspanning die van economieën met een afwijkende
ontwikkeling wordt gevergd voor de totstandbrenging van de interne markt, en kan zij passende
maatregelen voorstellen.
Indien deze maatregelen de vorm van afwijkingen aannemen, dienen zij van tijdelijke aard te zijn en
de werking van de interne markt zo weinig mogelijk te verstoren.

Artikel III-16
De lidstaten plegen onderling overleg teneinde gezamenlijk het nodige te doen om te voorkomen
dat de werking van de interne markt ongunstig wordt beïnvloed door regelingen waartoe een lidstaat
zich genoopt kan voelen in geval van ernstige binnenlandse onlusten waardoor de openbare orde
wordt verstoord, in geval van oorlog of van ernstige internationale spanning welke een
oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud
van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel III-17
Indien voorschriften, vastgesteld in de in de artikelen III-6 en III-34 genoemde gevallen, tot gevolg
hebben dat de mededingingsverhoudingen in de interne markt worden verstoord, gaat de Europese
Commissie samen met de betrokken lidstaat na onder welke voorwaarden deze voorschriften
kunnen worden aangepast aan de in de Grondwet vastgestelde regels.
In afwijking van de procedure bepaald in de artikelen III-265 en III-266, kan de Europese
Commissie of een lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden, op grond dat een andere
lidstaat misbruik maakt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen III-6 en III-34. Het Hof van
Justitie beslist achter gesloten deuren.

AFDELING 2

HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN EN DIENSTEN

Onderafdeling 1

Werknemers

Artikel III-18
1. Werknemers hebben het recht om zich vrij te verplaatsen binnen de Unie.
2. Iedere discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat betreft
werkgelegenheid, beloning en overige arbeidsvoorwaarden, is verboden.
3. Werknemers hebben behoudens uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en
volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht:
a) in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling,
b) zich te dien einde vrij te verplaatsen op het grondgebied van de lidstaten,
c) in een van de lidstaten te verblijven om daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale
werknemers gelden,
d) op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een arbeidsbetrekking te hebben
vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die worden opgenomen in door de Europese
Commissie vast te stellen Europese verordeningen.
4. Dit artikel is niet van toepassing op betrekkingen in overheidsdienst.

Artikel III-19
Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om tot een vrij verkeer van
werknemers te komen zoals dit in artikel III-18 is omschreven. Deze wet of kaderwet wordt
aangenomen na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
De Europese wetten en kaderwetten beogen met name het volgende:
a) het bewerkstelligen van nauwe samenwerking tussen de nationale bestuursinstellingen op het
gebied van de arbeid,
b) het afschaffen van de administratieve procedures en handelwijzen, alsmede van de wachttijden
voor het aanvaarden van aangeboden arbeidsbetrekkingen, die voortvloeien uit de nationale
wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten en waarvan de
handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijmaking van het verkeer van werknemers,
c) het afschaffen van alle wachttijden en andere beperkingen die in de nationale wetgeving of in
voordien tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten zijn gesteld en die aan werknemers uit
de overige lidstaten andere voorwaarden opleggen voor de vrije keuze van een
arbeidsbetrekking dan aan werknemers van het eigen land,
d) het instellen van organisatorische voorzieningen waardoor de aanbiedingen van en de
aanvragen om werk met elkaar in aanraking kunnen worden gebracht en waardoor het
evenwicht daarvan kan worden bevorderd onder voorwaarden welke ernstige gevaren voor de
levensstandaard en de werkgelegenheid in de verschillende regio's en industrieën uitsluiten.

Artikel III-20
De lidstaten begunstigen in het kader van een gemeenschappelijk programma de uitwisseling van
jeugdige werknemers.

Artikel III-21
Op het gebied van de sociale zekerheid worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld
om het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen, met name door een stelsel in te voeren
waardoor het mogelijk is voor al dan niet in loondienst werkzame migrerende werknemers en hun
rechthebbenden te waarborgen:
a) dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen, alsmede voor de
berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale
wetgevingen in aanmerking worden genomen,
b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden
betaald.

Onderafdeling 2

De vrijheid van vestiging

Artikel III-22
In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van
een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft tevens betrekking op
beperkingen van de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door onderdanen
van een lidstaat die zich op het grondgebied van een lidstaat hebben gevestigd.
De onderdanen van een lidstaat hebben, behoudens de bepalingen van de afdeling betreffende het
kapitaal, op het grondgebied van een andere lidstaat het recht van toegang tot werkzaamheden anders
dan in loondienst en de uitoefening daarvan, alsmede het recht ondernemingen, met name vennoot-
schappen in de zin van artikel III-27, tweede alinea), op te richten en te beheren, overeenkomstig de
bepalingen die door de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor de eigen onderdanen zijn
vastgesteld.

Artikel III-23
1. Bij Europese kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de vrijheid van vestiging voor een
bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken. De kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het
Economisch en Sociaal Comité.
2. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie oefenen de taken uit die
hun bij lid 1 worden toevertrouwd, te weten:
a) door in het algemeen bij voorrang die werkzaamheden te behandelen, waarvoor de vrijheid van
vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het
handelsverkeer,
b) door het verzekeren van nauwe samenwerking tussen de bevoegde nationale bestuursinstellingen,
teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen
de Unie te leren kennen,
c) door het afschaffen van die bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen welke
voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden
en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging,
d) door erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van
een andere lidstaat te werk zijn gesteld, op dit grondgebied kunnen verblijven om er anders
dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij
zouden moeten voldoen indien zij op het tijdstip waarop zij genoemde bezigheid willen
opvatten, eerst in die staat zouden zijn aangekomen,
e) door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lid-
staat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de beginselen
van artikel III-123, lid 2 niet worden aangetast,
f) door de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in
behandeling genomen tak van werkzaamheid toe te passen, enerzijds op de oprichtings-
voorwaarden op het grondgebied van een lidstaat van agentschappen, filialen of dochter-
ondernemingen, en anderzijds op de toelatingsvoorwaarden voor het personeel van de
hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, filialen of
dochterondernemingen,
g) door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd
van de vennootschappen in de zin van artikel III-27, tweede alinea, om de belangen te
beschermen zowel van de vennoten als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te
maken,
h) door ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van
steunmaatregelen van de lidstaten.

Artikel III-24
Deze onderafdeling is, wat de betrokken lidstaat betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden
ter uitoefening van het openbaar gezag in deze staat, ook niet indien deze slechts voor een bepaalde
gelegenheid worden verricht.
Bij Europese wet of kaderwet kunnen bepaalde werkzaamheden worden uitgezonderd van de
toepassing van deze onderafdeling.

Artikel III-25
1. Deze onderafdeling en de op grond daarvan vastgestelde maatregelen doen niet af aan de
toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarbij een
bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen, welke bepalingen uit hoofde van de
openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.
2. De in lid 1 bedoelde nationale bepalingen worden bij Europese kaderwet op elkaar afgestemd.

Artikel III-26
1. Bij Europese kaderwet worden de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst, alsmede de
uitoefening daarvan vergemakkelijkt inzake:
a) de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels;
b) de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de
toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan.
2. Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, is de geleidelijke opheffing
van de beperkingen afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden waaronder zij in de
verschillende lidstaten worden uitgeoefend.

Artikel III-27
Vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun
statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, worden voor de
toepassing van deze onderafdeling gelijkgesteld met de natuurlijke personen die onderdaan zijn van de
lidstaten.
Onder vennootschappen worden verstaan vennootschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht,
coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar
publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen die geen winst beogen.

Artikel III-28
Onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van de Grondwet, passen de lidstaten nationale
behandeling toe wat betreft financiële deelneming door onderdanen van de andere lidstaten in het
kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel III-27.

Onderafdeling 3

De vrijheid van dienstverrichting

Artikel III-29
In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie
verboden ten aanzien van onderdanen van de lidstaten die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd
dan die waarin degene gevestigd is voor wie de dienst wordt verricht.
Bij Europese wet of kaderwet kan het genot van deze onderafdeling worden uitgebreid tot onderdanen
van een derde staat die diensten verrichten en zich binnen de Unie hebben gevestigd.

Artikel III-30
Als diensten in de zin van de Grondwet worden beschouwd dienstverrichtingen die gewoonlijk tegen
vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en
personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.
Deze diensten omvatten werkzaamheden:
a) van industriële aard,
b) van commerciële aard,
c) van ambachtelijke aard,
d) van de vrije beroepen.
Onverminderd de onderafdeling betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht,
zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde
voorwaarden als die welke die staat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel III-31
1. Het vrij verkeer van diensten op het gebied van vervoer wordt geregeld in de afdeling betreffende
vervoer.
2. De vrijmaking van de door banken en verzekeringsmaatschappijen verrichte diensten waarmee
kapitaalbewegingen gepaard gaan, moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de vrijmaking
van het kapitaalverkeer.

Artikel III-32
1. Bij Europese kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de vrijheid tot het verrichten van een
bepaalde dienst te verwezenlijken. Deze kaderwet wordt na raadpleging van het Europees Parlement en
van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.
2. De Europese kaderwet in de zin van lid 1 heeft in het algemeen bij voorrang betrekking op de
diensten welke rechtstreeks van invloed zijn op de productiekosten of waarvan de vrijmaking bijdraagt
tot het vergemakkelijken van het goederenverkeer.

Artikel III-33
De lidstaten verklaren zich bereid, bij de vrijmaking van diensten verder te gaan dan waartoe zij op
grond van de krachtens artikel III-29, lid 1, vastgestelde Europese kaderwet verplicht zijn, indien hun
algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector dit toelaten.
De Europese Commissie doet de betrokken lidstaten daartoe aanbevelingen.

Artikel III-34
Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de lidstaten
deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten
verrichten als bedoeld in artikel III-29, eerste alinea.

Artikel III-35
De artikelen III-24 tot en met III-27 zijn van toepassing op het onderwerp dat in deze onderafdeling
is geregeld.

 

1 | 2 | 3 | 4 | inhoud

| terug |

 

 
| top |
 

aideon webdesign  |  webmaster  |  copyright © 2003 | contact