Hierbij gaat voor de leden van de Conventie de definitieve tekst van
het ontwerp-Verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa, in de versie die op 18 juli
2003 te Rome is voorgelegd
aan de voorzitter van de Europese Raad.
1 | 2 | 3 |
4 | inhoud
AFDELING
3
HET
VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN
Onderafdeling
1
De
douane-unie
Artikel
III-36
1. De Unie omvat mede een douane-unie, die zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer
en die
zowel het verbod meebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen
van gelijke werking in
het verkeer tussen de lidstaten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk
douanetarief
voor de betrekkingen van de lidstaten met derde landen.
2. Artikel III-38 en onderafdeling 3 van deze afdeling zijn van toepassing
op de producten welke
van oorsprong zijn uit de lidstaten, alsook op de producten uit derde landen
welke zich in de
lidstaten in het vrije verkeer bevinden.
Artikel
III-37
Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd producten
uit derde
landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de
verschuldigde
douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen
gehele of
gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend.
Artikel
III-38
In- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking zijn verboden tussen
de lidstaten. Dit geldt
eveneens voor douanerechten van fiscale aard.
Artikel
III-39
De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie bij Europese
verordening of
besluit de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vast.
Artikel
III-40
Bij de uitvoering van de taken die haar krachtens de bepalingen van deze onderafdeling
zijn
gegeven, laat de Europese Commissie zich leiden door:
a) de noodzaak het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen te bevorderen,
b) de ontwikkeling van de mededingingsvoorwaarden binnen de Unie, in de mate
waarin deze
ontwikkeling het concurrentievermogen van ondernemingen zal doen toenemen,
c) de behoeften van de Unie aan grondstoffen en halffabrikaten, waarbij zij
erop toeziet dat de
mededingingsvoorwaarden met betrekking tot eindproducten tussen de lidstaten
niet worden
vervalst,
d) de noodzaak om ernstige verstoringen van het economisch leven van de lidstaten
te vermijden
en een rationele ontwikkeling van de productie en een vergroting van het verbruik
in de Unie
te waarborgen.
Onderafdeling
2
Douanesamenwerking
Artikel
III-41
Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet worden bij Europese wet of kaderwet
maatregelen
vastgesteld ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling
en tussen de
lidstaten en de Europese Commissie.
Onderafdeling
3
Het
verbod op kwantitatieve beperkingen
Artikel
III-42
Kwantitatieve invoer- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke
werking zijn verboden
tussen de lidstaten.
Artikel
III-43
Artikel III-42 vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer,
uitvoer of doorvoer
welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid,
de
openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen,
dieren en planten,
het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van
bescherming van de
industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen
mogen echter geen middel tot
willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen
de lidstaten vormen.
Artikel
III-44
1. De lidstaten passen hun nationale monopolies van commerciële aard in
dier voege aan, dat iedere
discriminatie tussen de onderdanen van de lidstaten wat de voorwaarden van
de voorziening en
afzet betreft, is uitgesloten.
Dit artikel is van toepassing op ieder lichaam waardoor een lidstaat de invoer
of de uitvoer tussen
de lidstaten in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheerst, leidt
of aanmerkelijk beïnvloedt.
Het artikel is tevens van toepassing op door een staat gedelegeerde monopolies.
2. De lidstaten onthouden zich ervan, enige nieuwe maatregel te treffen die
tegen de in lid 1
genoemde beginselen indruist of die de draagwijdte van de artikelen inzake
het verbod op
douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten beperkt.
3. Wanneer er een monopolie van commerciële aard bestaat dat een regeling
ter bevordering van de
afzet of van de valorisatie van landbouwproducten omvat, dienen bij de toepassing
van dit artikel
gelijkwaardige waarborgen te worden gegeven voor de werkgelegenheid en de levensstandaard
van
de betrokken producenten.
AFDELING
4
KAPITAAL
EN BETALINGEN
Artikel
III-45
In het kader van deze afdeling zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer
en van betalingen
tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
Artikel
III-46
1. Artikel III-45 laat onverlet de toepassing op derde landen van beperkingen
die op
31 december 1993 bestonden uit hoofde van nationaal of Unierecht inzake het
kapitaalverkeer naar
of uit derde landen in verband met directe beleggingen - met inbegrip van investeringen
in
onroerende goederen - vestiging, het verrichten van financiële diensten
of de toelating van waarde-
papieren tot de kapitaalmarkten.
2. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld inzake het kapitaalverkeer
naar of
uit derde landen in verband met directe beleggingen - met inbegrip van beleggingen
in onroerende
goederen - vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating
van waardepapieren tot
de kapitaalmarkten.
Het Europees Parlement en de Raad van Ministers trachten de doelstelling van
een niet aan
beperkingen onderworpen vrij kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen
in de mate van het
mogelijke en onverminderd andere bepalingen van de Grondwet te verwezenlijken.
3. In afwijking van lid 2, kunnen maatregelen die in het recht van de Unie
een achteruitgang op het
gebied van de vrijmaking van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen,
alleen worden
vastgesteld bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers. De Raad
van Ministers besluit
met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
Artikel
III-47
1. Artikel III-45 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten:
a) de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen
die onderscheid
maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met
betrekking tot hun
vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;
b) alle nodige regelingen te treffen om overtredingen van de nationale wettelijke
en bestuurs-
rechtelijke bepalingen tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking
tot het
bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien
in procedures voor de
kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden,
dan
wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid
gerechtvaardigd zijn.
2. Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om beperkingen op het recht
van vestiging toe te
passen voorzover deze verenigbaar zijn met de Grondwet.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel
tot willekeurige
discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer
of het betalings-
verkeer als omschreven in artikel III-45.
Artikel
III-48
Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het kapitaalverkeer naar of uit derde
landen ernstige
moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de werking van de economische
en
monetaire unie, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie
Europese
verordeningen of besluiten vaststellen houdende vrijwaringsmaatregelen ten
aanzien van derde
landen voor een periode van ten hoogste zes maanden, indien deze maatregelen
strikt noodzakelijk
zijn. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank.
Artikel
III-49
Indien zulks noodzakelijk is om de doelstellingen van artikel III-158 te verwezenlijken,
met name
wat betreft de preventie en de bestrijding van georganiseerde criminaliteit,
terrorisme en mensen-
smokkel, kan bij Europese wet een kader worden vastgesteld voor maatregelen
met betrekking tot
het kapitaal- en betalingsverkeer, zoals het bevriezen van tegoeden, financiële
activa of eco-
nomische baten waarvan de bezitter, de eigenaar of de houder een natuurlijke
of rechtspersoon, een
groepering of een niet-statelijke entiteit is.
De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie Europese
verordeningen of
besluiten vast ter uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde wet.
AFDELING
5
REGELS
BETREFFENDE DE MEDEDINGING
Onderafdeling
1
Regels
voor ondernemingen
Artikel
III-50
1. Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten
tussen onder-
nemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde
feitelijke
gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden
en ertoe strekken of
ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd,
beperkt of
vervalst, en met name die welke bestaan in:
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of
van andere contractuele
voorwaarden,
b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling
of de
investeringen,
c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen,
d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden
bij gelijkwaardige
prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging,
e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding
door de
handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het
handelsgebruik
geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege
nietig.
3. Lid 1 kan echter buiten toepassing worden verklaard
- voor iedere overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
- voor ieder besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen,
- voor iedere onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen
waarmee wordt bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling
van producten of tot
verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk
aandeel in de daaruit
voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder evenwel aan
de betrokken
ondernemingen
a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen
niet onmisbaar zijn,
b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten
de mededinging
uit te schakelen.
Artikel
III-51
Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen
lidstaten daardoor
ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen
misbruik maken van een
machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.
Dit misbruik kan met name bestaan in:
a) het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen
of van andere
onbillijke contractuele voorwaarden,
b) het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten
nadele van verbruikers,
c) het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden
bij gelijkwaardige
prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging,
d) het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van
het aanvaarden door de
handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het
handelsgebruik
geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
Artikel
III-52
1. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie de Europese
verordeningen vast
voor de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen III-50 en III-51.
De Raad besluit na
raadpleging van het Europees Parlement.
2. De in lid 1 bedoelde Europese verordeningen hebben met name ten doel:
a) nakoming van de in artikel III-50, lid 1, en in artikel III-51 bedoelde
verbodsbepalingen te
bewerkstelligen door de instelling van geldboeten en dwangsommen;
b) de regels voor de toepassing van artikel III-50, lid 3, vast te stellen
met inachtneming van de
noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren en anderzijds de
administratieve
controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;
c) in voorkomende gevallen de werkingssfeer van de bepalingen van de artikelen
III-50 en III-51
voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;
d) de taak van de Europese Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie
bij de toepassing van
de in dit lid bedoelde bepalingen vast te stellen;
e) de verhouding vast te stellen tussen de nationale wetgevingen enerzijds
en deze afdeling, alsmede
de Europese verordeningen die ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld,
anderzijds.
Artikel
III-53
Tot de inwerkingtreding van de Europese verordeningen die op grond van artikel
III-52 worden
vastgesteld, beslissen de autoriteiten van de lidstaten in overeenstemming
met hun interne recht,
alsook met artikel III-50, met name lid 3, en artikel III-51 over de toelaatbaarheid
van mede-
dingingsregelingen en over het misbruik maken van een machtspositie op de interne
markt.
Artikel
III-54
1. Onverminderd het in artikel III-53 bepaalde, waakt de Europese Commissie
over de toepassing
van de in de artikelen III-50 en III-51 neergelegde beginselen. Op verzoek
van een lidstaat of
ambtshalve, en in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten,
welke haar daarbij
behulpzaam zijn, stelt de Commissie een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke
inbreuk
op de bovengenoemde beginselen. Indien haar blijkt dat inbreuk is gepleegd,
stelt zij middelen voor
om daaraan een eind te maken.
2. Wordt aan deze inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de Europese Commissie
een met redenen
omkleed Europees besluit vast waarbij de inbreuk op de beginselen wordt geconstateerd.
Zij kan
haar besluit bekendmaken en de lidstaten machtigen regelingen - waarvan zij
de voorwaarden en de
wijze van toepassing bepaalt - te treffen om de toestand te verhelpen.
3. De Europese Commissie kan Europese verordeningen vaststellen betreffende
de groepen
overeenkomsten ten aanzien waarvan de Raad van Ministers overeenkomstig artikel
III-52, lid 2,
onder b), een besluit heeft genomen.
Artikel
III-55
1. De lidstaten nemen of handhaven met betrekking tot de openbare bedrijven
en de ondernemingen
waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel
welke in strijd is met
de bepalingen van de Grondwet, met name die bedoeld in artikel I-4, lid 2,
en de artikelen III-55 tot
en met III-58.
2. Ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch
belang of
die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de bepalingen
van de Grondwet,
met name onder de mededingingsregels, voorzover de toepassing daarvan de vervulling,
in feite of
in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling
van het
handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met
het belang van de Unie.
3. De Europese Commissie waakt over de toepassing van dit artikel en stelt,
voorzover nodig,
passende Europese verordeningen of Europese besluiten vast.
Onderafdeling
2
Steunmaatregelen
van de lidstaten
Artikel
III-56
1. Behoudens de afwijkingen waarin de Grondwet voorziet, zijn steunmaatregelen
van de lidstaten
of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door
begunstiging van
bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen,
onverenigbaar
met de interne markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten
ongunstig
beïnvloedt.
2. Met de interne markt zijn verenigbaar:
a) steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde
dat deze
toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten,
b) steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen
of andere buiten-
gewone gebeurtenissen,
c) steunmaatregelen ten belope van de economie van bepaalde regio's van de
Bondsrepubliek
Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze
steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische
nadelen
te compenseren.
3. Als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd:
a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van regio's
waarin de
levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid
heerst,
b) steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk
Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van
een lidstaat op
te heffen,
c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische
bedrijvigheid
of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden
waaronder
het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het
gemeen-
schappelijk belang wordt geschaad,
d) steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed
te bevorderen,
wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de
mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig worden veranderd dat het gemeen-
schappelijk belang wordt geschaad,
e) andere soorten van steunmaatregelen die de Raad van Ministers bij Europese
verordening of
besluit op voorstel van de Europese Commissie aanwijst.
Artikel
III- 57
1. De Europese Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten
bestaande
steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de maatregelen voor
welke de geleidelijke
ontwikkeling of de werking van de interne markt vereist.
2. Indien de Europese Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand
hun opmerkingen
te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een lidstaat of met staatsmiddelen
bekostigd,
volgens artikel III-56 niet verenigbaar is met de interne markt of dat van
deze steunmaatregel
misbruik wordt gemaakt, stelt zij een Europees besluit vast, houdende dat de
betrokken staat die
steunmaatregel opheft of wijzigt binnen de door haar vast te stellen termijn.
Indien deze staat niet binnen de gestelde termijn gevolg geeft aan het Europees
besluit, kan de
Europese Commissie of iedere andere belanghebbende lidstaat zich in afwijking
van de artikelen
III-265 en III-266 rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden.
Op verzoek van een lidstaat kan de Raad van Ministers met eenparigheid van
stemmen een
Europees besluit vaststellen op grond waarvan een door die staat genomen of
te nemen
steunmaatregel in afwijking van artikel III-56 of van de in artikel III-58
bedoelde Europese
verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de interne markt, indien
buitengewone
omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen. Indien de Europese Commissie
met
betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea vermelde procedure
heeft ingeleid, wordt
deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad van Ministers geschorst,
totdat de Raad
zijn standpunt heeft bepaald.
Indien evenwel de Raad van Ministers binnen een termijn van drie maanden te
rekenen vanaf het
verzoek geen standpunt heeft bepaald, beslist de Europese Commissie.
3. De Europese Commissie wordt door de lidstaten van ieder voornemen tot invoering
of wijziging
van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, zodat zij opmerkingen kan
maken. Indien zij
meent dat het voornemen volgens artikel III-56 onverenigbaar is met de interne
markt, leidt zij
onverwijld de in lid 2 bedoelde procedure in. De betrokken lidstaat kan de
voorgenomen
maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een definitief
besluit heeft geleid.
4. De Europese Commissie kan Europese verordeningen vaststellen betreffende
de soorten van
staatssteun waarvan de Raad overeenkomstig artikel III-55 heeft bepaald dat
zij van de in lid 3
bedoelde procedure kunnen worden vrijgesteld.
Artikel
III-58
De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie Europese verordeningen
vaststellen voor de toepassing van de artikelen III-56 en III-57, en met name
om de voorwaarden
voor de toepassing van artikel III-57, lid 3, te bepalen, alsmede de van die
procedure vrijgestelde
soorten van steunmaatregelen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees
Parlement.
AFDELING
6
BEPALINGEN
BETREFFENDE BELASTINGEN
Artikel
III-59
De lidstaten heffen, al dan niet rechtstreeks, op producten van de overige
lidstaten geen hogere
binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks,
op gelijk-
soortige nationale producten worden geheven.
Bovendien heffen de lidstaten op producten van de overige lidstaten geen zodanige
binnenlandse
belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.
Artikel
III-60
Bij de uitvoer van producten van een lidstaat naar het grondgebied van een
andere lidstaat mag de
teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarop
al dan niet
rechtstreeks geheven is.
Artikel
III-61
Met betrekking tot andere belastingen dan de omzetbelasting, de accijnzen en
de overige indirecte
belastingen mogen vrijstellingen en teruggaven bij uitvoer naar de andere lidstaten
slechts worden
verleend en compenserende belastingen bij invoer uit de lidstaten slechts worden
geheven, voor-
zover de bedoelde regelingen van tevoren voor een beperkte periode bij een
door de Raad van
Ministers op voorstel van de Europese Commissie aangenomen Europees besluit
zijn goedgekeurd.
Artikel
III-62
1. De Raad van Ministers stelt bij Europese wet of kaderwet maatregelen vast
aangaande de
harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en andere
indirecte
belastingen, voorzover deze harmonisatie geboden is om de werking van de interne
markt zeker te
stellen en concurrentieverstoringen te voorkomen. De Raad van Ministers besluit
met eenparigheid
van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch
en Sociaal
Comité.
2. Wanneer de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen en op voorstel
van de Europese
Commissie besluit dat de in lid 1 bedoelde maatregelen de administratieve samenwerking
of de
bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking betreffen, wordt de
Europese wet of
kaderwet houdende vaststelling van deze maatregelen in afwijking van lid 1
met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen aangenomen.
Artikel
III-63
Wanneer de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen en op voorstel van
de Europese
Commissie besluit dat maatregelen inzake de vennootschapsbelasting betrekking
hebben op
administratieve samenwerking of de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking,
stelt hij
deze maatregelen bij Europese wet of kaderwet met gekwalificeerde meerderheid
van stemmen vast,
voorzover zij nodig zijn om de werking van de interne markt zeker te stellen
en
concurrentieverstoringen te voorkomen.
De wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Europees Parlement en van het
Economisch en
Sociaal Comité aangenomen.
AFDELING
7
DE
ONDERLINGE AANPASSING VAN DE WETGEVINGEN
Artikel
III-64
Onverminderd artikel III-62, stelt de Raad van Ministers bij Europese kaderwet
maatregelen vast voor
de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
van de lidstaten welke
rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne
markt. De Raad van Ministers
besluit na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en
Sociaal Comité.
Artikel
III-65
1. Tenzij in de Grondwet anders wordt bepaald, is dit artikel van toepassing
voor de verwezenlijking
van de doelstellingen van artikel III-14. Bij Europese wet of kaderwet worden
de maatregelen
vastgesteld voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen van de
lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. De
wet of kaderwet wordt na
raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.
2. Lid 1 is niet van toepassing op fiscale voorschriften, op voorschriften
inzake het vrije verkeer van
personen en op voorschriften inzake de rechten en belangen van werknemers.
3. De Europese Commissie zal bij haar op grond van lid 1 ingediende voorstellen
op het gebied van de
volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming
uitgaan van een
hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle
nieuwe ontwikkelingen
die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd. Ook het Europees Parlement
en de Raad van
Ministers zullen binnen hun respectieve bevoegdheden deze doelstelling trachten
te verwezenlijken.
4. Wanneer een lidstaat, nadat bij Europese wet of kaderwet of bij Europese
verordening van de
Europese Commissie een harmonisatiemaatregel is vastgesteld, het noodzakelijk
acht nationale
regelingen te handhaven die hun rechtvaardiging vinden in gewichtige eisen
als bedoeld in artikel III-43
of verband houdend met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu,
geeft hij zowel van die
regelingen als van de redenen voor het handhaven ervan, kennis aan de Europese
Commissie.
5. Wanneer
een lidstaat, nadat bij Europese wet of kaderwet dan wel bij verordening
van de
Europese Commissie een harmonisatiemaatregel is vastgesteld, het noodzakelijk
acht nationale
regelingen te treffen, gebaseerd op nieuwe wetenschappelijke gegevens welke
verband houden met
de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, vanwege een specifiek probleem
dat zich in die
lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is vastgesteld, stelt
hij de Commissie
voorts, onverminderd lid 4, in kennis van de voorgenomen regelingen en de motivering
daarvan.
6. Binnen zes maanden na de in de leden 4 en 5 bedoelde kennisgevingen stelt
de Europese
Commissie een Europees besluit vast waarbij de betrokken nationale regelingen
worden
goedgekeurd of afgewezen, nadat zij heeft nagegaan of zij al dan niet een middel
tot willekeurige
discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten, of
een hinderpaal voor de
werking van de interne markt vormen.
Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit vaststelt, worden de in
lid 4 en lid 5 bedoelde
nationale bepalingen geacht te zijn goedgekeurd.
Indien het complexe karakter van de aangelegenheid zulks rechtvaardigt en er
geen gevaar bestaat
voor de gezondheid van de mens, kan de Commissie de betrokken lidstaat ervan
in kennis stellen,
dat de in dit lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd.
7. Indien een lidstaat krachtens lid 6 gemachtigd is om nationale regelingen
te handhaven of te
treffen die afwijken van een harmonisatiemaatregel, onderzoekt de Commissie
onverwijld of er een
aanpassing van die maatregel moet worden voorgesteld.
8. Indien een lidstaat een specifiek probleem in verband met volksgezondheid
aan de orde stelt op
een gebied waarop eerder harmonisatiemaatregelen zijn genomen, brengt hij dit
ter kennis van de
Commissie, die onverwijld onderzoekt of zij passende maatregelen moet voorstellen.
9. In afwijking van de procedure van de artikelen III-265 en III-266 kunnen
de Commissie en de
lidstaten zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden, indien zij menen
dat een andere lidstaat
misbruik maakt van de in dit artikel bedoelde bevoegdheden.
10. De in dit artikel bedoelde harmonisatiemaatregelen omvatten, in passende
gevallen, een
vrijwaringsclausule die de lidstaten machtigt om, op grond van een of meer
van de in artikel III-43
bedoelde niet-economische redenen, voorlopige regelingen te treffen die aan
een toetsingsprocedure
door de Unie worden onderworpen.
Artikel
III-66
Ingeval de Europese Commissie vaststelt dat een verschil tussen de wettelijke
of bestuursrechtelijke
bepalingen van de lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt
vervalst en een
distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken
lidstaten.
Indien deze raadpleging niet tot overeenstemming leidt, wordt bij Europese
kaderwet de betrokken
distorsie opgeheven. Alle andere dienstige maatregelen waarin de Grondwet voorziet,
kunnen
worden vastgesteld.
Artikel
III- 67
1. Indien er aanleiding bestaat te vrezen dat de vaststelling of de wijziging
van een nationale
wettelijke of bestuursrechtelijke regeling een distorsie in de zin van artikel
III-66 veroorzaakt,
raadpleegt de lidstaat die daartoe wil overgaan, de Europese Commissie. Na
de lidstaten te hebben
geraadpleegd, doet de Commissie de betrokken staten een aanbeveling betreffende
de passende
maatregelen om deze distorsie te voorkomen.
2. Indien de lidstaat die nationale regelingen wil vaststellen of wijzigen,
niet handelt overeen-
komstig de aanbeveling welke de Europese Commissie hem heeft gedaan, kan bij
toepassing van
artikel III-66 van de andere lidstaten niet worden verlangd dat zij hun nationale
regelingen wijzigen
om deze distorsie op te heffen. Indien de lidstaat die aan de aanbeveling van
de Commissie geen
gevolg heeft gegeven, een distorsie veroorzaakt waarvan alleen hijzelf nadeel
ondervindt, is artikel
III-63 niet van toepassing.
Artikel
III-68
In het kader van de totstandbrenging van de interne markt worden bij Europese
wet of kaderwet de
maatregelen vastgesteld voor de instelling van Europese titels om een eenvormige
bescherming van
de intellectuele-eigendomsrechten in de hele Unie te bieden, en op het niveau
van de Unie
gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen in te
stellen.
Het taalgebruik met betrekking tot de titels wordt geregeld bij Europese wet
van de Raad van
Ministers. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van
het Europees
Parlement.
HOOFDSTUK
II
HET
ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID
Artikel
III-69
1. Met het oog op de in artikel I-3 genoemde doelstellingen behelst het optreden
van de lidstaten en
de Unie, onder de voorwaarden waarin de Grondwet voorziet, de invoering van
een economisch
beleid dat gebaseerd is op nauwe coördinatie van het economisch beleid
van de lidstaten, op de
interne markt en op de bepaling van gemeenschappelijke doelstellingen, en dat
wordt gevoerd met
eerbieding van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.
2. Gelijktijdig daarmee omvat dit optreden, onder de voorwaarden en volgens
de procedures waarin
de Grondwet voorziet, één munt, de euro, alsmede het bepalen
en voeren van één monetair en
wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit
en, onverminderd deze
doelstelling, het ondersteunen van het algemene economische beleid in de Unie,
met eerbiediging
van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.
3. Dit optreden van de lidstaten en van de Unie impliceert de eerbiediging
van de volgende grond-
beginselen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire
condities en een stabiele
betalingsbalans.
AFDELING
1
HET
ECONOMISCH BELEID
Artikel
III-70
De lidstaten voeren hun economisch beleid om bij te dragen tot de verwezenlijking
van de doel-
stellingen van de Unie, als omschreven in artikel I-3, en in het kader van
de in artikel III-71, lid 2,
bedoelde globale richtsnoeren. De lidstaten en de Unie handelen in overeenstemming
met het
beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige
allocatie van
middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd
in
artikel III-69.
Artikel
III-71
1. De lidstaten beschouwen hun economisch beleid als een aangelegenheid van
gemeenschappelijk
belang en coördineren dit beleid overeenkomstig het bepaalde in artikel
III-70 in het kader van de
Raad van Ministers.
2. De Raad van Ministers stelt op aanbeveling van de Europese Commissie een
ontwerp op voor de
globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de
Unie, en brengt
daarover verslag uit aan de Europese Raad.
Aan de hand van dit verslag van de Raad van Ministers bespreekt de Europese
Raad een conclusie
over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en
van de Unie. De Raad
van Ministers stelt, uitgaande van deze conclusie, een aanbeveling vast waarin
deze globale
richtsnoeren zijn vastgelegd. De Raad stelt het Europees Parlement daarvan
in kennis.
3. Teneinde een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een aanhoudende
convergentie
van de economische prestaties van de lidstaten te bereiken, ziet de Raad van
Ministers aan de hand
van door de Europese Commissie ingediende rapporten, toe op de economische
ontwikkelingen in
iedere lidstaat en in de Unie, alsmede op de overeenstemming van het economisch
beleid met de in
lid 2 bedoelde globale richtsnoeren, en verricht hij regelmatig een algehele
evaluatie.
Met het oog op dit multilaterale toezicht verstrekken de lidstaten de Europese
Commissie
informatie over de belangrijke bepalingen die zij in het kader van hun economisch
beleid hebben
vastgesteld, en alle andere informatie die zij nodig achten.
4. Wanneer in het kader van de procedure van lid 3 blijkt dat het economisch
beleid van een lidstaat
niet overeenkomt met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren of dat dit beleid
de goede werking
van de economische en monetaire unie in gevaar dreigt te brengen, kan de Europese
Commissie een
waarschuwing tot de betrokken lidstaat richten. De Raad van Ministers kan op
aanbeveling van de
Commissie de nodige aanbevelingen tot de lidstaat richten. De Raad van Ministers
kan op voorstel
van de Commissie besluiten zijn aanbevelingen openbaar te maken.
In het kader van dit lid besluit de Raad van Ministers zonder rekening te houden
met de stem van de
vertegenwoordiger van de betrokken lidstaat, en wordt onder gekwalificeerde
meerderheid verstaan
de meerderheid van de stemmen van de andere lidstaten welke ten minste drievijfde
van de
bevolking van deze lidstaten vertegenwoordigt.
5. De voorzitter van de Raad van Ministers en de Europese Commissie brengen
aan het Europees
Parlement verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht. De
voorzitter van de Raad
kan worden verzocht om voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement
te verschijnen,
indien de Raad zijn aanbevelingen openbaar heeft gemaakt.
6. Bij Europese wet kan de in de leden 3 en 4 bedoelde multilaterale toezichtprocedure
nader
worden geregeld.
Artikel
III-72
1. Onverminderd de overige procedures waarin de Grondwet voorziet, kan de Raad
van Ministers
op voorstel van de Europese Commissie bij Europees besluit de voor de economische
situatie
passende maatregelen vaststellen, met name indien zich bij de voorziening met
bepaalde producten
ernstige moeilijkheden voordoen.
2. In geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden
in een lidstaat, die
worden veroorzaakt door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen die deze
lidstaat niet kan
beheersen, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie
een Europees besluit
vaststellen waarbij onder bepaalde voorwaarden financiële bijstand van
de Unie aan de betrokken
lidstaat wordt verleend. De voorzitter van de Raad van Ministers stelt het
Europees Parlement
daarvan in kennis.
Artikel
III-73
1. Het is de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de lidstaten
(hierna "nationale
centrale banken" te noemen) verboden voorschotten in rekening-courant
of andere krediet-
faciliteiten te verlenen aan instellingen, organen of bureaus van de Unie,
centrale overheden,
regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of
openbare bedrijven
van de lidstaten, of rechtstreeks van hen schuldbewijzen te kopen.
2. Lid 1 is niet van toepassing op kredietinstellingen die in handen van de
overheid zijn en waaraan
in het kader van de liquiditeitsvoorziening door centrale banken dezelfde behandeling
door de
nationale centrale banken en de Europese Centrale Bank wordt gegeven als aan
particuliere
kredietinstellingen.
Artikel
III-74
1. Niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen
en bepalingen
waardoor instellingen, organen of bureaus van de Unie, centrale overheden,
regionale, lokale of
andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven
van de lidstaten een
bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen, zijn verboden.
2. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie een Europese
verordening of
een Europees besluit vaststellen houdende de definities voor de toepassing
van het in lid 1 bedoelde
verbod. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.
Artikel
III-75
1. De Unie is niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden,
regionale, lokale of
andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven
van de lidstaten en
neemt deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële
garanties voor de
gemeenschappelijke uitvoering van specifieke projecten. De lidstaten zijn niet
aansprakelijk voor de
verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden,
andere publiek-
rechtelijke lichamen of openbare bedrijven van een andere lidstaat en nemen
deze verbintenissen
niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke
uitvoering
van specifieke projecten.
2. De Raad van Ministers kan, op voorstel van de Europese Commissie, bij Europese
verordening of
Europees besluit de definities voor de toepassing van de in artikel III-73
en in dit artikel bedoelde
verbodsbepalingen vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees
Parlement.
Artikel III-76
1. De lidstaten vermijden buitensporige overheidstekorten.
2. De Europese Commissie houdt toezicht op de ontwikkeling van de begrotingssituatie
en de
omvang van de overheidsschuld in de lidstaten, teneinde eventuele aanzienlijke
tekortkomingen
vast te stellen. Met name gaat de Commissie op basis van de volgende twee criteria
na of de hand
wordt gehouden aan de begrotingsdiscipline:
a) of de verhouding tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het
bruto binnenlands
product een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij:
i) hetzij de verhouding in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en
een niveau
heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert;
ii) hetzij de overschrijding van de referentiewaarde slechts van uitzonderlijke
en tijdelijke
aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft;
b) of de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product
een bepaalde
referentiewaarde overschrijdt, tenzij de verhouding in voldoende mate afneemt
en de
referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert.
De referentiewaarden worden nader omschreven in het protocol betreffende de
procedure bij
buitensporige tekorten.
3. Indien een lidstaat niet voldoet aan een of meer van deze criteria, stelt
de Europese Commissie
een verslag op. In het verslag van de Commissie wordt tevens rekening gehouden
met de vraag, of
het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid,
en worden alle andere
relevante factoren in aanmerking genomen, met inbegrip van de economische en
budgettaire situatie
van de lidstaat op middellange termijn.
Voorts kan de Commissie een verslag opstellen indien zij - ook al is aan de
criteria voldaan - van
mening is dat er gevaar voor een buitensporig tekort in een lidstaat aanwezig
is.
4. Het Economisch en Financieel Comité brengt advies uit over het verslag
van de Commissie.
5. Indien de Commissie van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig
tekort bestaat of kan
ontstaan, richt zij een advies tot de betrokken lidstaat.
6. Op voorstel van de Europese Commissie besluit de Raad van Ministers, rekening
houdend met de
eventuele opmerkingen van de betrokken lidstaat en na een algehele evaluatie,
of er een
buitensporig tekort bestaat. Als dat het geval is, stelt de Raad volgens dezelfde
procedures de
aanbevelingen vast die hij tot de betrokken lidstaat richt opdat deze binnen
een bepaalde termijn een
eind maakt aan het tekort. Behoudens lid 8, worden deze aanbevelingen niet
openbaar gemaakt.
In het kader van dit lid besluit de Raad van Ministers zonder rekening te houden
met de stem van de
betrokken lidstaat, en wordt onder gekwalificeerde meerderheid verstaan de
meerderheid van de
andere lidstaten welke tenminste drievijfde van de bevolking van deze lidstaten
vertegenwoordigt.
7. De in de leden 8 tot en met 11 bedoelde Europese besluiten en aanbevelingen
worden door de
Raad van Ministers op aanbeveling van de Commissie vastgesteld. De Raad van
Ministers besluit
zonder rekening te houden met de stem van de betrokken lidstaat, en onder gekwalificeerde
meerderheid wordt verstaan de meerderheid van de andere lidstaten welke ten
minste drievijfde van
de bevolking van deze lidstaten vertegenwoordigt.
8. Indien de Raad van Ministers vaststelt dat binnen de voorgeschreven termijn
geen effectief
gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven, kan hij zijn aanbevelingen openbaar
maken.
9. Indien een lidstaat blijft verzuimen uitvoering te geven aan de aanbevelingen
van de Raad van
Ministers, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin de betrokken
lidstaat wordt
aangemaand binnen een voorgeschreven termijn op te treden om het tekort te
verminderen in de
mate die de Raad nodig acht om de situatie te verhelpen.
In dat geval kan de Raad van Ministers de betrokken lidstaat verzoeken volgens
een nauwkeurig
tijdschema verslag uit te brengen, teneinde te kunnen nagaan welke aanpassingsmaatregelen
die
lidstaat heeft getroffen.
10. Zolang een lidstaat zich niet voegt naar een overeenkomstig lid 9 vastgesteld
Europees besluit,
kan de Raad van Ministers een of meer van de volgende maatregelen toepassen
of in voorkomend
geval aanscherpen:
a) eisen dat de betrokken lidstaat door de Raad van Ministers te bepalen aanvullende
informatie
openbaar maakt voordat hij obligaties en andere waardepapieren uitgeeft;
b) de Europese Investeringsbank verzoeken haar beleid inzake kredietverstrekking
ten aanzien
van de betrokken lidstaat opnieuw te bezien;
c) eisen dat de betrokken lidstaat bij de Unie een niet-rentedragend bedrag
van een passende
omvang deponeert, totdat de Raad van Ministers van oordeel is dat het buitensporige
tekort is
gecorrigeerd;
d) boeten van een passende omvang opleggen.
De voorzitter van de Raad van Ministers stelt het Europees Parlement in kennis
van de vastgestelde
maatregelen.
11. De Raad van Ministers trekt de in de leden 6 en 8 tot en met 10 bedoelde
maatregelen of
sommige daarvan in, voorzover hij van oordeel is dat het buitensporige tekort
in de betrokken
lidstaat is gecorrigeerd. Indien de Raad voordien aanbevelingen openbaar heeft
gemaakt, legt hij,
zodra het in lid 9 bedoelde besluit is ingetrokken, in het openbaar een verklaring
af dat er niet
langer een buitensporig tekort in de betrokken lidstaat bestaat.
12. Het in de artikelen III-265 en III-266 bedoelde recht om een klacht in
te dienen kan niet worden
uitgeoefend in het kader van de toepassing van de leden 1 tot en met 6, 8 en
9 van dit artikel.
13. Verdere bepalingen betreffende de toepassing van de in dit artikel omschreven
procedure zijn
opgenomen in het protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten.
De Raad van Ministers stelt bij Europese wet maatregelen
vast ter vervanging van voornoemd protocol.
De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging
van het Europees
Parlement en van de Europese Centrale Bank.
Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit lid, stelt de Raad van Ministers
op voorstel van de
Europese Commissie bij Europese verordening of besluit de nadere bepalingen
en definities voor de
toepassing van dit protocol vast. De Raad besluit na raadpleging van het Europees
Parlement.
AFDELING
2
HET
MONETAIR BELEID
Artikel
III-77
1. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken is het handhaven
van prijsstabiliteit.
Onverminderd dat doel, ondersteunt het Europees Stelsel van Centrale Banken
het algemene econo-
mische beleid in de Unie om zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van
haar in artikel I-3
omschreven doelstellingen. Het Europees Stelsel van Centrale Banken handelt
in overeenstemming met
het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een
doelmatige allocatie van
middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd
in artikel III-69.
2. De door het Europees Stelsel van Centrale Banken uit te voeren fundamentele
taken zijn:
a) het bepalen en uitvoeren van het monetair beleid van de Unie;
b) het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met artikel III-228;
c) het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten;
d) het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer.
3. Lid 2, onder c), laat het aanhouden en beheren van werksaldi in buitenlandse
valuta's door de
regeringen van de lidstaten onverlet.
4. De Europese Centrale Bank wordt geraadpleegd:
a) over elk voorstel voor een handeling van de Unie op de gebieden die onder
haar bevoegdheid
vallen;
b) door de nationale autoriteiten over elk ontwerp van wettelijke bepaling
op de gebieden die onder
haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die
de Raad van
Ministers volgens de procedure van artikel III-79, lid 6, vaststelt.
De Europese Centrale Bank kan over aangelegenheden op de gebieden die onder
haar bevoegdheid
vallen, advies uitbrengen aan de instellingen, organen en bureaus van de Unie
en aan nationale
autoriteiten.
5. Het Europese Stelsel van Centrale Banken draagt bij tot een goede beleidsvoering
door de
bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen
en de
stabiliteit van het financiële stelsel.
6. Bij Europese wet kunnen aan de Europese Centrale Bank specifieke taken betreffende
het beleid
op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietlijnstellingen
en andere financiële
instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen, worden opgedragen.
De Europese
wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van de Europese Centrale Bank.
Artikel III-78
1. De Europese Centrale Bank heeft het alleenrecht, machtiging te geven tot
de uitgifte van bank-
biljetten in euro binnen de Unie. De Europese Centrale Bank en de nationale
centrale banken mogen
deze bankbiljetten uitgeven. De door de Europese Centrale Bank en de nationale
centrale banken
uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Unie de
hoedanigheid van wettig
betaalmiddel hebben.
2. De lidstaten kunnen munten in euro uitgeven, mits de omvang van de uitgifte
door de Europese
Centrale Bank wordt goedgekeurd. De Raad van Ministers kan bij Europese verordening
op
voorstel van de Europese Commissie maatregelen vaststellen om de nominale waarden
en
technische specificaties van alle voor circulatie bestemde munten te harmoniseren,
voorzover dit
nodig is voor een goede circulatie van munten binnen de Unie. De Raad van Ministers
besluit na
raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Centrale Bank.
Artikel
III-79
1. Het Europees Stelsel van Centrale Banken bestaat uit de Europese Centrale
Bank en de nationale
centrale banken.
2. De Europese Centrale Bank bezit rechtspersoonlijkheid.
3. Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt bestuurd door de besluitvormende
organen van
de Europese Centrale Bank, te weten de Raad van bestuur en de directie.
4. De statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn opgenomen
in het protocol
betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van
de Europese Centrale
Bank.
5. De artikelen 5.1, 5.2, 5.3, 17, 18, 19.1, 22, 23, 24, 26, 32.2, 32.3, 32.4,
32.6, 33.1 a en 36 van de
statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale
Bank kunnen
bij Europese wet worden gewijzigd:
a) hetzij op voorstel van de Europese Commissie na raadpleging van de Europese
Centrale
Bank;
b) hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank na raadpleging van de
Europese
Commissie.
6. De in de artikelen 4, 5.4, 19.2, 20, 28.1, 29.2, 30.4 en 34.3 van de statuten
van het Europees
Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank bedoelde maatregelen
worden door
de Raad van Ministers bij Europese verordening of besluit vastgesteld. De Raad
van Ministers
besluit na raadpleging van het Europees Parlement:
a) hetzij op voorstel van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese
Centrale
Bank;
b) hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van
de Europese
Commissie.
Artikel
III-80
Bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten
die bij de
Grondwet en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van
de Europese Centrale
Bank aan hen zijn opgedragen, is het noch de Europese Centrale Bank, noch een
nationale centrale
bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan, instructies
te vragen aan dan wel
te aanvaarden van instellingen, organen of bureaus van de Unie, van regeringen
van lidstaten of van
enig ander orgaan. De instellingen, organen en bureaus van de Unie en de regeringen
van de
lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten
de leden van de
besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale
banken bij de
uitvoering van hun taken te beïnvloeden.
Artikel
III-81
Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip
van de statuten van
zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Grondwet en met de statuten
van het Europees
Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.
Artikel
III-82
1. Ter uitvoering van de aan het Europees Stelsel van Centrale Banken opgedragen
taken worden
door de Europese Centrale Bank, overeenkomstig het bepaalde in de Grondwet
en onder de voor-
waarden van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van
de Europese Centrale
Bank:
a) Europese verordeningen vastgesteld voorzover nodig voor de uitvoering van
de taken
omschreven in artikel 3.1, eerste streepje, artikel 19.1, artikel 22 en artikel
25.2 van de
statuten van het Europese Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale
Bank,
alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel III-79, lid 6, bedoelde
Europese
verordeningen en besluiten;
b) de Europese besluiten vastgesteld die nodig zijn voor de uitvoering van
de door de Grondwet
en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken aan het Europees
stelsel van
Centrale Banken opgedragen taken;
c) aanbevelingen en adviezen vastgesteld.
2. De Europese Centrale Bank kan besluiten haar Europese besluiten, aanbevelingen
en adviezen
openbaar te maken.
3. De Raad van Ministers stelt volgens de procedure van artikel III-79, lid
6, de Europese
verordeningen vast ter bepaling van de grenzen en voorwaarden waarbinnen de
Europese Centrale
Bank gerechtigd is om ondernemingen boeten of dwangsommen op te leggen bij
niet-naleving van
haar Europese verordeningen en besluiten.
Artikel
III-83
Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Centrale Bank, worden bij Europese
wet of
kaderwet de maatregelen vastgesteld die nodig zijn voor het gebruik van de
euro als enige munt-
eenheid van de lidstaten. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld na
raadpleging van de
Europese Centrale Bank.
AFDELING
3
INSTITUTIONELE
BEPALINGEN
Artikel
III-84
1. De Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank bestaat uit de leden van
de directie van de
Europese Centrale Bank en de presidenten van de nationale centrale banken van
de lidstaten die niet
onder een derogatie in de zin van artikel III-91 vallen.
2. a) De directie bestaat uit de president, de vice-president en vier andere
leden.
b) De president, de vice-president en de overige leden van de directie worden
gekozen uit
personen met een erkende reputatie en een beroepservaring op monetair of bancair
gebied. Zij
worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten op
het niveau van de
staatshoofden en regeringsleiders benoemd op aanbeveling van de Raad van Ministers,
die het
Europees Parlement en de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank heeft
geraadpleegd.
Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar.
Alleen zij die de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten, kunnen lid
van de directie zijn.
Artikel
III-85
1. De voorzitter van de Raad van Ministers en een lid van de Europese Commissie
mogen zonder
stemrecht aan de vergaderingen van de Raad van bestuur van de Europese Centrale
Bank
deelnemen.
De voorzitter van de Raad van Ministers kan aan de Raad van bestuur van de
Europese Centrale
Bank ter bespreking een motie voorleggen.
2. De president van de Europese Centrale Bank wordt uitgenodigd om aan de vergaderingen
van de
Raad van Ministers deel te nemen wanneer deze aangelegenheden bespreekt met
betrekking tot de
doelstellingen en de taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken.
3. De Europese Centrale Bank stelt ten behoeve van het Europees Parlement,
van de Raad van
Ministers en van de Europese Commissie, alsmede van de Europese Raad, een jaarverslag
op over
de werkzaamheden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en over het monetair
beleid in het
afgelopen jaar en het lopende jaar. De president van de Europese Centrale Bank
legt dit verslag
voor aan de Raad van Ministers en aan het Europees Parlement, dat op die basis
een algemeen debat
kan houden.
De president van de Europese Centrale Bank en de overige leden van de directie
kunnen op verzoek
van het Europees Parlement of op eigen initiatief worden gehoord door de bevoegde
commissies
van het Parlement.
Artikel
III-86
1. Teneinde de coördinatie van het beleid van de lidstaten te bevorderen
in de volle omvang die
nodig is voor de werking van de interne markt, wordt een Economisch en Financieel
Comité
ingesteld.
2. Dit Comité heeft tot taak:
a) hetzij op verzoek van de Raad van Ministers of van de Commissie, hetzij
op eigen initiatief,
adviezen aan deze instellingen uit te brengen;
b) de economische en financiële toestand van de lidstaten en van de Unie
te volgen en terzake
regelmatig aan de Raad van Ministers en aan de Commissie verslag uit te brengen,
inzonderheid wat betreft de financiële betrekkingen met derde landen en
internationale
instellingen;
c) onverminderd artikel III-247, bij te dragen aan de voorbereiding van de
werkzaamheden van
de Raad van Ministers, bedoeld in artikel III-48, artikel III-71, leden 2,
3, 4 en 6, en de
artikelen III-72, III-74, III-75 en III-76, artikel III-77, lid 6, artikel
III-78, lid 2, artikel III-79,
leden 5 en 6, de artikelen III-83, III-90, artikel III-92, leden 2 en 3, artikel
III-95,
artikel III-96, leden 2 en 3, en de artikelen III-224 en III-228, en andere
advies- en
voorbereidingstaken die de Raad van Ministers aan het Comité heeft opgedragen,
uit te
voeren;
d) ten minste eenmaal per jaar de toestand te onderzoeken met betrekking tot
het kapitaalverkeer
en de vrijheid van het betalingsverkeer, zoals deze voortvloeien uit de toepassing
van de
Grondwet en de handelingen van de Unie; dit onderzoek heeft betrekking op alle
maatregelen
betreffende kapitaalverkeer en betalingsverkeer; het Comité brengt de
Commissie en de Raad
van Ministers verslag uit over de resultaten van dit onderzoek.
De lidstaten, de Commissie en de Europese Centrale Bank benoemen ieder ten
hoogste twee leden
van het Comité.
3. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Commissie een Europees besluit
vast houdende
nadere bepalingen betreffende de samenstelling van het Economisch en Financieel
Comité. De
Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank en dit Comité.
De voorzitter van de
Raad van Ministers stelt het Europees Parlement in kennis van het desbetreffende
besluit.
4. Naast de vervulling van de in lid 2 genoemde taken volgt het Comité,
indien en zolang er
lidstaten zijn die vallen onder een derogatie in de zin van artikel III-91,
de monetaire en financiële
toestand en de algemene regeling van het betalingsverkeer van die lidstaten
en brengt het terzake
regelmatig verslag uit aan de Raad van Ministers en aan de Commissie.
Artikel
III-87
De Raad van Ministers of een lidstaat kan de Commissie verzoeken een aanbeveling
of een voorstel
te doen betreffende aangelegenheden die onder artikel III-71, lid 4, artikel
III-76, met uitzondering
van lid 13, de artikelen III-83, III-90, III-91, artikel III-92, lid 3 en artikel
III-228, vallen. De
Commissie onderzoekt dit verzoek en legt haar conclusies onverwijld aan de
Raad van Ministers
voor.
AFDELING
3 BIS
SPECIFIEKE
BEPALINGEN VOOR DE LIDSTATEN DIE TOT DE EUROZONE BEHOREN
Artikel
III-88
1. Om bij te dragen tot de goede werking van de economische en monetaire unie,
en overeen-
komstig de desbetreffende bepalingen van de Grondwet, worden voor de lidstaten
die deel uitmaken
van de eurozone maatregelen vastgesteld:
a) ter versterking van de coördinatie en ter bewaking van hun begrotingsdiscipline;
b) houdende bepaling van de richtsnoeren voor hun economisch beleid, met dien
verstande dat
deze verenigbaar moeten zijn met de richtsnoeren welke voor de gehele Unie
zijn vastgesteld,
en om te zorgen voor de bewaking ervan.
2. Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregelen hebben alleen leden
van de Raad van
Ministers die de lidstaten vertegenwoordigen welke deel uitmaken van de eurozone,
stemrecht. Als
gekwalificeerde meerderheid geldt de meerderheid van de stemmen van de vertegenwoordigers
van
de lidstaten die deel uitmaken van de eurozone, welke ten minste drievijfde
van hun bevolking
vertegenwoordigt. Eenparigheid van stemmen van de leden van de Raad van Ministers
is vereist
voor iedere handeling waarvoor eenparigheid van stemmen vereist is.
Artikel
III-89
De regelingen voor vergaderingen van de ministers van de lidstaten die deel
uitmaken van de
eurozone, worden vastgesteld in het protocol betreffende de Eurogroep.
Artikel
III-90
1. Teneinde de positie van de euro in het internationale stelsel veilig te
stellen, stelt de Raad van
Ministers op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale
Bank een
Europees besluit vast houdende de gemeenschappelijke standpunten in de bevoegde
internationale
financiële instellingen en conferenties over kwesties die voor de Economische
en Monetaire Unie
van bijzonder belang zijn.
2. Voor de in dit artikel bedoelde maatregelen hebben alleen de leden van de
Raad van Ministers die
lidstaten vertegenwoordigen welke deel uitmaken van de eurozone, stemrecht.
Als gekwalificeerde
meerderheid geldt de meerderheid van de stemmen van de vertegenwoordigers van
de lidstaten die
deel uitmaken van de eurozone, welke ten minste drievijfde van hun bevolking
vertegenwoordigt.
Eenparigheid van stemmen van deze leden van de Raad van Ministers is vereist
voor iedere
handeling waarvoor eenparigheid van stemmen vereist is.
3. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Commissie passende maatregelen
vaststellen met
het oog op een gezamenlijke vertegenwoordiging in de internationale financiële
instellingen en
conferenties. De procedurebepalingen van de leden 1 en 2 zijn van toepassing.
AFDELING 4
OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel III-91
1. De lidstaten ten aanzien waarvan de Raad van Ministers niet heeft
besloten dat zij voldoen aan de
nodige voorwaarden voor de invoering van de euro, worden hierna "lidstaten
die vallen onder een
derogatie" genoemd.
2. De onderstaande bepalingen van de Grondwet zijn niet van toepassing
op de lidstaten die onder
een derogatie vallen:
a) de aanneming van de onderdelen van de globale richtsnoeren voor
het economisch beleid die
in algemene zin betrekking hebben op de eurozone (artikel III-71, lid
2)
b) verbindende maatregelen om buitensporige tekorten te verminderen
(artikel III-76, leden 9
en 10)
c) doelstellingen en taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken
(artikel III-77, leden 1,
2, 3 en 5)
d) uitgifte van de euro (artikel III-78)
e) rechtshandelingen van de Europese Centrale Bank (artikel III-82)
f) maatregelen met betrekking tot het gebruik van de euro (artikel
III-83)
g) monetaire overeenkomsten (artikel III-228)
h) aanwijzing van de leden van de directie van de Europese Centrale
Bank (artikel III-84, lid 2,
onder b)).
Derhalve wordt in de hierboven genoemde artikelen "lidstaten" gelezen
als "de lidstaten die niet
onder een derogatie vallen".
3. De lidstaten die onder een derogatie vallen, alsmede hun nationale
centrale banken, zijn
uitgesloten van de rechten en plichten in het kader van het Europees
Stelsel van Centrale Banken,
overeenkomstig hoofdstuk IX van de statuten van het Europees Stelsel
van Centrale Banken en van
de Europese Centrale Bank.
4. De stemrechten van de leden van de Raad van Ministers die de lidstaten
vertegenwoordigen
welke onder een derogatie vallen, worden geschorst tijdens de aanneming
door de Raad van
Ministers van de maatregelen bedoeld in de in lid 2 opgesomde artikelen.
Als gekwalificeerde
meerderheid geldt de meerderheid van de stemmen van de vertegenwoordigers
van de lidstaten die
niet vallen onder een derogatie, welke ten minste drievijfde van hun
bevolking vertegenwoordigt.
Eenparigheid van stemmen van die lidstaten is vereist voor iedere handeling
waarvoor eenparigheid
van stemmen vereist is.
Artikel III-92
1. Ten minste om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat die valt
onder een derogatie, brengen
de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank verslag uit aan
de Raad van Ministers over
de vooruitgang die door de onder een derogatie vallende lidstaten is
geboekt bij de nakoming van
hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de economische
en monetaire unie.
Deze verslagen bevatten met name een onderzoek naar de verenigbaarheid
van de nationale
wetgeving van ieder van deze lidstaten, met inbegrip van de statuten
van zijn nationale centrale
bank, met de artikelen III-80 en III-81 en met de statuten van het
Europees Stelsel van Centrale
Banken en van de Europese Centrale Bank. In deze verslagen wordt ook
nagegaan of een hoge mate
van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin
elk van deze lidstaten aan de
volgende criteria voldoet:
a) een hoge mate van prijsstabiliteit, die blijkt uit een inflatiepercentage
dat dicht ligt bij dat van
ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit
het best presteren;
b) het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën;
dit blijkt uit een begrotings-
situatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld
in artikel III-76, lid 6;
c) de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme,
gedurende
ten minste twee jaar, zonder devaluatie van de munt ten opzichte van
de euro;
d) de duurzaamheid van de convergentie die is bereikt door de lidstaat
die onder een derogatie
valt, en van zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme, hetgeen
tot uitdrukking komt in
de niveaus van de rentevoeten voor de lange termijn.
De vier in dit lid genoemde criteria en de perioden tijdens welke daaraan
moet worden voldaan,
worden nader bepaald in het protocol betreffende de convergentiecriteria
van de Europese Centrale
Bank. In de verslagen van de Europese Commissie en van de Europese
Centrale Bank wordt ook
rekening gehouden met de resultaten van de integratie van de markten,
de situatie en de
ontwikkeling van de lopende rekeningen van de betalingsbalansen, en
een onderzoek naar de
ontwikkeling van de loonkosten per eenheid product en andere prijsindicatoren.
2. Na raadpleging van het Europees Parlement en na bespreking in de
Europese Raad, stelt de Raad
van Ministers op voorstel van de Europese Commissie bij Europees besluit
vast, welke onder een
derogatie vallende lidstaten aan de noodzakelijke voorwaarden volgens
de criteria van lid 1
voldoen, en trekt hij de derogaties van de betrokken lidstaten in.
3. Indien volgens de procedure van lid 2 wordt besloten een derogatie
te beëindigen, stelt de Raad
van Ministers op voorstel van de Europese Commissie met eenparigheid
van stemmen van de leden
die de lidstaten zonder derogatie en de betrokken lidstaat vertegenwoordigen,
bij Europese
verordening of Europees besluit onherroepelijk de koers vast waartegen
de munteenheid van de
betrokken lidstaat wordt vervangen door de euro, en neemt hij de overige
maatregelen die nodig
zijn voor de invoering van de euro als enige munteenheid in die lidstaat.
De Raad van Ministers
besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank.
Artikel III-93
1. Indien en zolang er onder een derogatie vallende lidstaten zijn,
wordt, onverminderd het bepaalde
in artikel III-79, lid 3, de in artikel 45 van de statuten van het
Europees Stelsel van Centrale Banken
en van de Europese centrale bank bedoelde Algemene Raad van de Europese
Centrale Bank als
derde besluitvormend orgaan van de Europese Centrale Bank gevormd.
2. Indien en zolang er onder een derogatie vallende lidstaten zijn,
heeft de Europese Centrale Bank
ten aanzien van die lidstaten de taak:
a) de samenwerking tussen de nationale centrale banken van de lidstaten
te versterken;
b) de coördinatie van het monetair beleid van de lidstaten te
versterken teneinde prijsstabiliteit te
verzekeren;
c) zorg te dragen voor de werking van het wisselkoersmechanisme;
d) overleg te plegen over aangelegenheden die onder de bevoegdheid
van de nationale centrale
banken vallen en die van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële
instellingen en
markten;
e) de vroegere taken uit te oefenen van het Europees Fonds voor monetaire
samenwerking, die
eerder waren overgenomen door het Europees Monetair Instituut.
Artikel III-94
Iedere lidstaat die onder een derogatie valt, behandelt zijn wisselkoersbeleid
als een aangelegenheid
van gemeenschappelijk belang. Daarbij houdt hij rekening met de ervaring
die is opgedaan bij de
samenwerking in het kader van het wisselkoersmechanisme.
Artikel III-95
1. In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in
de betalingsbalans van een
onder een derogatie vallende lidstaat, die voortvloeien hetzij uit
het ontbreken van het globaal
evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen,
en die met name de
werking van de interne markt of de verwezenlijking van de gemeenschappelijke
handelspolitiek in
gevaar kunnen brengen, onderwerpt de Europese Commissie de toestand
in die staat en de
maatregelen welke hij overeenkomstig de Grondwet met gebruikmaking
van alle hem ten dienste
staande middelen heeft genomen of kan nemen, onverwijld aan een onderzoek.
De Europese
Commissie geeft aan welke maatregelen zij de betrokken lidstaat aanbeveelt.
Indien de actie die wordt ondernomen door de onder een derogatie vallende
lidstaat en de door de
Europese Commissie in overweging gegeven maatregelen niet voldoende
blijken te zijn om de
ondervonden of dreigende moeilijkheden uit de weg te ruimen, doet de
Commissie, na raadpleging
van het Economisch en Financieel Comité, aan de Raad van Ministers
aanbevelingen tot onderlinge
bijstand en betreffende passende maatregelen.
De Europese Commissie houdt de Raad van Ministers regelmatig op de
hoogte van de toestand en
de ontwikkeling daarvan.
2. De Raad van Ministers kent de wederzijdse bijstand toe; hij stelt
de Europese verordeningen of
Europese besluiten vast die de voorwaarden en de wijze van toepassing
daarvan bepalen. De
wederzijdse bijstand kan met name de vorm aannemen van:
a) een gezamenlijk optreden bij andere internationale organisaties
waarop de lidstaten die onder
een derogatie vallen, een beroep kunnen doen;
b) maatregelen die nodig zijn om verlegging van het handelsverkeer
te vermijden, wanneer de
lidstaat die onder een derogatie valt, in moeilijkheden verkeert, kwantitatieve
beperkingen ten
aanzien van derde landen handhaaft of deze wederinvoert;
c) de verlening van beperkte kredieten door andere lidstaten, onder
voorbehoud van hun toe-
stemming.
3. Indien de door de Europese Commissie aanbevolen onderlinge bijstand
door de Raad van
Ministers niet wordt goedgekeurd of indien de goedgekeurde wederzijdse
bijstand en de getroffen
maatregelen ontoereikend zijn, machtigt de Commissie de in moeilijkheden
verkerende lidstaat die
onder een derogatie valt, vrijwaringsmaatregelen te nemen waarvan zij
de voorwaarden en de wijze
van toepassing bepaalt.
De Raad van Ministers kan deze machtiging intrekken en deze voorwaarden
en de wijze van
toepassing wijzigen.
Artikel III-96
1. In geval van een plotselinge crisis in de betalingsbalans en
indien een handeling in de zin van
artikel III-90, lid 2, niet onmiddellijk wordt vastgesteld, kan een
lidstaat die onder een derogatie
valt, te zijner bescherming vrijwaringsmaatregelen treffen. Die maatregelen
moeten zo weinig
mogelijk verstoringen in de werking van de interne markt teweegbrengen
en mogen niet verder
reiken dan strikt onvermijdelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden
te overwinnen.
2. De Europese Commissie en de andere lidstaten moeten van die vrijwaringsmaatregelen
uiterlijk
op het tijdstip van hun inwerkingtreding op de hoogte worden gebracht.
De Commissie kan de Raad
van Ministers wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel III-95
aanbevelen.
3. De Raad van Ministers kan op advies van de Europese Commissie
en na raadpleging van het
Economisch en Financieel Comité bij Europees besluit vaststellen
dat de betrokken lidstaat boven-
bedoelde vrijwaringsmaatregelen moet wijzigen, schorsen of intrekken.
HOOFDSTUK III
HET BELEID OP ANDERE SPECIFIEKE GEBIEDEN
AFDELING I
WERKGELEGENHEID
Artikel III-97
De lidstaten en de Unie streven overeenkomstig deze afdeling naar de
ontwikkeling van een
gecoördineerde strategie voor de werkgelegenheid en in het bijzonder
voor de bevordering van de
scholing, de opleiding en het aanpassingsvermogen van de werknemers
en arbeidsmarkten die
soepel reageren op economische veranderingen teneinde de doelstellingen
van artikel I-3 te
bereiken.
Artikel III-98
1. De lidstaten dragen door middel van hun werkgelegenheidsbeleid bij
tot het bereiken van de in
artikel III-97 bedoelde doelstellingen op een wijze die verenigbaar
is met de overeenkomstig
artikel III-71, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren voor het economisch
beleid van de lidstaten
en van de Unie.
2. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden
van de
sociale partners, beschouwen de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid
als een aan-
gelegenheid van gemeenschappelijk belang en coördineren zij hun
maatregelen op dit gebied binnen
de Raad van Ministers, overeenkomstig artikel III-100.
Artikel III-99
1. De Unie draagt bij tot een hoog werkgelegenheidsniveau door samenwerking
tussen de lidstaten
aan te moedigen en hun optreden te steunen en, indien nodig, aan te
vullen. De bevoegdheden van
de lidstaten worden daarbij geëerbiedigd.
2. Bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van
de Unie wordt rekening gehouden
met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau.
Artikel III-100
1. De Europese Raad beziet jaarlijks de werkgelegenheidssituatie
in de Unie en neemt ter zake
conclusies aan, aan de hand van een gezamenlijk jaarverslag van de
Raad van Ministers en de
Europese Commissie.
2. Op basis van de conclusies van de Europese Raad neemt de Raad van
Ministers jaarlijks op
voorstel van de Europese Commissie richtsnoeren aan, waarmee de lidstaten
rekening houden in
hun werkgelegenheidsbeleid. De Raad van Ministers besluit na raadpleging
van het Europees
Parlement, het Comité van de Regio's, het Economisch en Sociaal
Comité en het Comité voor de
werkgelegenheid.
Deze richtsnoeren moeten verenigbaar zijn met de overeenkomstig artikel
III-71, lid 2, aangenomen
globale richtsnoeren.
3. Iedere lidstaat legt jaarlijks aan de Raad van Ministers en aan
de Europese Commissie een
verslag voor over de belangrijkste bepalingen welke genomen zijn om
zijn werkgelegenheidsbeleid
ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren
inzake werkgelegenheid.
4. Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen en na ontvangst van
de adviezen van het Comité voor
de werkgelegenheid verricht de Raad van Ministers jaarlijks in het
licht van de richtsnoeren inzake
werkgelegenheid een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid
van de
lidstaten. De Raad kan op aanbeveling van de Europese Commissie aanbevelingen
voor de lidstaten
aannemen.
5. Op basis van de resultaten van dit onderzoek brengen de Raad van
Ministers en de Europese
Commissie jaarlijks gezamenlijk verslag uit aan de Europese Raad over
de
werkgelegenheidssituatie in de Unie en over de tenuitvoerlegging van
de richtsnoeren inzake
werkgelegenheid.
Artikel III-101
Bij Europese wet of kaderwet kunnen stimuleringsmaatregelen worden
vastgesteld die erop gericht
zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun werkgelegenheidsbeleid
te onder-
steunen door middel van initiatieven ter ontwikkeling van de uitwisseling
van informatie en
optimale praktijken, verstrekking van vergelijkende analyses en advies,
alsmede bevordering van
een innovatieve aanpak en evaluatie van ervaringen, in het bijzonder
door gebruik te maken van
proefprojecten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het
Comité van
de Regio's en van
het Economisch en Sociaal Comité.
De Europese wet of kaderwet houdt generlei harmonisatie van de wettelijke
of bestuursrechtelijke
regelingen van de lidstaten in.
Artikel III-102
De Raad van Ministers stelt bij gewone meerderheid een Europees
besluit vast tot instelling van een
raadgevend comité voor de werkgelegenheid, teneinde de coördinatie
van het werkgelegenheids- en
arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen. De Raad besluit
na raadpleging van het Europees
Parlement.
Dit comité heeft tot taak:
a) toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid
in de lidstaten en in
de Unie;
b) onverminderd artikel III-247, adviezen uit te brengen, hetzij op
verzoek van de Raad van
Ministers of van de Europese Commissie, hetzij op eigen initiatief,
en bij te dragen tot de
voorbereiding van de in artikel III-100 bedoelde werkzaamheden van
de Raad van Ministers.
Het comité raadpleegt voor de vervulling van zijn opdracht de
sociale partners.
Iedere lidstaat en de Europese Commissie benoemen elk twee leden van
het comité.
AFDELING 2
HET SOCIAAL BELEID
Artikel III-103
De Unie en de lidstaten stellen zich, indachtig de sociale grondrechten
zoals vastgelegd in het op
18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en
in het Gemeenschapshandvest
van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de
bevordering van de werk-
gelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en
van de arbeidsvoorwaarden,
zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang
wordt mogelijk gemaakt,
alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling
van de menselijke
hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te
maken, en de bestrijding
van uitsluiting.
Te dien einde houden de Unie en de lidstaten in hun handelen rekening
met de verscheidenheid van
de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen,
alsmede met de
noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Unie te handhaven.
De Unie en de lidstaten zijn van oordeel dat de bovengeschetste ontwikkeling
zowel uit de werking
van de interne markt - waardoor de harmonisatie der sociale stelsels
zal worden bevorderd - als uit
de in de Grondwet bepaalde procedures en het nader tot elkaar brengen
van wettelijke en bestuurs-
rechtelijke bepalingen zal voortvloeien.
Artikel III-104
1. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-103 wordt
het optreden van de lidstaten
op de volgende gebieden door de Unie ondersteund en aangevuld:
a) de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers,
in het bijzonder door
verbetering van de arbeidsomstandigheden;
b) de arbeidsvoorwaarden;
c) de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers;
d) de bescherming van werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
e) de informatieverstrekking aan en de raadpleging van werknemers;
f) de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen
van werknemers en werk-
gevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid
6;
g) de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
die op wettige wijze op
het grondgebied van de Unie verblijven;
h) de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten,
onverminderd
artikel III-183;
i) de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt
en de behandeling
op het werk betreft;
j) de bestrijding van sociale uitsluiting;
k) de modernisering van de stelsels voor sociale bescherming, onverminderd
punt c).
2. Te dien einde:
a) kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen worden vastgesteld
die erop gericht zijn de
samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven
ter ver-
betering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie
en optimale
praktijken, bevordering van een innovatieve aanpak en evaluatie van
ervaringen, met
uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke
regelingen van
de lidstaten;
b) kunnen op de in lid 1, onder a) tot en met i), bedoelde gebieden
bij Europese kaderwet
minimumvoorschriften worden vastgesteld die geleidelijk van toepassing
zullen worden, met
inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden
en technische voor-
schriften. In deze Europese kaderwet wordt vermeden zodanige administratieve,
financiële en
juridische verplichtingen op te leggen, dat de oprichting en ontwikkeling
van kleine en
middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.
In alle gevallen wordt de Europese wet of kaderwet vastgesteld na raadpleging
van het Comité van
de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité.
3. In afwijking van lid 2 wordt op de in lid 1, onder c), d), f) en
g), bedoelde gebieden de Europese
wet of kaderwet door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen
vastgesteld, na
raadpleging van het Europees Parlement, het Comité van de Regio's
en het Economisch en Sociaal
Comité.
Op voorstel van de Europese Commissie kan de Raad van Ministers een
Europees besluit
vaststellen waarbij de gewone wetgevingsprocedure van toepassing wordt
verklaard op lid 1,
onder d), f) en g). De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na
raadpleging van het Europees
Parlement.
4. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij daar gezamenlijk
om verzoeken, belasten met de
uitvoering van de krachtens lid 2 vastgestelde Europese kaderwetten.
In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners
uiterlijk op de datum waarop een
Europese kaderwet moet zijn omgezet de nodige maatregelen bij overeenkomst
hebben ingevoerd.
De betrokken lidstaat moet zelf alle maatregelen treffen om te allen
tijde te waarborgen dat de in de
genoemde kaderwet voorgeschreven resultaten worden bereikt.
5. De krachtens dit artikel vastgestelde Europese wetten en kaderwetten:
a) laten het recht van de lidstaten, de fundamentele beginselen van
hun socialezekerheidsstelsel
vast te stellen, onverlet en mogen geen aanmerkelijke gevolgen hebben
voor het financiële
evenwicht van dat stelsel;
b) beletten niet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad
van bescherming handhaaft of
invoert welke met de Grondwet verenigbaar zijn.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van
vereniging, het stakingsrecht of het
recht tot uitsluiting.
Artikel III-105
1. De Europese Commissie heeft tot taak de raadpleging van de sociale
partners op het niveau van
de Unie te bevorderen en stelt alle maatregelen vast die ertoe kunnen
dienen, door middel van een
evenwichtige ondersteuning van de partijen, de dialoog tussen de
partners te vergemakkelijken.
2. Daartoe raadpleegt de Europese Commissie, alvorens voorstellen
op het gebied van het sociaal
beleid in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting
van een optreden van de Unie.
3. Indien de Europese Commissie na deze raadpleging van mening is
dat een optreden van de Unie
wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van
het voorgenomen voorstel. De
sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval,
een aanbeveling
toekomen.
4. Ter gelegenheid van deze raadpleging kunnen de sociale partners
de Europese Commissie in
kennis stellen van hun wens het in artikel III-106 bedoelde proces
in te leiden. De procedure neemt
ten hoogste negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale
partners en de Commissie
gezamenlijk besluiten tot verlenging.
Artikel III-106
1. De dialoog tussen de sociale partners op het niveau van de Unie
kan, indien de sociale partners
zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip
van overeenkomsten.
2. De uitvoering van de op het niveau van de Unie gesloten overeenkomsten
geschiedt hetzij
volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale
partners en aan de lidstaten, hetzij,
voor zaken die onder artikel III-104 vallen, op gezamenlijk verzoek
van de ondertekenende partijen,
bij Europese verordeningen of besluiten, vastgesteld door de Raad
van Ministers op voorstel van de
Europese Commissie. Het Europees Parlement wordt hiervan in kennis
gesteld.
Indien de betrokken overeenkomst een of meer bepalingen bevat die
betrekking hebben op een van
de gebieden waarvoor krachtens artikel III-104, lid 3, eenparigheid
van stemmen vereist is, besluit
de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen.
Artikel III-107
Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-103 en
onverminderd de andere
bepalingen van de Grondwet, bevordert de Europese Commissie de
samenwerking tussen de
lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden
op alle door deze afdeling
bestreken gebieden van het sociaal beleid, met name op het terrein
van:
a) de werkgelegenheid,
b) het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden,
c) de beroepsopleiding en de bijscholing,
d) de sociale zekerheid,
e) de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten,
f) de arbeidshygiëne,
g) het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve
onderhandelingen tussen
werkgevers en werknemers.
Te dien einde werkt de Europese Commissie nauw samen met de lidstaten
bij het verrichten van
studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg,
zowel omtrent vraagstukken op
nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale
organisaties aangaan, met name
door middel van initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast
te stellen, de uitwisseling van
beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog
op periodieke controle en evaluatie
te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis
gesteld.
Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen,
raadpleegt de Europese Commissie het
Economisch en Sociaal Comité.
Artikel III-108
1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke
beloning van mannelijke en
vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid
wordt toegepast.
2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden
verstaan het gewone basis- of minimum-
loon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura
die de werknemer uit hoofde van zijn
dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.
Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:
a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld
op basis van eenzelfde
maatstaf;
b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor
een zelfde functie.
3. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld
om de toepassing te waarborgen
van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling
van mannen en vrouwen in werk-
gelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke
beloning voor gelijke of gelijk-
waardige arbeid. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld
na raadpleging van het
Economisch en Sociaal Comité.
4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat,
om volledige gelijkheid van
mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren,
maatregelen handhaaft of
aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de
uitoefening van een beroeps-
activiteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken
of om nadelen in de
beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.
Artikel III-109
De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van
de bepalingen omtrent betaalde
vakantie te handhaven.
Artikel III-110
De Europese Commissie stelt ieder jaar een voortgangsverslag
op over de verwezenlijking van de
doelstellingen van artikel III-98 en over de demografische
situatie in de Unie. Zij zendt dit verslag
toe aan het Europees Parlement, aan de Raad van Ministers
en aan het Economisch en Sociaal
Comité.
Artikel III-111
De Raad van Ministers stelt bij gewone meerderheid een Europees
besluit vast tot instelling van een
comité voor sociale bescherming met een adviestaak, teneinde
de samenwerking tussen de lidstaten
onderling en met de Europese Commissie op het gebied van
de sociale bescherming te bevorderen.
De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees
Parlement.
Het comité heeft tot taak:
a) toe te zien op de sociale situatie en de ontwikkeling
van het beleid inzake sociale bescherming
in de lidstaten en de Unie;
b) de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede
praktijken tussen de lidstaten onderling
en met de Europese Commissie te vergemakkelijken;
c) onverminderd artikel III-247, verslagen op te stellen,
adviezen uit te brengen of andere
activiteiten te ontplooien op gebieden die onder zijn bevoegdheid
vallen, hetzij op verzoek
van de Raad van Ministers of van de Europese Commissie,
hetzij op eigen initiatief.
Voor de vervulling van zijn opdracht legt het comité de
nodige contacten met de sociale partners.
Iedere lidstaat en de Europese Commissie benoemen twee
leden van het comité.
Artikel III-112
De Europese Commissie wijdt in haar jaarverslag aan het
Europees Parlement een afzonderlijk
hoofdstuk aan de ontwikkeling van de sociale toestand
in de Unie.
Het Europees Parlement kan de Europese Commissie verzoeken
verslagen op te stellen over
bijzondere vraagstukken betreffende de sociale toestand.
Onderafdeling 1
Het Europees Sociaal Fonds
Artikel III-113
Teneinde de werkgelegenheid voor de werknemers in de interne markt
te verbeteren en zodoende
bij te dragen tot verhoging van de levensstandaard, wordt een Europees
Sociaal Fonds opgericht.
Dit Fonds heeft ten doel binnen de Unie de tewerkstelling te vergemakkelijken
en de geografische
en beroepsmobiliteit van de werknemers te bevorderen, alsmede de aanpassing
aan veranderingen
in het bedrijfsleven en in productiestelsels gemakkelijker te maken,
met name door
beroepsopleiding en omscholing.
Artikel III-114
De Europese Commissie beheert het Fonds.
Zij wordt in deze taak bijgestaan door een comité dat onder
het voorzitterschap staat van een lid
van de Europese Commissie en samengesteld is uit vertegenwoordigers
van de lidstaten en van de
vakverenigingen van werknemers en van werkgevers.
Artikel III-115
De uitvoeringsmaatregelen betreffende het Europees Sociaal Fonds worden
bij Europese wet vast-
gesteld. Deze wordt na raadpleging van het Comité van de Regio's
en van het Economisch en
Sociaal Comité vastgesteld.
AFDELING 3
DE ECONOMISCHE, SOCIALE EN TERRITORIALE SAMENHANG
Artikel III-116
Teneinde de harmonische ontwikkeling van de Unie in haar geheel te
bevorderen, ontwikkelt en
vervolgt de Unie haar optreden ter versterking van de economische,
sociale en territoriale
samenhang.
De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen
de ontwikkelingsniveaus van de
onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's
of eilanden, met inbegrip
van de plattelandsgebieden, te verkleinen.
Artikel III-117
De lidstaten voeren hun economisch beleid en coördineren dit mede
met het oog op het verwezen-
lijken van de doelstellingen van artikel III-116. Bij de vaststelling
en de tenuitvoerlegging van het
beleid en van de maatregelen van de Unie en bij de totstandbrenging
van de interne markt wordt
rekening gehouden met deze doelstellingen en wordt ernaar gestreefd
dat deze bijdragen tot de
verwezenlijking daarvan. De Unie ondersteunt deze verwezenlijking tevens
door haar optreden via
de structuurfondsen (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor
de landbouw, afdeling Oriëntatie,
Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor regionale ontwikkeling),
de Europese
Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten.
De Europese Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement,
aan de Raad van
Ministers, aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch
en Sociaal Comité verslag uit over
de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische,
sociale en territoriale
samenhang, alsmede over de wijze waarop de diverse in dit artikel bedoelde
middelen daartoe
hebben bijgedragen. Dit verslag gaat in voorkomend geval vergezeld
van passende voorstellen.
Specifieke maatregelen kunnen bij Europese wet of kaderwet buiten de
fondsen om worden
vastgesteld, onverminderd de maatregelen die in het kader van ander
beleid van de Unie worden
vastgesteld. De Europese wet of kaderwet wordt na raadpleging van het
Comité van de Regio's en
van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.
Artikel III-118
Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling is bedoeld om een
bijdrage te leveren aan het
ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden
in de Unie, door deel te nemen
aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met
een ontwikkelingsachterstand en
aan de omschakeling van industriegebieden met teruglopende economische
activiteit.
Artikel III-119
Onverminderd artikel III-120, worden bij Europese wet de taken, de
prioritaire doelstellingen en de
organisatie van de structuurfondsen vastgesteld - hetgeen ook samenvoeging
van de fondsen kan
omvatten - en de algemene regels die voor deze fondsen gelden, alsmede
de bepalingen die nodig
zijn voor de doeltreffende werking van de fondsen en de coördinatie
tussen de fondsen onderling en
met de andere bestaande financieringsinstrumenten.
Een bij Europese wet opgericht cohesiefonds levert een financiële
bijdrage aan projecten op het
gebied van milieu en trans-Europese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur.
De Europese wet wordt in alle gevallen na raadpleging van het Comité van
de Regio's en van het
Economisch en Sociaal Comité vastgesteld. De Raad van Ministers
besluit tot 1 januari 2007 met
eenparigheid van stemmen.
Artikel III-120
De toepassingsmaatregelen met betrekking tot het Europees Fonds voor
regionale ontwikkeling
worden bij Europese wet vastgesteld. De wet wordt na raadpleging van
het Comité van de Regio's
en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.
Ten aanzien van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor
de landbouw, afdeling Oriëntatie,
en het Europees Sociaal Fonds zijn onderscheidenlijk de artikelen III-127
en III-115 van toepassing.
AFDELING 4
LANDBOUW EN VISSERIJ
Artikel III-121
De Unie stelt een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid vast
en voert dit uit.
Onder landbouwproducten worden verstaan de voortbrengselen van
bodem, veeteelt en visserij,
alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de
genoemde voortbrengselen
rechtstreeks verband houden. Verwijzingen naar het gemeenschappelijk
landbouwbeleid of naar de
landbouw gelden tevens als verwijzing naar de visserij, gezien
de bijzondere kenmerken van de
visserijsector.
Artikel III-122
1. De interne markt omvat mede de landbouw en de handel in landbouwproducten.
2. Voorzover in de artikelen III-123 tot en met III-128 niet anders
is bepaald, zijn de regels voor de
instelling van de interne markt van toepassing op landbouwproducten.
3. De in bijlage I * vermelde producten vallen onder de artikelen
III-123 tot en met III-128.
4. De werking en de ontwikkeling van de interne markt voor de
landbouwproducten dienen gepaard
te gaan met de totstandkoming van een gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Artikel III-123
1. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft ten doel:
a) de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de
technische vooruitgang te
bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie
als een
optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten,
te bewerkstelligen,
b) aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard
te verzekeren, met name door de
verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw
werkzaam zijn,
c) de markten te stabiliseren,
d) de voorziening veilig te stellen,
e) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.
2. Bij de totstandbrenging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
en van de daarvoor te treffen
bijzondere voorzieningen zal rekening gehouden worden met:
a) de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit
uit de maatschappelijke
structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke
ongelijkheid tussen de
verschillende landbouwgebieden,
b) de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen,
c) het feit, dat de landbouwsector in de lidstaten nauw verweven is
met de gehele economie.
Artikel III-124
1. Om de in artikel III-123 genoemde doelstellingen te verwezenlijken
wordt een gemeenschappe-
lijke ordening van de landbouwmarkten tot stand gebracht.
Naar gelang van de producten neemt deze ordening een van de volgende
vormen aan:
a) gemeenschappelijke regels inzake mededinging,
b) verplichte coördinatie van de verschillende nationale marktorganisaties,
c) een Europese marktorganisatie.
2. De gemeenschappelijke ordening in een der in lid 1 vermelde vormen
kan alle maatregelen mede-
brengen welke noodzakelijk zijn om de in artikel III-123 genoemde
doelstellingen te
verwezenlijken, met name prijsregelingen, subsidies zowel voor de
productie als voor het in de
handel brengen der verschillende producten, systemen van voorraadvorming
en opslag en
gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie
van de in- of uitvoer.
De gemeenschappelijke ordening moet zich beperken tot het nastreven
van de in artikel III-123
genoemde doelstellingen en iedere discriminatie tussen producenten
of verbruikers in de Unie
uitsluiten.
Een eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid moet op gemeenschappelijke
criteria en op een-
vormige berekeningswijzen berusten.
3. Om de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke ordening aan haar doel
te laten beantwoorden,
kunnen een of meer oriëntatie- en garantiefondsen voor de landbouw
in het leven worden geroepen.
Artikel III-125
Ter verwezenlijking van de in artikel III-123 genoemde doeleinden
kunnen in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid met name maatregelen worden getroffen
met betrekking tot:
a) een doeltreffende coördinatie van hetgeen ondernomen wordt
op het gebied van beroeps-
opleiding, landbouwkundig onderzoek en landbouwkundige voorlichting,
welke coördinatie
gemeenschappelijk gefinancierde projecten of instellingen kan omvatten,
b) gemeenschappelijke acties voor de ontwikkeling van het verbruik
van bepaalde producten.
Artikel III-126
1. De afdeling over regels betreffende de mededinging is op de voortbrenging
van en de handel in
landbouwproducten slechts in zoverre van toepassing, als bij Europese
wet of kaderwet met inacht-
neming van de in artikel III-127, lid 2, vermelde doelstellingen en
overeenkomstig artikel III-123
wordt bepaald.
2. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie
een Europese verordening of
een Europees besluit vaststellen waarbij machtiging wordt gegeven tot
het verlenen van steun:
a) ter bescherming van door structurele of natuurlijke omstandigheden
benadeelde bedrijven,
b) in het kader van economische ontwikkelingsplannen.
Artikel III-127
1. De Europese Commissie doet voorstellen voor de totstandbrenging
en de uitvoering van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid, waaronder begrepen de vervanging
van nationale organisaties
door een van de in artikel III-124, lid 1, genoemde vormen van gemeenschappelijke
ordening en de
uitvoering van de in deze afdeling vermelde maatregelen.
Deze voorstellen houden rekening met de samenhang van de in deze afdeling
genoemde
landbouwaspecten.
2. Bij Europese wet of kaderwet wordt de in artikel III-124, lid 1,
bedoelde gemeenschappelijke
ordening van de landbouwmarkt ingesteld en worden de overige bepalingen
vastgesteld die nodig
zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
na te streven. De wet of
kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal
Comité.
3. De Raad van Ministers regelt op voorstel van de Europese Commissie
bij Europese verordening
of bij Europees besluit de prijsbepaling, de heffingen, de steun en
de kwantitatieve beperkingen,
alsook de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.
4. De in artikel III-124, lid 1, genoemde gemeenschappelijke ordening
kan overeenkomstig lid 2 in
de plaats worden gesteld van nationale marktorganisaties:
a) indien de gemeenschappelijke ordening aan lidstaten die tegen deze
maatregelen gekant zijn
en die zelf over een nationale organisatie voor de betrokken productie
beschikken, gelijk-
waardige waarborgen biedt inzake de werkgelegenheid en de levensstandaard
van de
betrokken producenten, met inachtneming van de snelheid van de mogelijke
aanpassingen en
van de noodzakelijke specialisatie, en
b) indien deze ordening het handelsverkeer binnen de Unie soortgelijke
voorwaarden biedt als die
welke op de nationale markt bestaan.
5. Indien voor bepaalde grondstoffen een gemeenschappelijke ordening
in het leven wordt geroepen
voordat er een gemeenschappelijke ordening voor de overeenkomstige
verwerkte producten bestaat,
mogen de betrokken grondstoffen die gebruikt worden voor de producten
welke voor uitvoer naar
derde landen zijn bestemd, van buiten de Unie worden ingevoerd.
Artikel III-128
Indien in een lidstaat een product onder een nationale marktorganisatie
valt of onder een
binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige
productie in een andere lidstaat
bij de mededinging nadelig beïnvloedt, leggen de lidstaten een
compenserende heffing op de invoer
van dat product uit de lidstaat waar de organisatie of de regeling
bestaat, tenzij deze staat een
compenserende heffing op de uitvoer toepast.
De Europese Commissie regelt bij Europese verordening of Europees
besluit de hoogte van deze
heffingen zodanig als nodig is om het evenwicht te herstellen. Zij
kan eveneens machtiging
verlenen tot het nemen van andere maatregelen waarvan zij de voorwaarden
en wijze van
toepassing vaststelt.
AFDELING 5
HET MILIEU
Artikel III-129
1. Het beleid van de Unie op milieugebied draagt bij tot het nastreven
van de volgende doel-
stellingen:
a) behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het
milieu;
b) bescherming van de gezondheid van de mens;
c) behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
d) bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd
te bieden aan regionale of
mondiale milieuproblemen.
2. De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van
bescherming, rekening houdend
met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van
de Unie. Het beleid van de Unie
berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief
handelen, het beginsel dat
milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden,
en het beginsel, dat de
vervuiler betaalt.
In dit verband bevatten de harmonisatiemaatregelen die voldoen
aan de eisen inzake
milieubescherming, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen,
een vrijwaringsclausule op
grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige
regelingen kunnen
treffen welke aan een controleprocedure van de Unie onderworpen
zijn.
3. Bij het bepalen van het beleid op milieugebied houdt de Unie
rekening met:
a) de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;
b) de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio's van de Unie;
c) de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden,
onderscheidenlijk niet-optreden;
d) de economische en sociale ontwikkeling van de Unie als geheel
en de evenwichtige ontwikke-
ling van de regio's.
4. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie
en de lidstaten samen met
derde landen en de op milieugebied bevoegde internationale organisaties.
De regels voor deze
samenwerking kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten tussen
de Unie en de betrokken derde
partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig
artikel III-272.
De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten
om in internationale fora te
onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.
Artikel III-130
1. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om
de doelstellingen van
artikel III-129 te verwezenlijken. De wet of kaderwet wordt vastgesteld
na raadpleging van het
Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
2. In afwijking van lid 1 en onverminderd artikel III-65, stelt de
Raad van Ministers met
eenparigheid van stemmen Europese wetten of kaderwetten vast met betrekking
tot:
a) maatregelen van in hoofdzaak fiscale aard;
b) maatregelen die van invloed zijn op:
i) de ruimtelijke ordening;
ii) het kwantitatieve waterbeheer, of die rechtstreeks dan wel zijdelings
betrekking hebben
op de beschikbaarheid van de watervoorraden;
iii) de bodembestemming, met uitzondering van het afvalstoffenbeheer;
c) maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een
lidstaat tussen verschil-
lende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.
De Raad van Ministers kan bij Europese wet met eenparigheid van stemmen
bepalen dat de gewone
wetgevingsprocedure van toepassing wordt op de in de eerste alinea
bedoelde aangelegenheden.
De Raad van Ministers besluit in alle gevallen na raadpleging van het
Europees Parlement, van het
Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
3. Bij Europese wet worden algemene actieprogramma's vastgesteld waarin
de te verwezenlijken
prioritaire doelstellingen worden vastgelegd. Deze wet wordt vastgesteld
na raadpleging van het
Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
De voor de uitvoering van die programma's nodige maatregelen worden
vastgesteld overeenkomstig
lid 1, respectievelijk lid 2.
4. Onverminderd bepaalde door de Unie vastgestelde maatregelen, dragen
de lidstaten zorg voor de
financiering en de uitvoering van het milieubeleid.
5. Onverminderd het beginsel, dat de vervuiler betaalt, behelst een
op grond van lid 1 vastgestelde
maatregel die voor de overheid van een lidstaat onevenredig hoge kosten
met zich meebrengt:
a) ontheffingen van tijdelijke aard en/of
b) financiële steun uit het Cohesiefonds.
Artikel III-131
De beschermende bepalingen die worden vastgesteld uit hoofde van artikel
III-130, beletten niet dat
een lidstaat verdergaande beschermende bepalingen vaststelt. Zulke
bepalingen moeten verenigbaar
zijn met de Grondwet. Zij worden ter kennis gebracht van de Europese
Commissie.
AFDELING 6
CONSUMENTENBESCHERMING
Artikel III-132
1. Om de belangen van consumenten te bevorderen en een hoog niveau
van consumenten-
bescherming te waarborgen, draagt de Unie bij tot de bescherming van
de gezondheid, de veiligheid
en de economische belangen van consumenten, alsmede tot de bevordering
van hun recht op
voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen
te behartigen.
2. De Unie draagt bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde
doelstellingen door middel
van:
a) maatregelen die op grond van artikel III-65 in het kader van de
totstandbrenging van de interne
markt worden vastgesteld;
b) maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan
te vullen en te controleren.
3. De in lid 2, onder b), bedoelde maatregelen worden bij Europese
wet of kaderwet vastgesteld. De
wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch
en Sociaal Comité.
4. De uit hoofde van lid 3 vastgestelde handelingen beletten niet dat
een lidstaat regelingen voor een
hogere graad van bescherming handhaaft of treft. Deze bepalingen moeten
verenigbaar zijn met de
Grondwet. Zij worden ter kennis gebracht van de Europese Commissie.
AFDELING 7
VERVOER
Artikel III-133
De doelstellingen van de Grondwet worden wat het in deze titel geregelde
onderwerp betreft
nagestreefd in het kader van een gemeenschappelijk vervoerbeleid.
Artikel III-134
1. Bij Europese wet of kaderwet wordt artikel III-133 uitgevoerd, met
inachtneming van de
bijzondere aspecten van het vervoer. De wet wordt vastgesteld na raadpleging
van het Comité van
de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
De Europese wet of kaderwet behelst:
a) gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer vanuit of
naar het grondgebied van een
lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten,
b) de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot
nationaal vervoer in
een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn,
c) maatregelen ter verbetering van de veiligheid van het vervoer,
d) alle overige dienstige maatregelen.
Artikel III-135
Totdat de in artikel III-134, eerste alinea, bedoelde Europese wet
of kaderwet is vastgesteld, en
behoudens vaststelling met eenparigheid van stemmen van een Europees
besluit van de Raad van
Ministers waarbij een afwijking wordt toegestaan, mag geen enkele lidstaat
de onderscheidende
bepalingen, die terzake gelden vanaf 1 januari 1958 of, voor de toetredende
staten, vanaf de datum
van hun toetreding, zodanig veranderen, dat zij daardoor in hun rechtstreekse
of zijdelingse
uitwerking minder gunstig worden voor vervoerondernemers uit overige
lidstaten dan voor de
nationale vervoerondernemers.
Artikel III-136
Met deze Grondwet zijn verenigbaar steunmaatregelen die beantwoorden
aan de behoeften van de
coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding
van bepaalde met het begrip
"openbare dienst" verbonden, verplichte dienstverrichtingen.
Artikel III-137
Bij iedere in het kader van deze Grondwet vastgestelde maatregel op
het gebied van vrachtprijzen
en vervoervoorwaarden dient de economische toestand van de vervoerondernemers
in aanmerking
te worden genomen.
Artikel III-138
1. In het verkeer binnen de Unie is iedere discriminatie verboden die
erin bestaat dat een vervoer-
ondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en
vervoervoorwaarden voor
gelijke goederen hanteert naar gelang van de lidstaat van herkomst
of van bestemming van de
vervoerde waren.
2. Lid 1 sluit niet uit dat krachtens artikel III-134, eerste alinea,
andere Europese wetten of
kaderwetten kunnen worden vastgesteld.
3. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie
Europese verordeningen of
besluiten vast die erop zijn gericht de uitvoering van lid 1 te waarborgen.
De Raad besluit na
raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal
Comité.
De Raad van Ministers kan met name bij Europese verordening of bij
Europees besluit het nodige
regelen om de instellingen in staat te stellen te waken over de naleving
van het in lid 1 genoemde
voorschrift en om te bewerkstelligen dat de gebruikers volledig voordeel
hebben van dit voorschrift.
4. De Europese Commissie onderzoekt eigener beweging of op verzoek
van een lidstaat de in lid 1
bedoelde gevallen van discriminatie en stelt na raadpleging van iedere
belanghebbende lidstaat in
het kader van de in lid 3 bedoelde Europese verordeningen of besluiten
de nodige Europese
besluiten vast.
Artikel III-139
1. Behoudens machtiging op grond van een Europees besluit van de Europese
Commissie, is het een
lidstaat verboden voor vervoer binnen de Unie prijzen en voorwaarden
op te leggen die enig
element van steun of bescherming in het belang van een of meer ondernemingen
of bepaalde
industrieën inhouden.
2. De Europese Commissie onderwerpt eigener beweging of op verzoek
van een lidstaat de in lid 1
bedoelde prijzen en voorwaarden aan een onderzoek en houdt daarbij
rekening met, enerzijds, de
vereisten van een passend regionaal economisch beleid, de behoeften
van minder ontwikkelde
gebieden en de moeilijkheden die zich in door politieke omstandigheden
ernstig benadeelde streken
voordoen, en, anderzijds, de gevolgen van die prijzen en voorwaarden
voor de mededinging tussen
de verschillende takken van vervoer.
De Europese Commissie stelt na raadpleging van iedere betrokken lidstaat
de nodige Europese
besluiten vast.
3. Het in lid 1 bedoelde verbod is niet van toepassing op mededingingstarieven.
Artikel III-140
De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een
vervoerondernemer in verband
met grensoverschrijding in rekening worden gebracht, mogen een redelijk
peil niet te boven gaan,
gelet op de werkelijke kosten die door de grensoverschrijding feitelijk
zijn veroorzaakt.
De lidstaten streven naar een verlaging van deze kosten.
De Europese Commissie kan de lidstaten aanbevelingen doen voor de toepassing
van dit artikel.
Artikel III-141
De bepalingen van deze afdeling staan in de Bondsrepubliek Duitsland
genomen maatregelen niet
in de weg, voorzover deze noodzakelijk zijn om de economische nadelen
welke door de deling van
Duitsland zijn berokkend aan de economie van de door de deling getroffen
streken in de
Bondsrepubliek te compenseren.
Artikel III-142
Een comité van raadgevende aard, bestaande uit door de regeringen
van de lidstaten aangewezen
deskundigen, wordt aan de Europese Commissie toegevoegd. De Commissie
raadpleegt het comité
over vervoeraangelegenheden zo dikwijls zij dat nodig acht.
Artikel III-143
1. Deze afdeling is van toepassing op het vervoer per spoor, over de
weg en over de binnenwateren.
2. Bij Europese wet of kaderwet kunnen passende maatregelen worden
vastgesteld voor de zeevaart
en de luchtvaart. Deze wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging
van het Comité van de
Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
AFDELING 8
TRANS-EUROPESE NETWERKEN
Artikel III-144
1. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen
III-14 en III-116 bedoelde
doelstellingen en om de burgers van de Unie, de economische subjecten,
alsmede de regionale en
lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te trekken
van de voordelen die uit de
totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen voortvloeien, draagt
de Unie bij tot de
totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het
gebied van vervoers-,
telecommunicatie- en energie-infrastructuur.
2. In het kader van een stelsel van open en concurrerende markten is
het optreden van de Unie
gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit
van nationale
netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken. Daarbij wordt
de noodzaak in aanmerking
genomen om verbindingen tot stand te brengen tussen insulaire, niet
aan zee grenzende en perifere
regio's en de centrale regio's van de Unie.
Artikel III-145
1. Voor de verwezenlijking van de in artikel III-144 genoemde doelstellingen:
a) stelt de Unie een geheel van richtsnoeren op betreffende de doelstellingen,
de prioriteiten en
de grote lijnen van de op het gebied van trans-Europese netwerken voorgenomen
maatregelen; in deze richtsnoeren worden projecten van gemeenschappelijk
belang
aangegeven;
b) treft de Unie alle maatregelen die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit
van de
netwerken te bewerkstelligen, met name op het gebied van de harmonisatie
van technische
normen;
c) kan de Unie steun verlenen aan door de lidstaten gesteunde projecten
van gemeenschappelijk
belang, die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de onder a)
bedoelde richtsnoeren,
met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen
of rentesubsidies;
de Unie kan ook uit het Cohesiefonds bijdragen aan de financiering
van projecten in de
lidstaten op het terrein van de vervoersinfrastructuur.
Bij het optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de economische
levensvatbaarheid van
de projecten.
2. Bij Europese wet of kaderwet worden de in lid 1 bedoelde richtsnoeren
en andere maatregelen
vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van
het Comité van de Regio's
en van het Economisch en Sociaal Comité.
Voor richtsnoeren en projecten van gemeenschappelijk belang die betrekking
hebben op het grond-
gebied van een lidstaat, is de goedkeuring van de betrokken lidstaat
vereist.
3. De lidstaten coördineren in samenspraak met de Europese Commissie
het nationaal beleid
voorzover dat van grote invloed kan zijn op de verwezenlijking van de
in artikel III-144 bedoelde
doelstellingen. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten
alle dienstige
initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen.
4. De Unie kan met derde landen samenwerken om projecten van gemeenschappelijk
belang te
bevorderen en de interoperabiliteit van de netwerken te bewerkstelligen.
AFDELING 9
ONDERZOEK EN TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING
Artikel III-146
1. De Unie streeft ernaar de wetenschappelijke en technologische
grondslagen van de industrie van
de Unie te versterken en de ontwikkeling van de internationale
concurrentiepositie van de Unie te
begunstigen, alsmede de onderzoekactiviteiten te bevorderen die
uit hoofde van andere hoofd-
stukken van de Grondwet nodig worden geacht.
2. Te dien einde stimuleert zij in de gehele Unie ondernemingen,
waaronder kleine en middelgrote
ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten bij hun inspanningen
op het gebied van
hoogwaardig onderzoek en hoogwaardige technologische ontwikkeling.
De Unie ondersteunt hun
streven naar onderlinge samenwerking, waarbij het beleid er vooral
op gericht is onderzoekers in
staat te stellen vrijelijk samen te werken over de grenzen heen,
en ondernemingen in staat te stellen
de mogelijkheden van de interne markt te benutten, in het bijzonder
door openstelling van de
nationale overheidsopdrachten, vaststelling van gemeenschappelijke
normen en opheffing van de
wettelijke en fiscale belemmeringen welke die samenwerking in de
weg staan.
3. Alle activiteiten van de Unie uit hoofde van de Grondwet, met
inbegrip van demonstratie-
projecten, op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling
worden vastgesteld en
uitgevoerd overeenkomstig deze afdeling.
Artikel III-147
Voor de verwezenlijking van de in artikel III-141 genoemde doelstellingen
onderneemt de Unie de
volgende activiteiten, die de activiteiten van de lidstaten aanvullen:
a) uitvoering van programma's voor onderzoek, technologische
ontwikkeling en demonstratie,
waarbij de samenwerking met en tussen ondernemingen, onderzoekcentra
en universiteiten
wordt bevorderd;
b) bevordering van de samenwerking van de Unie met derde landen
en internationale
organisaties inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en
demonstratie;
c) verspreiding en exploitatie van de resultaten van de activiteiten
van de Unie inzake
onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;
d) stimulering van de opleiding en de mobiliteit van onderzoekers
in de Unie.
Artikel III-148
1. De Unie en de lidstaten coördineren hun activiteiten op het
gebied van onderzoek en
technologische ontwikkeling om zodoende de onderlinge samenhang van
het beleid van de lidstaten
en het beleid van de Unie te verzekeren.
2. De Europese Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten
initiatieven nemen om de
in lid 1 bedoelde coördinatie te bevorderen, met name initiatieven
om richtsnoeren en indicatoren
vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en
de nodige elementen met het oog
op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement
wordt ten volle in
kennis gesteld.
Artikel III-149
1. Bij Europese wet wordt het meerjarenkaderprogramma vastgesteld waarin
alle activiteiten van de
Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling zijn
opgenomen. Deze wet wordt
aangenomen na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
In het kaderprogramma:
a) worden de wetenschappelijke en technologische doelstellingen die
met de in artikel III-147
bedoelde activiteiten moeten worden verwezenlijkt, alsmede de daarmee
samenhangende
prioriteiten, vastgesteld;
b) worden de grote lijnen van deze activiteiten aangegeven;
c) worden het totale maximumbedrag van en regels voor de financiële
deelneming van de Unie
aan het kaderprogramma, alsmede de onderscheiden deelbedragen voor
elk van de
voorgenomen activiteiten, vastgelegd.
2. Het kaderprogramma wordt naar gelang van de ontwikkeling van de
situatie aangepast of
aangevuld.
3. Het kaderprogramma wordt uitgevoerd door middel van specifieke programma's
die binnen
iedere activiteit worden ontwikkeld. In ieder specifiek programma worden
de bepalingen voor de
uitvoering ervan, de looptijd en de nodig geachte middelen vastgelegd.
Het totaal van de in de
specifieke programma's vastgelegde bedragen mag niet meer belopen dan
het voor het
kaderprogramma en voor iedere activiteit vastgelegde totale maximumbedrag.
4. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie
de Europese verordeningen
of besluiten houdende de specifieke programma's vast. Hij besluit na
raadpleging van het Europees
Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.
Artikel III-150
Voor de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma worden bij Europese
wet of kaderwet de
volgende regels vastgesteld:
a) de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra
en universiteiten;
b) de regels voor de verspreiding van de onderzoeksresultaten.
De Europese wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het
Economisch en Sociaal
Comité.
Artikel III-151
Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kunnen bij Europese
wet aanvullende
programma's worden vastgesteld waaraan alleen wordt deelgenomen door
bepaalde lidstaten, die
zorg dragen voor de financiering daarvan, onder voorbehoud van eventuele
deelneming van de
Unie.
Bij deze wet worden de regels voor de aanvullende programma's vastgesteld,
met name voor wat
betreft de verspreiding van de kennis en de toegang van andere lidstaten.
Deze wet wordt aange-
nomen na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en
met de goedkeuring van de
betrokken lidstaten.
Artikel III-152
Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kan een Europese
wet voorzien in deelneming
van de Unie aan door verscheidene lidstaten opgezette onderzoeks- en
ontwikkelingsprogramma's,
met inbegrip van deelneming aan de voor de uitvoering van die programma's
tot stand gebrachte
structuren; deze deelneming betreft de goedkeuring van de betrokken
lidstaten.
Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal
Comité.
Artikel III-153
Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kan de Unie voorzien
in samenwerking van de
Unie met derde landen of internationale organisaties op het gebied
van onderzoek en technologische
ontwikkeling en demonstratie.
De regels voor deze samenwerking kunnen worden vastgesteld in overeenkomsten
tussen de Unie
en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die
worden gesloten overeen-
komstig artikel III-227.
Artikel III-154
De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie bij
Europese verordening of
Europees besluit vaststellen, dat gemeenschappelijke ondernemingen
of andere structuren worden
opgericht ten dienste van de goede uitvoering van programma's van de
Unie voor onderzoek en
technologische ontwikkeling en demonstratie. De Raad besluit na raadpleging
van het Europees
Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.
Artikel III-155
1. Om de wetenschappelijke en technische vooruitgang, het industriële
concurrentievermogen en de
uitvoering van haar beleid te bevorderen, stippelt de Unie een Europees
ruimtevaartbeleid uit.
Daartoe kan zij gemeenschappelijke initiatieven bevorderen, onderzoek
en technologische
ontwikkeling steunen en de nodige inspanningen coördineren voor
de verkenning en het gebruik
van de ruimte.
2. Om bij te dragen aan de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde
doelstellingen, worden bij
Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld, die de vorm kunnen
hebben van een speciaal
Europees ruimtevaartprogramma.
Artikel III-156
Aan het begin van ieder jaar legt de Europese Commissie aan het
Europees Parlement en aan de
Raad van Ministers een verslag voor. Dit verslag heeft betrekking
op de activiteiten inzake
onderzoek en technologische ontwikkeling en op verspreiding van de
resultaten in het voorafgaande
jaar, alsmede op het werkprogramma van het lopende jaar.
AFDELING 10
ENERGIE
Artikel III-157
1. In het kader van de totstandbrenging van de interne markt en rekening
houdend met de noodzaak
om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van
de Unie op het gebied van
energie erop gericht:
a) de werking van de energiemarkt te waarborgen,
b) de continuïteit van de energielevering in de Unie te waarborgen,
en
c) energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van
nieuwe en duurzame energie te
stimuleren.
2. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen ter bereiking van
de in lid 1 genoemde
doelstellingen vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na
raadpleging van het Comité
van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
3. De in lid 2 bedoelde wet of kaderwet is, onverminderd artikel III-130,
lid 2, onder c), niet van
invloed op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen
en de algemene structuur
van zijn energievoorziening.
1 | 2 | 3 | 4 | inhoud