index | democratie | republiek | burgerschap | politiek | globalisering | links

Burgerschapskunde
Globalisering: teksten | terug | print deze pagina | bron (*.pdf) en auteursrechten
De artikelen van het verdrag tot instelling van een grondwet voor Europa. Ontwerptekst (18 juli 2003)

Hierbij gaat voor de leden van de Conventie de definitieve tekst van het ontwerp-Verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa, in de versie die op 18 juli 2003 te Rome is voorgelegd
aan de voorzitter van de Europese Raad.

1 | 2 | 3 | 4 | inhoud

 

HOOFDSTUK IV

DE RUIMTE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID

AFDELING 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel III-158
1. De Unie is een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, waarin de grondrechten
geëerbiedigd worden en rekening wordt gehouden met de verschillende rechtstradities en -systemen
van de lidstaten.
2. De Unie zorgt ervoor dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht en zij
ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid op het gebied van asiel, immigratie en controle aan de
buitengrenzen, dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten en dat billijk is ten aanzien van de
onderdanen van derde landen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden staatlozen gelijkgesteld
met onderdanen van derde landen.
3. De Unie streeft ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van
maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat,
maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in
strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de wederzijdse erkenning van rechterlijke
beslissingen in strafzaken en, zo nodig, de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen.
4. De Unie vergemakkelijkt de toegang tot de rechter, met name door het beginsel van wederzijdse
erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in civiele zaken.

Artikel III-159
De Europese Raad stelt de strategische richtsnoeren van de wetgevende en operationele
programmering in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vast.

Artikel III-160
1. Met betrekking tot de voorstellen en wetgevingsinitiatieven die worden ingediend in het kader
van de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk, zien de nationale parlementen van de lidstaten erop toe,
dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd, en wel overeenkomstig de bijzondere bepalingen
in het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
De parlementen van de lidstaten kunnen deelnemen aan de evaluatiemechanismen van
artikel III-161 en aan de politieke controle van Europol en de evaluatie van de activiteiten van
Eurojust, overeenkomstig de artikelen III-177 en III-174.

Artikel III-161
Onverminderd de artikelen III-265 tot en met III-267, kan de Raad van Ministers op voorstel van de
Europese Commissie bij Europese verordening of Europees besluit vaststellen, dat de lidstaten in
samenwerking met de Commissie een objectieve en onpartijdige evaluatie van de uitvoering, door
de autoriteiten van de lidstaten, van het door dit hoofdstuk bestreken beleid van de Unie kunnen
verrichten, met name ter bevordering van de volledige toepassing van het beginsel van wederzijdse
erkenning. Het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten worden op de
hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van die evaluatie.

Artikel III-162
Binnen de Raad van Ministers wordt een permanent comité opgericht om ervoor te zorgen dat
binnen de Unie de operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid wordt
bevorderd en versterkt. Onverminderd artikel III-247, bevordert het comité de coördinatie van het
optreden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Vertegenwoordigers van de betrokken
organen en bureaus van de Unie kunnen bij de werkzaamheden van het comité worden betrokken.
Het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten worden over deze
werkzaamheden geïnformeerd.

Artikel III-163
Dit hoofdstuk laat de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving
van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

Artikel III-164
De Raad van Ministers stelt bij Europese verordening regels vast voor de administratieve
samenwerking tussen de diensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door dit hoofdstuk
bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Europese Commissie. De Raad besluit op
voorstel van de Commissie, onverminderd artikel III-165, en na raadpleging van het Europees
Parlement.

Artikel III-165
De in de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk bedoelde maatregelen worden genomen
a) op voorstel van de Europese Commissie, of
b) op initiatief van een kwart van de lidstaten.

AFDELING 2

HET BELEID INZAKE GRENSCONTROLES, ASIEL EN IMMIGRATIE

Artikel III-166
1. De Unie ontwikkelt een beleid dat tot doel heeft:
a) ervoor te zorgen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnen-
grenzen niet worden gecontroleerd;
b) te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buiten-
grenzen;
c) geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten.
2. Daartoe worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op:
a) het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur;
b) de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onder-
worpen;
c) de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een korte periode vrij in
de Unie kunnen reizen;
d) wat nodig is voor de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de
buitengrenzen;
e) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, gecontroleerd worden bij het over-
schrijden van de binnengrenzen.
3. Dit artikel laat de bevoegdheid van de lidstaten inzake de geografische afbakening van hun
grenzen overeenkomstig nationaal recht onverlet.

Artikel III-167
1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid inzake asiel en tijdelijke bescherming,
teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende
status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te garanderen. Dit beleid
moet conform het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967
betreffende de status van vluchtelingen en andere toepasselijke verdragen zijn.
2. Te dien einde worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld betreffende een
gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat het volgende behelst:
a) een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de hele Unie geldt,
b) een uniforme subsidiaire-beschermingsstatus voor de onderdanen van derde landen die, als zij
geen asiel krijgen in de Europese Unie, internationale bescherming behoeven,
c) een gemeenschappelijk stelsel voor tijdelijke bescherming van ontheemden in geval van een
massale toestroom,
d) gemeenschappelijke procedures voor toekenning of intrekking van de uniforme status van
asiel of van subsidiaire bescherming,
e) criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de
behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om subsidiaire bescherming,
f) normen betreffende de voorwaarden inzake de opvang van asielzoekers of van aanvragers van
subsidiaire bescherming,
g) partnerschap en samenwerking met derde landen om de stromen van asielzoekers of
aanvragers van subsidiaire of tijdelijke bescherming te beheersen.
3. Indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde
landen in een noodsituatie terechtkomen, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese
Commissie Europese verordeningen of besluiten met voorlopige maatregelen ten gunste van de
betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees
Parlement.

Artikel III-168
1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid, dat erop gericht is in alle stadia te
zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen
van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een intensievere
preventie en bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel.
2. Te dien einde worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die betrekking
hebben op de volgende gebieden:
a) de voorwaarden voor toegang en verblijf, en normen betreffende de afgifte door de lidstaten
van langlopende visa en verblijfstitels, onder andere met het oog op gezinshereniging;
b) de omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat
verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in
andere lidstaten,
c) illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van verwijdering en repatriëring van
illegaal verblijvende personen;
d) bestrijding van mensenhandel, met name handel in vrouwen en kinderen.
3. De Unie kan overeenkomstig artikel III-227 overeenkomsten met derde landen sluiten die de
overname van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen door hun land van oorsprong of
herkomst beogen.
4. Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld om het optreden van de
lidstaten ter bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen die legaal op hun
grondgebied verblijven, aan te moedigen en te ondersteunen, met uitzondering van enige
harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.
5. Dit artikel laat het recht van de lidstaten onverlet, zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde
landen, afkomstig uit derde landen, tot hun grondgebied worden toegelaten teneinde daar al dan niet
in loondienst arbeid te verrichten.

Artikel III-169
Aan het in deze afdeling bedoelde beleid van de Unie en de uitvoering daarvan liggen de beginselen
van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, ook op
financieel vlak, ten grondslag. De handelingen van de Unie die uit hoofde van deze afdeling worden
vastgesteld, bevatten, wanneer dat nodig is, bepalingen voor de toepassing van dit beginsel.

AFDELING 3

JUSTITIËLE SAMENWERKING IN CIVIELE ZAKEN

Artikel III-170
1. De Unie ontwikkelt justitiële samenwerking in civiele zaken met grensoverschrijdende gevolgen,
die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van
beslissingen in buitengerechtelijke zaken. Deze samenwerking kan maatregelen ter aanpassing van
de wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten omvatten.
2. Te dien einde worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die onder meer het
volgende beogen:
a) de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en van beslissingen
in buitengerechtelijke zaken en de tenuitvoerlegging daarvan;
b) de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke
stukken;
c) verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen;
d) samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen;
e) een hoge mate van toegang tot de rechter;
f) de goede werking van civielrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de
verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake civiele rechtsvordering;
g) de ontwikkeling van alternatieve methoden voor geschillenbeslechting;
h) de ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel.
3. In afwijking van lid 2, worden maatregelen betreffende het familierecht met grens-
overschrijdende gevolgen bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers vastgesteld. De
Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees
Parlement.
De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie bij Europees besluit vaststellen,
ten aanzien van welke aspecten van het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen
handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden vastgesteld. De Raad van
Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 4

JUSTITIËLE SAMENWERKING IN STRAFZAKEN

Artikel III-171
1. De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse
erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel III-172
genoemde gebieden
Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om:
a) regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke
beslissingen overal in de Unie erkend worden;
b) jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen;
c) de opleiding van magistraten en justitieel personeel te bevorderen;
d) in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking
tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen.
2. Ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van
de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie kunnen
bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot:
a) de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten;
b) de rechten van personen in de strafvordering;
c) de rechten van slachtoffers van misdrijven;
d) andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad van Ministers vooraf bij
Europees besluit worden bepaald. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na
goedkeuring door het Europees Parlement.
De vaststelling van dergelijke minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van
bescherming van de rechten van personen in de strafvordering te handhaven of in te voeren.

Artikel III-172
1. Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de
bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit
met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze
inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.
Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting
van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld,
corruptie, de namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.
Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad van Ministers bij Europees
besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria
voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees
Parlement.
2. Indien onderlinge aanpassing van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van
beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij
Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van
strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied.
Onverminderd artikel III-165, wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in
de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.

Artikel III-173
Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter stimulering en onder-
steuning van het optreden van de lidstaten op het gebied van misdaadpreventie. Deze maatregelen
kunnen geen aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten
inhouden.

Artikel III-174
1. De opdracht van Eurojust bestaat in het ondersteunen en versterken van de coördinatie en de
samenwerking tussen de nationale autoriteiten die belast zijn met de vervolging van zware
criminaliteit welke twee of meer lidstaten schaadt of een vervolging op gemeenschappelijke basis
vereist, op basis van de door de autoriteiten van de lidstaten en Europol uitgevoerde operaties en
verstrekte informatie.
2. Bij Europese wet worden de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van Eurojust
vastgesteld. Deze taken kunnen het volgende omvatten:
a) de instelling en de coördinatie van strafvervolgingen die worden ingesteld door de bevoegde
nationale autoriteiten, met name die welke verband houden met strafbare feiten welke de
financiële belangen van de Unie schaden;
b) de versterking van de justitiële samenwerking, met name door middel van het oplossen van
rechtsbevoegdheidsconflicten en van nauwe samenwerking met het Europees justitieel
netwerk.
Bij Europese wet wordt tevens bepaald, op welke wijze het Europees Parlement en de nationale
parlementen van de lidstaten bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust worden betrokken.
3. In het kader van de in deze bepaling bedoelde vervolgingen en onverminderd artikel III-175,
worden de formele besluiten in verband met de rechtsprocedure genomen door de bevoegde
nationale functionarissen.

Artikel III-175
1. Ter bestrijding van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, alsmede van
strafbare feiten die de belangen van de Unie schaden, kan op de grondslag van Eurojust bij
Europese wet van de Raad van Ministers een Europees openbaar ministerie worden ingesteld. De
Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees
Parlement.
2. Het Europees openbaar ministerie is, in voorkomend geval in samenwerking met Europol,
bevoegd voor het opsporen, vervolgen en voor het gerecht brengen van daders van en mede-
plichtigen aan zware misdrijven die verscheidene lidstaten schaden, of inbreuken die de financiële
belangen van de Unie, zoals omschreven in de in lid 1 bedoelde Europese wet, schaden. Het
Europees openbaar ministerie is belast met de rechtsvordering voor de bevoegde rechtbanken van
de lidstaten in verband met deze inbreuken.
3. In de in lid 1 bedoelde Europese wet worden het statuut van het Europees openbaar ministerie, de
voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, de voor zijn activiteiten geldende procedure-
voorschriften en de voorschriften inzake de toelaatbaarheid van bewijs en de voorschriften voor de
rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die het in de uitoefening van zijn ambt
verricht, vastgesteld.

AFDELING 5

POLITIËLE SAMENWERKING

Artikel III-176
1. De Unie ontwikkelt een vorm van politiële samenwerking waarbij alle bevoegde autoriteiten van de
lidstaten betrokken zijn, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde wets-
handhavingsdiensten die belast zijn met het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare
feiten.
2. Te dien einde kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen worden vastgesteld die
betrekking hebben op:
a) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie;
b) steun voor de opleiding van personeel, alsmede samenwerking betreffende de uitwisseling
van personeel, apparatuur en onderzoek op het gebied van criminalistiek;
c) gemeenschappelijke onderzoekstechnieken voor het opsporen van ernstige vormen van
georganiseerde criminaliteit.
3. Bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers kunnen maatregelen worden vastgesteld
die betrekking hebben op de operationele samenwerking tussen de in dit artikel bedoelde autori-
teiten. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het
Europees Parlement.

Artikel III-177
1. De opdracht van Europol is het optreden van de politie-instanties en andere wetshandhavings-
diensten van de lidstaten, alsmede hun wederzijdse samenwerking bij de voorkoming en bestrijding
van zware criminaliteit waardoor twee of meer lidstaten worden getroffen, van terrorisme en
vormen van criminaliteit die een schending inhouden van een gemeenschappelijk belang dat tot het
beleid van de Unie behoort, te ondersteunen en te versterken.
2. De structuur, de werkwijze, het werkterrein en de taken van Europol worden bij Europese wet
bepaald. Deze taken kunnen het volgende omvatten:
a) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van informatie die met name
door de autoriteiten van de lidstaten of van derde landen of instanties worden verstrekt;
b) de coördinatie, organisatie en uitvoering van onderzoeken en operationele acties, die
gezamenlijk met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of in gezamenlijke onderzoeks-
teams worden uitgevoerd, in voorkomend geval in samenwerking met Eurojust.
Bij Europese wet wordt tevens bepaald op welke wijze de activiteiten van Europol door het
Europees Parlement, tezamen met de nationale parlementen van de lidstaten, worden gecontroleerd.
3. Iedere operationele actie van Europol moet worden uitgevoerd in overleg en overeenstemming
met de autoriteiten van de lidstaat op welks of de lidstaten op wier grondgebied de actie wordt
uitgevoerd. Over het gebruik van dwangmiddelen beslissen alleen de bevoegde nationale
autoriteiten.

Artikel III-178
De voorwaarden en de beperkingen waarbinnen de in de artikelen III-171 en III-176 bedoelde
bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het grondgebied van een andere lidstaat mogen optreden
in overleg en overeenstemming met de autoriteiten van die staat worden bij Europese wet of
kaderwet van de Raad van Ministers vastgesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid
van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

HOOFDSTUK V

DE GEBIEDEN WAAROP DE UNIE KAN BESLUITEN
COÖRDINEREND, AANVULLEND
OF ONDERSTEUNEND OP TE TREDEN

AFDELING 1

VOLKSGEZONDHEID

Artikel III-179
1. Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en ieder optreden van de Unie wordt een hoog
niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.
Het optreden van de Unie, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op
verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens, en het
wegnemen van bronnen van gevaar voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Dit optreden
omvat de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek
naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezond-
heidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs.
De Unie vult het optreden van de lidstaten ter vermindering van de schade aan de gezondheid door
drugsgebruik, met inbegrip van voorlichting en preventie, aan.
2. De Unie moedigt samenwerking tussen de lidstaten op de in dit artikel bedoelde gebieden aan en
steunt zo nodig hun optreden.
De lidstaten coördineren in samenspraak met de Europese Commissie hun beleid en programma's
op de in lid 1 bedoelde gebieden. De Commissie kan, in nauw contact met de lidstaten, initiatieven
nemen om deze coördinatie te bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren
vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog
op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in
kennis gesteld.
3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor volks-
gezondheid bevoegde internationale organisaties.
4. Bij Europese wet of kaderwet wordt het nodige geregeld waardoor wordt bijgedragen tot de
verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, en wel door het treffen van de volgende
maatregelen om gemeenschappelijke veiligheidskwesties het hoofd te bieden:
a) maatregelen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan organen en
stoffen van menselijke oorsprong, bloed en bloedderivaten; deze maatregelen beletten niet dat
een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft;
b) in afwijking van [artikel III-122 (voorheen artikel 37)], maatregelen op veterinair en
fytosanitair gebied die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid.
De Europese wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en
van het Economisch en Sociaal Comité.
5. Bij Europese wet of kaderwet kunnen ook stimuleringsmaatregelen worden ingesteld die gericht
zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid en de bestrijding van grote
grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, met uitzondering van enige harmonisatie
van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt
vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal
Comité.
6. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie ook aanbevelingen
aannemen ter verwezenlijking van de in dit artikel genoemde doelstellingen.
7. Bij het optreden van de Unie op het gebied van de volksgezondheid wordt de verantwoordelijk-
heid van de lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en genees-
kundige verzorging volledig geëerbiedigd. Met name doen de in lid 4, onder a), bedoelde maat-
regelen geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake donatie en geneeskundig gebruik van
organen en bloed.

AFDELING 2

DE INDUSTRIE

Artikel III-180
1. De Unie en de lidstaten dragen er zorg voor dat de omstandigheden die nodig zijn voor het
concurrentievermogen van de industrie van de Unie, aanwezig zijn.
Hiertoe is hun optreden, dat past in een bestel van open en concurrerende markten, erop gericht:
a) de aanpassing van de industrie aan structurele veranderingen te bespoedigen;
b) een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van onder-
nemingen in de gehele Unie, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen;
c) een gunstig klimaat voor samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen;
d) een betere benutting van het industrieel potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek
en technologische ontwikkeling te stimuleren.
2. De lidstaten plegen in samenspraak met de Europese Commissie overleg en coördineren,
voorzover nodig, hun optreden. De Commissie kan initiatieven nemen om deze coördinatie te
bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling
van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en
evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld.
3. De Unie draagt door het beleid en het optreden uit hoofde van andere bepalingen van de
Grondwet bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen. Bij Europese wet of
kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter ondersteuning van de activiteiten die in de
lidstaten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken, met uitzondering
van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. De
wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
Deze afdeling verschaft geen grondslag voor invoering door de Unie van maatregelen waardoor de
mededinging kan worden vervalst of die belastingbepalingen of bepalingen betreffende de rechten
en belangen van werknemers inhouden.

AFDELING 3

CULTUUR

Artikel III-181
1. De Unie draagt bij tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten, onder eerbiediging van de
nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, maar tegelijk ook de nadruk leggend op het
gemeenschappelijk cultureel erfgoed.
2. Het optreden van de Unie is erop gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en
zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te ondersteunen en aan te vullen:
a) verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese
volkeren,
b) instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang,
c) culturele uitwisseling op niet-commerciële basis,
d) scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector.
3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor cultuur
bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa.
4. De Unie houdt bij het optreden uit hoofde van andere bepalingen van de Grondwet rekening met
de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.
5. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel:
a) worden bij Europese wet of kaderwet stimuleringsmaatregelen vastgesteld, met uitzondering
van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.
Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's;
b) neemt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie aanbevelingen aan.

AFDELING 4

ONDERWIJS, BEROEPSOPLEIDING, JEUGD EN SPORT

Artikel III-182
1. De Unie draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking
tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen.
Zij eerbiedigt ten volle de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs
en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun verscheidenheid van cultuur en taal.
De Unie draagt bij tot de bevordering van de Europese inzet op sportgebied, gelet op de sociale en
educatieve functie van sport.
2. Het optreden van de Unie is erop gericht:
a) de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen, met name door onderricht
in en verspreiding van de talen der lidstaten;
b) de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning
van diploma's en studietijdvakken aan te moedigen;
c) de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen;
d) de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke
vraagstukken waarmee de onderwijsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd;
e) de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en jongerenwerkers te
bevorderen en de participatie van jongeren aan het democratisch bestel van Europa aan te
moedigen;
f) de ontwikkeling van het onderwijs op afstand te stimuleren;
g) de Europese dimensie van de sport te ontwikkelen, door de eerlijkheid in competities en de
samenwerking tussen sportorganisaties te bevorderen, en door de fysieke en morele integriteit
van sportlieden, met name jonge sporters, te beschermen.
3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor onderwijs
bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa.
4. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel:
a) worden bij Europese wet of kaderwet stimuleringsmaatregelen vastgesteld, met uitzondering
van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.
De wet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het
Economisch en Sociaal Comité;
b) neemt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie aanbevelingen aan.

Artikel III-183
1. De Unie voert inzake beroepsopleiding een beleid waardoor het optreden van de lidstaten worden
versterkt en aangevuld, onder volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten
voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding.
2. Het optreden van de Unie is erop gericht:
a) de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven te vergemakkelijken, met name door
beroepsopleiding en omscholing;
b) de intrede en de herintrede op de arbeidsmarkt te bevorderen door verbetering van de initiële
beroepsopleiding en van bij- en nascholing;
c) de toegang tot beroepsopleidingen te vergemakkelijken en de mobiliteit van opleiders en
leerlingen, met name jongeren, te bevorderen;
d) de samenwerking inzake opleiding tussen onderwijs- of opleidingsinstellingen en onder-
nemingen te bevorderen;
e) de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke
vraagstukken waarmee de opleidingsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd.
3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor
beroepsopleiding bevoegde internationale organisaties.
4. Bij Europese wet of kaderwet wordt het nodige bepaald om bij te dragen tot de verwezenlijking
van de doelstellingen van dit artikel, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of
bestuursrechtelijk regelingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging
van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

AFDELING 5

CIVIELE BESCHERMING

Artikel III-184
1. De Unie bevordert de samenwerking tussen de lidstaten om zodoende te komen tot een grotere
doeltreffendheid van de systemen ter voorkoming van en bescherming tegen natuurrampen of door
de mens veroorzaakte calamiteiten binnen de Unie.
Het optreden van de Unie is erop gericht:
a) het optreden van de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau met betrekking tot
risicopreventie, het voorbereiden van de instanties op het gebied van civiele bescherming in
de lidstaten en het optreden bij natuurrampen of door de mens veroorzaakte calamiteiten te
steunen en aan te vullen;
b) snelle operationele en doeltreffende samenwerking tussen de nationale civiele beschermings-
diensten te bevorderen;
c) de samenhang tussen internationale acties op het gebied van civiele bescherming te
stimuleren.
2. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om bij te dragen
tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen, met uitzondering van enige
harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.

AFDELING 6

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel III-185
1. De doeltreffende uitvoering op nationaal niveau van de wetgeving van de Unie door de lidstaten,
die van wezenlijk belang is voor de goede werking van de Unie, wordt beschouwd als een aange-
legenheid van gemeenschappelijk belang.
2. De Unie kan de inspanningen van de lidstaten ter verbetering van hun administratieve vermogen
om de wetgeving van de Unie uit te voeren, steunen. Dergelijke steun kan behalve het
vergemakkelijken van de uitwisselingen van informatie en van ambtenaren ook ondersteunende
opleidings- en ontwikkelingsregelingen omvatten. Geen enkele lidstaat is verplicht gebruik te
maken van dergelijke steun. De daartoe noodzakelijke maatregelen worden bij Europese wet
vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke
regelingen van de lidstaten.
3. Dit artikel laat de verplichting van de lidstaten om de wetgeving van de Unie uit te voeren, alsook
de prerogatieven en taken van de Europese Commissie, onverlet. Het laat ook de andere bepalingen
van de grondwet die voorzien in administratieve samenwerking tussen de lidstaten onderling en
tussen de lidstaten en de Unie, onverlet.

TITEL IV

DE ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

Artikel III-186
De niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met Denemarken,
Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, worden met de Unie geassocieerd. Die landen en
gebieden, hierna genoemd landen en gebieden, worden opgenomen in bijlage II *.
Doel van de associatie is het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling van deze
landen en gebieden en de totstandbrenging van nauwe economische betrekkingen tussen hen en de
Unie in haar geheel.
De associatie schept in de eerste plaats de mogelijkheid, de belangen en de voorspoed van de
inwoners van die landen en gebieden te bevorderen, om hen zodoende tot de economische, sociale
en culturele ontwikkeling te brengen welke zij verwachten.
Artikel III-187
Door de associatie worden de volgende doeleinden nagestreefd:
a) De lidstaten passen op hun handelsverkeer met deze landen en gebieden de regeling toe welke
zij krachtens de Grondwet met elkaar zijn aangegaan.
b) Ieder land of gebied past op zijn handelsverkeer met de lidstaten en de andere landen en
gebieden de regeling toe die het toepast op de Europese staat waarmede het bijzondere
betrekkingen onderhoudt.
c) De lidstaten dragen bij in de investeringen welke vereist zijn voor de ontwikkeling van die
landen en gebieden.
d) Wat betreft de door de Unie gefinancierde investeringen, staat de deelneming in
aanbestedingen en leveranties onder gelijke voorwaarden open voor alle onderdanen en
rechtspersonen van de lidstaten en van de landen en gebieden.
e) In de betrekkingen tussen de lidstaten en deze landen en gebieden wordt het recht van
vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld
overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures die bepaald zijn in de
onderafdeling betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel III-191
vastgestelde bijzondere maatregelen.

Artikel III-188
1. De goederen van oorsprong uit de landen en gebieden profiteren bij hun invoer in de lidstaten van
het bij de Grondwet ingestelde verbod op douanerechten tussen de lidstaten.
2. Bij invoer in deze landen en gebieden zijn overeenkomstig artikel III-38 douanerechten op
goederen uit de lidstaten en uit de andere landen en gebieden verboden.
3. De landen en gebieden kunnen evenwel douanerechten heffen welke in overeenstemming zijn
met de eisen van hun ontwikkeling en de behoeften van hun industrialisatie, of welke van fiscale
aard zijn en ten doel hebben in hun begrotingsmiddelen te voorzien.
De in de eerste alinea bedoelde rechten mogen het peil van de invoerrechten welke worden geheven
op producten uit de lidstaat waarmede elk land of gebied bijzondere betrekkingen onderhoudt, niet
te boven gaan.
4. Lid 2 is niet van toepassing op landen en gebieden die uit hoofde van de bijzondere internationale
verplichtingen waaraan zij zijn onderworpen, reeds een non-discriminatoir douanetarief toepassen.
5. De heffing of wijziging van douanerechten op de in de landen en gebieden ingevoerde goederen
mag noch in rechte noch in feite aanleiding geven tot een rechtstreekse of zijdelingse discriminatie
tussen de importen uit de onderscheidene lidstaten.

Artikel III-189
Indien het peil van de rechten dat toepasselijk is op goederen van herkomst uit een derde land bij
invoer in een land of gebied van dien aard is dat, als gevolg van de toepassing van artikel III-188,
het handelsverkeer zich ten nadele van een der lidstaten kan verleggen, kan deze staat de Europese
Commissie verzoeken, aan de overige lidstaten voor te stellen regelingen te treffen om deze
toestand te verhelpen.

Artikel III-190
Behoudens de bepalingen betreffende de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de openbare
orde, wordt het vrije verkeer van werknemers uit de landen en gebieden binnen de lidstaten en van
werknemers uit de lidstaten binnen de landen en gebieden geregeld door krachtens artikel III-191
aangenomen maatregelen.

Artikel III-191
De Raad van Ministers stelt op basis van de resultaten die in het kader van de associatie van de
landen en gebieden met de Unie zijn bereikt, met eenparigheid van stemmen bij Europese
verordening en bij Europees besluit de regels en de procedure voor de associatie van de landen en
gebieden met de Unie vast.

Artikel III-192
De artikelen III-186 tot en met III-191 zijn op Groenland van toepassing, behoudens de bijzondere
bepalingen van het protocol betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland.

TITEL V

HET EXTERN OPTREDEN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK I

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-193
1. Het internationaal optreden van de Unie berust op en is gericht op de wereldwijde verspreiding
van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten
grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de
mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de
beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van het internationaal recht overeenkomstig
de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. De Unie streeft ernaar betrekkingen te
ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met derde landen en met de mondiale, internationale en
regionale organisaties die deze waarden delen. Zij bevordert multilaterale oplossingen voor
gemeenschappelijke problemen, met name in het kader van de Verenigde Naties.
2. De Unie bepaalt een gemeenschappelijk beleid en een gemeenschappelijk optreden en voert deze
uit. Ook streeft zij naar een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale
betrekkingen, met de volgende doelstellingen:
a) bescherming van de waarden, de fundamentele belangen, de veiligheid, de onafhankelijkheid
en de integriteit van de Unie;
b) consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de
beginselen van het internationaal recht;
c) handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale
veiligheid, overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties;
d) ondersteuning van de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en
milieugebied, met als voornaamste doel uitbanning van de armoede;
e) stimulering van de integratie van alle landen in de wereldeconomie, onder meer door het
geleidelijk wegwerken van belemmeringen voor de internationale handel;
f) het leveren van een bijdrage tot het opstellen van internationale maatregelen ter bescherming
en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het duurzaam beheer van de mondiale
natuurlijke rijkdommen, teneinde duurzame ontwikkeling te waarborgen;
g) het verlenen van hulp aan volkeren, landen en regio's die te kampen hebben met
natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen;
h) het bevorderen van een internationaal bestel dat gebaseerd is op intensievere multilaterale
samenwerking, en van goed mondiaal bestuur.
3. De Unie eerbiedigt de in de leden 1 en 2 genoemde beginselen en streeft de in deze leden
genoemde doelstellingen na bij de uitstippeling en de uitvoering van het externe optreden op de
verschillende door deze titel bestreken gebieden, alsmede van het overige beleid van de Unie wat de
externe aspecten betreft.
De Unie ziet toe op de samenhang van de diverse onderdelen van haar externe optreden en van het
externe optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. De Raad van Ministers en de
Europese Commissie, hierin bijgestaan door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie,
dragen zorg voor deze samenhang en werken hiertoe samen.

Artikel III-194
1. De Europese Raad stelt op basis van de in artikel III-193 vermelde beginselen en doelstellingen
de strategische belangen en doelstellingen van de Unie vast.
De Europese besluiten van de Europese Raad inzake de strategische belangen en doelstellingen van
de Unie hebben betrekking op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en op andere
onderdelen van het externe optreden van de Unie. Deze besluiten kunnen de betrekkingen van de
Unie met een land of een regio betreffen, of een thematische aanpak hebben. In de besluiten worden
de geldigheidsduur ervan bepaald, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten
beschikbaar worden gesteld.
De Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de Raad van
Ministers, welke aanbeveling door de Raad van Ministers wordt aangenomen volgens het voor elk
gebied bepaalde. De besluiten van de Europese Raad worden uitgevoerd volgens de in de Grondwet
neergelegde procedures.
2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Europese Commissie kunnen gezamenlijk
voorstellen indienen bij de Raad van Ministers; de voorstellen van de minister van Buitenlandse
Zaken van de Unie kunnen het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid gelden, terwijl
de voorstellen van de Commissie het overige externe optreden van de Unie kunnen gelden.

HOOFDSTUK II

HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel III-195
1. In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, bepaalt en voert de
Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands
en veiligheidsbeleid bestrijkt.
2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit hun actieve en onvoor-
waardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
De lidstaten werken samen om hun onderlinge politieke solidariteit te versterken en tot ontwikke-
ling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie
of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale
betrekkingen.
De Raad van Ministers en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien erop toe dat deze
beginselen in acht worden genomen.
3. De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:
a) de algemene richtsnoeren vast te stellen,
b) Europese besluiten vast te stellen met betrekking tot:
i) het optreden van de Unie,
ii) standpunten van de Unie,
iii) de uitvoering van het optreden en de standpunten,
c) de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te
versterken.

Artikel III-196
1. De Europese Raad stelt de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en
veiligheidsbeleid vast, onder meer in aangelegenheden met consequenties op defensiegebied.
Indien een internationale ontwikkeling dit vereist, wordt de Europese Raad door zijn voorzitter in
buitengewone bijeenkomst bijeengeroepen, teneinde de strategische beleidslijnen van de Unie ten
aanzien van deze ontwikkeling vast te stellen.
2. Op basis van de algemene richtsnoeren en strategische beleidslijnen van de Europese Raad, stelt
de Raad van Ministers de Europese besluiten voor het bepalen en uitvoeren van het gemeen-
schappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast.

Artikel III-197
1. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die de Raad van Ministers van Buitenlandse
Zaken voorzit, draagt door middel van zijn voorstellen bij tot de voorbereiding van het gemeen-
schappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en waarborgt de uitvoering van de Europese besluiten
van de Europese Raad en van de Raad van Ministers.
2. In aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen,
wordt de Unie vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Hij voert
namens de Unie de politieke dialoog en verwoordt in internationale organisaties en op inter-
nationale conferenties het standpunt van de Unie.
3. Bij de vervulling van zijn ambt wordt de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie bijgestaan
door een Europese dienst voor extern optreden. Deze dienst werkt nauw samen met de diplomatieke
diensten van de lidstaten.

Artikel III-198
1. Wanneer een internationale situatie een operationeel optreden van de Unie vereist, neemt de Raad
van Ministers de nodige Europese besluiten. In die besluiten worden de doelstellingen, de
draagwijdte, de middelen welke de Unie ter beschikking dienen te worden gesteld, en de voor-
waarden voor de uitvoering van het optreden omschreven, alsmede, zo nodig, de duur ervan.
Indien zich een verandering van omstandigheden voordoet met een duidelijke invloed op een
vraagstuk dat het voorwerp is van een dergelijk Europees besluit, beziet de Raad van Ministers de
beginselen en de doelstellingen van dat optreden opnieuw en neemt hij de nodige Europese
besluiten. Zolang de Raad van Ministers zich niet heeft uitgesproken, blijft het Europees besluit
over het optreden van de Unie gehandhaafd.
2. Die Europese besluiten binden de lidstaten bij het innemen van standpunten en bij hun optreden.
3. Telkens wanneer op grond van een Europees besluit in de zin van lid 1 een nationale standpunt-
bepaling of een nationaal optreden wordt overwogen, wordt daarvan op een zodanig tijdstip kennis
gegeven dat zo nodig voorafgaand overleg in de Raad van Ministers mogelijk is. De verplichting tot
voorafgaande kennisgeving geldt niet voor regelingen die slechts de nationale omzetting van
Europese besluiten vormen.
4. In geval van dringende noodzaak voortvloeiend uit veranderingen in de situatie en bij gebreke
van een nieuw Europees besluit, kunnen de lidstaten met spoed de nodige regelingen treffen,
rekening houdend met de algemene doelstellingen van het desbetreffende Europees besluit. De
betrokken lidstaat stelt de Raad van Ministers onverwijld van iedere zodanige regeling in kennis.
5. Indien een lidstaat bij de uitvoering van een in dit artikel bedoeld Europees besluit ernstige
moeilijkheden ondervindt, legt hij deze voor aan de Raad van Ministers, die daarover beraadslaagt
en passende oplossingen zoekt. Deze mogen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het
optreden noch afbreuk doen aan de doeltreffendheid ervan.
Artikel III-199
De Raad van Ministers stelt Europese besluiten vast waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van
een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard wordt bepaald. De lidstaten
dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.

Artikel III-200
1. Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of de minister met de steun van
de Europese Commissie, kan de Raad van Ministers ieder vraagstuk in verband met het
gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en hem voorstellen doen.
2. In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken van
de Unie, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in
geval van absolute noodzaak, op kortere termijn de Raad van Ministers in buitengewone zitting
bijeen.

Artikel III-201
1. De in dit hoofdstuk bedoelde Europese besluiten worden door de Raad van Ministers met een-
parigheid van stemmen vastgesteld. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegen-
woordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van deze besluiten.
Een lid van de Raad van Ministers dat zich van stemming onthoudt, kan zijn onthouding toelichten
in een formele verklaring. In dat geval is het lid niet verplicht het Europees besluit toe te passen,
doch aanvaardt het wel dat dit de Unie bindt. In een geest van onderlinge solidariteit onthoudt de
betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit
zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de
leden van de Raad van Ministers die hun onthouding op deze wijze toelichten ten minste een derde
van de lidstaten vertegenwoordigen, welke lidstaten ten minste een derde van de bevolking van de
Unie vertegenwoordigen, is het besluit niet vastgesteld.
2. In afwijking van lid 1 besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van
stemmen:
a) wanneer hij een Europees besluit betreffende acties en standpunten van de Unie vaststelt, op
grond van een Europees besluit van de Europese Raad met betrekking tot de strategische
belangen en doelstellingen van de Unie in de zin van artikel III-194, lid 1;
b) wanneer hij een besluit betreffende een optreden of standpunt van de Unie vaststelt, op basis
van een voorstel dat de minister hem voorlegt naar aanleiding van een specifiek verzoek, door
de Europese Raad op eigen initiatief of op initiatief van de minister aan de Raad van Ministers
gericht;
c) wanneer hij een Europees besluit ter uitvoering van een optreden of een standpunt van de
Unie vaststelt;
d) wanneer hij een Europees besluit houdende benoeming van een speciale vertegenwoordiger
overeenkomstig artikel III-203 vaststelt.
Indien een lid van de Raad van Ministers verklaart om essentiële, nader genoemde, redenen van
nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de vaststelling van een Europees besluit
met de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wordt niet tot stemming overgegaan. De
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie tracht in nauw overleg met de betrokken lidstaat een
aanvaardbare oplossing te bereiken. Indien dit niet tot resultaat leidt, kan de Raad van Ministers met
gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid wordt voorgelegd aan
de Europese Raad, die met eenparigheid van stemmen besluit.
3. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad van Ministers in
andere dan de in lid 2 bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.
4. De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op besluiten die consequenties hebben op militair of
defensiegebied.

Artikel III-202
1. Wanneer de Unie een gemeenschappelijke aanpak in de zin van artikel I-39, lid 5, heeft
omschreven, coördineren de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de ministers van
Buitenlandse Zaken van de lidstaten hun activiteiten in de Raad van Ministers.
2. De diplomatieke missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie werken samen in derde
landen en bij internationale organisaties, en dragen bij tot de formulering en de uitvoering van een
gemeenschappelijke aanpak.

Artikel III-203
Telkens wanneer hij het nodig acht, benoemt de Raad van Ministers, op initiatief van de minister
van Buitenlandse Zaken van de Unie, een speciale vertegenwoordiger aan wie hij een mandaat voor
specifieke beleidsvraagstukken verleent. De speciale vertegenwoordiger voert zijn mandaat uit
onder het gezag van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
Artikel III-204
De Unie kan, volgens de procedure van artikel III-227, op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk
overeenkomsten sluiten met één of meer staten of internationale organisaties.

Artikel III-205
1. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie raadpleegt het Europees Parlement over de
voornaamste aspecten en over de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk
buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en
defensiebeleid, en ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in
aanmerking worden genomen. Het Europees Parlement wordt door de minister van Buitenlandse
Zaken van de Unie regelmatig op de hoogte gebracht van de ontwikkeling van het gemeenschap-
pelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en
defensiebeleid. Bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement kunnen de speciale
vertegenwoordigers worden ingeschakeld.
2. Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad van Ministers en de minister
van Buitenlandse Zaken van de Unie richten. Het wijdt tweemaal per jaar een debat aan de vooruit-
gang die is geboekt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,
met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

Artikel III-206
1. De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties en op internationale confe-
renties. Zij verdedigen in deze fora de standpunten van de Unie. De minister van Buitenlandse
Zaken van de Unie organiseert de coördinatie.
In internationale organisaties en op internationale conferenties waaraan niet alle lidstaten deel-
nemen, verdedigen de deelnemende lidstaten de standpunten van de Unie.
2. Onverminderd lid 1 en artikel III-198, lid 3, houden de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in
internationale organisaties of op internationale conferenties waar niet alle lidstaten
vertegenwoordigd zijn, de niet vertegenwoordigde lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken
van de Unie op de hoogte van alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.
De lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling
overleg en houden de overige lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie van de
Unie ten volle op de hoogte. De lidstaten die lid van de Veiligheidsraad zijn, verdedigen in die
functie de standpunten en belangen van de Unie, onverminderd de verantwoordelijkheden die
krachtens het Handvest van de Verenigde Naties op hen rusten.
Wanneer de Unie over een thema op de agenda van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een
standpunt heeft bepaald, formuleren de lidstaten die daarin zitting hebben, het verzoek dat de
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie wordt uitgenodigd om het standpunt van de Unie
uiteen te zetten.

Artikel III-207
De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen
en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties
voeren onderling overleg om te verzekeren dat de Europese besluiten van de Raad van Ministers
inzake standpunten en optredens van de Unie in acht worden genomen en ten uitvoer worden
uitgelegd. Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen en gezamenlijke
evaluaties te verrichten.
Zij dragen bij tot de uitvoering van het bepaalde in artikel I-8, lid 2, betreffende het recht op
bescherming van de Europese burgers op het grondgebied van derde landen, alsmede van de
overeenkomstig artikel III-11 vastgestelde maatregelen.

Artikel III-208
Onverminderd artikel III-247 volgt een Politiek en Veiligheidscomité de internationale situatie op
de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden en draagt het
bij tot de beleidsbepaling door op verzoek van de Raad van Ministers, van de minister van
Buitenlandse Zaken van de Unie of eigener beweging adviezen aan de Raad van Ministers uit te
brengen. Onverminderd de bevoegdheden van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, ziet
het comité er ook op toe dat het overeengekomen beleid wordt uitgevoerd.
In het kader van dit hoofdstuk is het comité onder verantwoordelijkheid van de Raad van Ministers
en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie belast met de politieke controle en de
strategische leiding van crisisbeheersingsoperaties, zoals die zijn omschreven in artikel III-210.
De Raad van Ministers kan het comité voor het doel en voor de duur van een crisisbeheersings-
operatie, als bepaald door de Raad van Ministers, machtigen passende maatregelen te nemen over
de politieke controle en strategische leiding van de operatie.

Artikel III-209
De uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid laat de in de
artikelen I-12 tot en met I-14, en I-16 genoemde bevoegdheden onverlet. Evenzo laat de uitvoering
van de in deze artikelen genoemde beleidsonderdelen de in artikel I-15 bedoelde bevoegdheid
onverlet.
Het Hof van Justitie is bevoegd om erop toe te zien dat dit artikel wordt nageleefd.

AFDELING 1

HET GEMEENSCHAPPELIJK VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

Artikel III-210
1. De in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies, waarbij de Unie civiele en militaire middelen kan
inzetten, omvatten gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en
bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies van strijdkrachten met
het oog op crisisbeheersing, met inbegrip van vredestichting, alsmede stabiliseringsoperaties na
afloop van conflicten. Al deze taken kunnen tot de strijd tegen het terrorisme bijdragen, ook door
middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden.
2. De Raad van Ministers regelt bij Europees besluit met eenparigheid van stemmen de in lid 1
bedoelde missies en stelt doel en draagwijdte ervan vast, alsmede de algemene voorschriften voor
de uitvoering ervan. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt onder gezag van de
Raad van Ministers en in nauw en voortdurend contact met het Politiek en Veiligheidscomité zorg
voor de coördinatie van de civiele en militaire aspecten van deze missies.

Artikel III-211
1. In het kader van de Europese besluiten die overeenkomstig artikel III-210 zijn vastgesteld, kan de
Raad van Ministers de uitvoering van een missie toevertrouwen aan een groep lidstaten die over de
nodige vermogens beschikken en zich met de missie willen belasten. Deze lidstaten regelen in
samenspraak met de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie onderling het beheer van de
missie.
2. De Raad van Ministers wordt door de deelnemende lidstaten regelmatig op de hoogte gebracht
van de stand van de missie. Zij gaan hiertoe onverwijld over indien de uitvoering van de missie
nieuwe, zwaarwegende gevolgen met zich meebrengt of een wijziging van de door de Raad van
Ministers krachtens artikel III-210 overeengekomen doelstelling, reikwijdte of uitvoerings-
bepalingen vereist. In dat geval neemt de Raad van Ministers de nodige Europese besluiten.

Artikel III-212
1. Het Europees Bureau voor bewapening, onderzoek en militaire vermogens, dat onder het gezag
van de Raad van Ministers ressorteert, heeft tot taak:
a) mede de na te streven militaire vermogens van de lidstaten te bepalen en de nakoming van de
door de lidstaten aangegane verbintenissen inzake vermogens te evalueren;
b) het harmoniseren van de operationele behoeften en het hanteren van doelmatige en onderling
verenigbare aankoopmethoden te bevorderen;
c) multilaterale projecten voor te stellen die erop gericht zijn de doelstellingen met betrekking
tot militaire vermogens te verwezenlijken, de door de lidstaten uit te voeren programma's te
coördineren en samenwerkingsprogramma's te beheren;
d) het onderzoek inzake defensietechnologie te ondersteunen, alsmede gezamenlijk onderzoek
naar en studie van technische oplossingen die voldoen aan toekomstige operationele behoef-
ten, te coördineren en te plannen;
e) bij te dragen tot de onderkenning en in voorkomend geval de uitvoering van alle nuttige maat-
regelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken en de
efficiëntie van de militaire uitgaven te verbeteren.
2. Het Bureau staat open voor alle lidstaten die daarvan deel wensen uit te maken. De Raad van
Ministers stelt met gekwalificeerde meerderheid een Europees besluit vast houdende vastlegging
van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Bureau. In dat besluit wordt
rekening gehouden met de mate van werkelijke deelname aan de activiteiten van het Bureau.
Binnen het Bureau worden specifieke groepen lidstaten gevormd die gezamenlijke projecten
uitvoeren. Het Bureau vervult zijn taken voorzover nodig in overleg met de Europese Commissie.

Artikel III-213
1. De in het protocol [titel] genoemde lidstaten die voldoen aan criteria inzake grotere militaire
vermogens en die met het oog op de meest veeleisende missies meer bindende verbintenissen
terzake willen aangaan, stellen onderling een gestructureerde samenwerking in de zin van
artikel I-40, lid 6, in. De door die lidstaten overeengekomen criteria en verbintenissen inzake
militaire vermogens worden in het protocol neergelegd.
2. Een lidstaat die in een later stadium aan deze samenwerking wenst deel te nemen door de daaruit
voortvloeiende verplichtingen te onderschrijven, stelt de Europese Raad daarvan in kennis. De Raad
van Ministers beraadslaagt over het verzoek van de lidstaat. Aan de stemming wordt alleen
deelgenomen door de leden van de Raad die de lidstaten vertegenwoordigen welke aan de
gestructureerde samenwerking deelnemen.
3. Wanneer de Raad van Ministers Europese besluiten over het voorwerp van de gestructureerde
samenwerking vaststelt, wordt aan de beraadslagingen en aan de vaststelling van de besluiten
uitsluitend deelgenomen door de leden van de Raad die de lidstaten vertegenwoordigen welke aan
de gestructureerde samenwerking deelnemen. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is
bij de beraadslagingen aanwezig. De vertegenwoordigers van de overige lidstaten worden door de
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie naar behoren en regelmatig van de ontwikkeling van
de gestructureerde samenwerking op de hoogte gebracht.
4. De Raad van Ministers kan de lidstaten die aan deze samenwerking deelnemen verzoeken, een in
het kader van de Unie uit te voeren missie in de zin van artikel III-210 op zich te nemen.
5. Zonder een belemmering te vormen voor de voorgaande leden, zijn de bepalingen betreffende de
nauwere samenwerking van toepassing op de bij dit artikel geregelde gestructureerde
samenwerking.

Artikel III-214
1. De nauwere samenwerking op het gebied van onderlinge defensie waarin artikel I-40, lid 7,
voorziet, staat open voor alle lidstaten van de Unie. Een lijst van aan de nauwere samenwerking
deelnemende staten wordt opgenomen in de verklaring [titel]. Een lidstaat die in een later stadium
aan deze samenwerking wenst deel te nemen door de daaraan verbonden verplichtingen te
aanvaarden, stelt de Europese Raad daarvan in kennis en onderschrijft de verklaring.
2. Een aan deze samenwerking deelnemende lidstaat waarvan het grondgebied gewapenderhand
wordt aangevallen, brengt de overige deelnemende lidstaten op de hoogte van de situatie en kan hun
om hulp en bijstand verzoeken. De deelnemende staten komen op ministerieel niveau bijeen en
worden bijgestaan door hun vertegenwoordiger in het Politiek en Veiligheidscomité en het Militair
Comité.
3. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wordt terstond op de hoogte gebracht van iedere
gewapende aanval en de naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen.
4. Dit artikel laat, ten aanzien van de betrokken lidstaten, de rechten en verplichtingen op grond van
het Noord-Atlantisch Verdrag onverlet.

AFDELING 2

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel III-215
1. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van dit
hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.
2. De beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien, komen eveneens ten
laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer zij verband houden met operaties die
consequenties hebben op militair of defensiegebied en met gevallen waarin de Raad van Ministers
anders besluit.
Uitgaven die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, vallen ten laste van de lidstaten
volgens de verdeelsleutel die gebaseerd is op het bruto nationaal product, tenzij de Raad van
Ministers anders besluit. Lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad van Ministers een
formele verklaring krachtens artikel III-201, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht
bij te dragen in de financiering van uitgaven welke verband houden met operaties die consequenties
hebben op militair of defensiegebied.
3. De Raad van Ministers stelt bij Europees besluit specifieke procedures vast die waarborgen dat
de op de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van
initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name
voor de voorbereiding van de in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies, snel beschikbaar komen. De
Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.
De voorbereiding van de in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies die niet ten laste komen van de
begroting van de Unie, wordt gefinancierd uit een startfonds, gevormd door bijdragen van de
lidstaten.
De Raad van Ministers regelt bij Europees besluit, op voorstel van de minister van Buitenlandse
Zaken van de Unie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:
a) de instelling en vorming van het startfonds, met name ten aanzien van de in het fonds gestorte
middelen en de wijze van terugbetaling;
b) het beheer van het startfonds;
c) de financiële controle.
Wanneer de Raad van Ministers een missie in de zin van artikel I-40, lid 1, overweegt, die niet ten
laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, machtigt hij de minister van Buitenlandse
Zaken van de Unie om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie
brengt aan de Raad van Ministers verslag uit over de uitvoering van deze opdracht.

HOOFDSTUK III

DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Artikel III-216
Door tussen de lidstaten een douane-unie op te richten beoogt de Unie in het gemeenschappelijk
belang een bijdrage te leveren tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, tot de
geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer en voor
buitenlandse directe investeringen, en tot de verlaging van de tarief- en andere barrières.

Artikel III-217
1. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, met name
aangaande de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden betreffende handel in
goederen en diensten, en de handelsaspecten van intellectuele eigendom, de directe buitenlandse
investeringen, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek alsmede de
handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van
dumping en subsidies. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de
beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie.
2. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen ter uitvoering van de gemeenschappelijke
handelspolitiek vastgesteld.
3. Indien over akkoorden met een of meer staten of internationale organisaties wordt onderhandeld
en deze worden gesloten, zijn de desbetreffende bepalingen van artikel III-227 van toepassing. De
Europese Commissie doet aanbevelingen aan de Raad van Ministers, die haar machtigt de vereiste
onderhandelingen te openen. De Raad en de Commissie zien erop toe dat die akkoorden
verenigbaar zijn met het interne beleid en de interne voorschriften van de Unie.
De Europese Commissie voert de onderhandelingen in overleg met een speciaal comité, door de
Raad van Ministers aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtsnoeren
welke de Raad van Ministers haar kan verstrekken. De Commissie brengt aan het speciaal comité en
het Europees Parlement regelmatig verslag uit over de stand van de onderhandelingen.
4. Terzake van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende de handel in
diensten waarbij personen zich verplaatsen en betreffende de handelsaspecten van intellectuele
eigendom, besluit de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen voorzover deze akkoorden
bepalingen bevatten die met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld indien het interne
voorschriften zou betreffen.
De Raad besluit ook met eenparigheid van stemmen terzake van de onderhandelingen over en de
sluiting van akkoorden betreffende de handel in culturele en audiovisuele diensten, indien deze
akkoorden afbreuk dreigen te doen aan de verscheidenheid aan culturen en talen in de Unie.
Op de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende vervoer blijven de
bepalingen van afdeling 7 van hoofdstuk III van titel III, alsmede artikel III-227, van toepassing.
5. De uitoefening van de bij dit artikel verleende bevoegdheden op het gebied van de handels-
politiek laat de afbakening van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten onverlet en leidt
niet tot enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten
voorzover de Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.

HOOFDSTUK IV

DE SAMENWERKING MET DERDE LANDEN
EN DE HUMANITAIRE HULP

AFDELING 1

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Artikel III-218
1. Het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking wordt gevoerd in het
kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie. Het ontwikkelings-
samenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten versterken elkaar en vullen elkaar aan.
Hoofddoel van het beleid van de Unie op dit gebied is de armoede terug te dringen en tenslotte uit
te bannen. De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikke-
lingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking.
2. De Unie en de lidstaten houden zich aan de verbintenissen en de doelstellingen die zij in het
kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties hebben onder-
schreven.

Artikel III-219
1. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen ter uitvoering van het
ontwikkelingssamenwerkingsbeleid vastgesteld; deze kunnen betrekking hebben op meer-
jarenprogramma's voor samenwerking met ontwikkelingslanden of op thematische programma's.
2. De Unie kan met derde landen en bevoegde internationale organisaties alle overeenkomsten
sluiten die dienstig zijn voor de verwezenlijking van de in artikel III-193 genoemde doelstellingen.
De onderhandelingen over en de sluiting van die overeenkomsten vinden plaats overeenkomstig
artikel III-227.
De eerste alinea laat onverlet de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te
onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.
3. De Europese Investeringsbank draagt, onder de in haar statuten vastgestelde voorwaarden, bij tot
de uitvoering van de in lid 1 bedoelde maatregelen.

Artikel III-220
1. Om de complementariteit en de doeltreffendheid van hun optreden te bevorderen coördineren de
Unie en de lidstaten hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en plegen zij overleg over hun hulp-
programma's, ook in internationale organisaties en tijdens internationale conferenties. Zij kunnen
gezamenlijk optreden. De lidstaten dragen zo nodig bij tot de uitvoering van de hulpprogramma's
van de Unie.
2. De Europese Commissie kan alle dienstige initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde
coördinatie te bevorderen.
3. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met
derde landen en met de bevoegde internationale organisaties.

AFDELING 2

ECONOMISCHE, FINANCIËLE EN TECHNISCHE SAMENWERKING
MET DERDE LANDEN

Artikel III-221
1. Onverminderd de overige bepalingen van dit verdrag, met name de artikelen III-218 tot en
met III-220, onderneemt de Unie activiteiten voor economische, financiële en technische
samenwerking, waaronder met name financiële bijstand begrepen, met derde landen die geen
ontwikkelingsland zijn. Deze activiteiten zijn coherent met het ontwikkelingsbeleid van de Unie en
vinden plaats in het kader van de beginselen en doelstellingen van haar externe optreden. De
activiteiten van de Unie en die van de lidstaten zijn wederzijds versterkend en complementair.
2. De maatregelen ter uitvoering van lid 1 worden bij Europese wet of kaderwet vastgesteld.
3. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met
derde landen en met de bevoegde internationale organisaties. De samenwerking van de Unie kan
nader worden geregeld in overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen, waarover
onderhandeld wordt en die gesloten worden overeenkomstig artikel III-227. De Raad van Ministers
besluit met eenparigheid van stemmen over associatieovereenkomsten in de zin van artikel III-226,
lid 2, en over de overeenkomsten met de kandidaat-lidstaten van de Unie.
De eerste alinea laat onverlet de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te
onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

Artikel III-222
Wanneer de situatie in een derde land dringende financiële hulp van de Unie vereist, stelt de Raad
van Ministers op voorstel van de Europese Commissie de nodige Europese besluiten vast.

AFDELING 3

DE HUMANITAIRE HULP

Artikel III-223
1. Het optreden van de Unie op het gebied van humanitaire hulp vindt plaats in het kader van de
beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie. Dat optreden strekt tot
specifieke bijstand, hulpverlening en bescherming ten behoeve van de bevolkingen van derde
landen die het slachtoffer zijn van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, om de uit
die situaties voortvloeiende humanitaire noden te lenigen. De activiteiten van de Unie en die van de
lidstaten vullen elkaar aan en versterken elkaar.
2. Humanitaire hulp wordt verleend overeenkomstig de beginselen van het internationaal humanitair
recht, met name de beginselen van onpartijdigheid en non-discriminatie.
3. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die het kader voor de
uitvoering van de humanitaire hulpverlening van de Unie bepalen.
4. De Unie kan met derde landen en de bevoegde internationale organisaties alle internationale
overeenkomsten sluiten die de in artikel III-193 genoemde doelstellingen helpen verwezenlijken.
De onderhandelingen over en de sluiting van die overeenkomsten vinden plaats overeenkomstig
artikel III-227.
De eerste alinea laat onverlet de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te
onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.
5. Er wordt een Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulp opgericht, als kader voor
gemeenschappelijke bijdragen van Europese jongeren aan humanitaire acties van de Unie. Het
statuut en de voorschriften voor de werking van het korps worden bij Europese wet vastgesteld.
6. De Europese Commissie kan ieder dienstig initiatief nemen om de coördinatie tussen het
optreden van de Unie en het optreden van de lidstaten te bevorderen, teneinde de humanitaire
hulpmiddelen van de Unie en van de lidstaten doeltreffender en meer complementair te maken.
7. De Unie ziet erop toe dat haar humanitaire hulpverlening gecoördineerd wordt en coherent is met
die van internationale organisaties en instanties, met name die tot het bestel van de Verenigde
Naties behoren.

HOOFDSTUK V

BEPERKENDE MAATREGELEN

Artikel III-224
1. In de gevallen waarin een Europees besluit betreffende een standpunt of een optreden van de
Unie dat volgens de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
van hoofdstuk II van deze titel is vastgesteld, voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke
beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, worden de
Europese vorderingen en besluiten door de Raad van Ministers op gezamenlijk voorstel van de
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Europese Commissie en met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen vastgesteld. De Raad van Ministers stelt het Europees Parlement daarvan
in kennis.
2. De Raad van Ministers kan op de in lid 1 genoemde gebieden volgens dezelfde procedure
beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en niet-statelijke formaties en
entiteiten vaststellen.

HOOFDSTUK VI

INTERNATIONALE AKKOORDEN

Artikel III-225
1. De Unie kan akkoorden met een of meer derde staten of internationale organisaties sluiten
wanneer de Grondwet daarin voorziet of wanneer het sluiten van een akkoord nodig is om, in het
kader van het beleid van de Unie, een van de in de Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezen-
lijken, wanneer daarin bij een bindende rechtshandeling van de Unie is voorzien of wanneer zulks
van invloed is op een intern besluit van de Unie.
2. De door de Unie gesloten akkoorden zijn verbindend voor de instellingen van de Unie en voor de
lidstaten.

Artikel III-226
1. De Unie kan met een of meer derde staten of internationale organisaties associatieovereen-
komsten sluiten. Bij deze overeenkomsten wordt een associatie ingesteld die wordt gekenmerkt
door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijke optredens en bijzondere
procedures.

Artikel III-227
1. Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel III-217 wordt bij het onderhandelen over en
het sluiten van akkoorden tussen de Unie en derde staten of internationale organisaties de volgende
procedure gevolgd.
2. De Raad van Ministers verleent de machtiging voor het openen van de onderhandelingen, stelt
onderhandelingsrichtsnoeren vast en sluit de akkoorden.
3. De Europese Commissie of, indien het akkoord uitsluitend dan wel hoofdzakelijk betrekking
heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de minister van Buitenlandse
Zaken van de Unie doet aanbevelingen aan de Raad van Ministers, die een Europees besluit
vaststelt waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van de onderhandelingen.
4. In het kader van het Europees besluit waarbij machtiging wordt verleend voor de onder-
handelingen wijst de Raad van Ministers, naar gelang van de inhoud van het toekomstige akkoord,
de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie aan.
5. De Raad van Ministers kan de onderhandelaar van de Unie onderhandelingsrichtsnoeren geven
en hij kan een bijzonder comité aanwijzen in overleg waarmee de onderhandelingen moeten worden
gevoerd.
6. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de onderhandelaar een Europees besluit vast waarbij
machtiging wordt verleend voor de ondertekening en, in voorkomend geval, de voorlopige
toepassing.
7. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de onderhandelaar een Europees besluit houdende
sluiting van het akkoord vast.
Tenzij het akkoord uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en
veiligheidsbeleid, stelt de Raad van Ministers het in lid 1 bedoelde besluit na raadpleging van het
Europees Parlement vast. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen de termijn die de Raad
van Ministers naar gelang van de urgentie kan vaststellen. Indien er binnen die termijn geen advies
is uitgebracht, kan de Raad van Ministers besluiten.
De goedkeuring van het Europees Parlement is vereist met betrekking tot:
a) de associatieovereenkomsten,
b) de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden,
c) akkoorden die een specifiek institutioneel kader in het leven roepen door het instellen van
samenwerkingsprocedures,
d) akkoorden die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting van de Unie en
e) akkoorden die gebieden betreffen waarop de wetgevingsprocedure van toepassing is.
In dringende gevallen kunnen het Europees Parlement en de Raad van Ministers een termijn
overeenkomen voor het geven van de goedkeuring.
8. Bij de sluiting van een akkoord kan de Raad van Ministers, in afwijking van de leden 6, 7 en 10,
de onderhandelaar machtigen om de wijzigingen die krachtens het akkoord volgens een vereen-
voudigde procedure of door een bij het akkoord opgericht orgaan worden aangenomen, namens de
Unie goed te keuren; de Raad van Ministers kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden
verbinden.
9. Tijdens de gehele procedure besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van
stemmen. Hij besluit met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord een gebied betreft
waarop handelingen van de Unie met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld, alsmede ten
aanzien van associatieovereenkomsten en de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of
van de Europese Commissie een Europees besluit vast tot opschorting van de toepassing van een
akkoord en tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een
krachtens een akkoord opgericht lichaam dat handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met
uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het
akkoord.
11. Het Europees Parlement wordt in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle op de
hoogte gebracht.
12. Een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie kan het
advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een voorgenomen akkoord
met de bepalingen van de Grondwet. Indien het Hof van Justitie afwijzend adviseert, kan het
voorgenomen akkoord niet in werking treden, behoudens in geval van wijziging daarvan of
herziening van de Grondwet volgens de procedure van artikel IV-6.

Artikel III-228
1. In afwijking van artikel III-227 kan de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen op
aanbeveling van de Europese Centrale Bank of van de Europese Commissie en na raadpleging van
de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de
doelstelling van prijsstabiliteit, en na raadpleging van het Europees Parlement, volgens de
procedure van lid 3 voor de aldaar omschreven regelingen, formele overeenkomsten sluiten over
een stelsel van wisselkoersen van de euro ten opzichte van valuta's die geen wettig betaalmiddel
zijn in de Unie.
De Raad van Ministers kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, hetzij op aanbeveling
van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, hetzij op
aanbeveling van de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is
met de doelstelling van prijsstabiliteit, de euro-spilkoersen binnen het wisselkoersstelsel invoeren,
wijzigen of afschaffen. De voorzitter van de Raad van Ministers stelt het Europees Parlement in
kennis van de invoering, wijziging of afschaffing van de euro-spilkoers.
2. Indien het wisselkoersstelsel een lacune vertoont ten opzichte van één of meer valuta's die in de
Unie geen wettig betaalmiddel zijn, in de zin van lid 1, kan de Raad van Ministers op aanbeveling
van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, of op aanbeveling
van de Europese Centrale Bank, algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van
deze valuta's vaststellen. Deze algemene oriëntaties laten het hoofddoel van het Europees Stelsel
van Centrale Banken, zijnde het handhaven van de prijsstabiliteit, onverlet.
3. In afwijking van artikel III-227 treft de Raad van Ministers, wanneer de Unie onderhandelingen
met één of meer staten of internationale organisaties moet voeren over aangelegenheden betreffende
het monetaire of wisselkoersstelsel, op aanbeveling van de Europese Commissie en na raadpleging
van de Europese Centrale Bank, regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van
dergelijke overeenkomsten. Deze regelingen verzekeren dat de Unie één standpunt inneemt. De
Commissie wordt ten volle bij de onderhandelingen betrokken.
4. Onverminderd de bevoegdheden en de overeenkomsten van de Unie op het gebied van de
Economische en Monetaire Unie, kunnen de lidstaten in internationale organen onderhandelingen
voeren en internationale overeenkomsten sluiten.

HOOFDSTUK VII

DE BETREKKINGEN VAN DE UNIE MET INTERNATIONALE ORGANISATIES,
MET DERDE LANDEN EN MET DE DELEGATIES VAN DE UNIE

Artikel III-229
1. De Unie brengt iedere dienstige samenwerking tot stand met de Verenigde Naties, de Raad van
Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
2. Zij onderhoudt daarnaast de wenselijk geachte betrekkingen met andere internationale
organisaties.
3. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Europese Commissie zijn belast met de
uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

Artikel III-230
1. De delegaties van de Unie in derde landen en bij internationale organisaties vertegenwoordigen
de Unie.
2. De delegaties van de Unie werken onder het gezag van de minister van Buitenlandse Zaken van
de Unie en in nauwe samenspraak met de diplomatieke missies van de lidstaten.

HOOFDSTUK VIII

TOEPASSING VAN DE SOLIDARITEITSCLAUSULE

Artikel III-231
1. De Raad van Ministers regelt bij Europees besluit op gezamenlijk voorstel van de Europese
Commissie en van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie de toepassing van de in
artikel I-42 bedoelde solidariteitsclausule. Het Europees Parlement wordt op de hoogte gesteld.
2. Wanneer een lidstaat getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een ramp
ten gevolge van menselijk optreden, wordt hem door de andere lidstaten op verzoek van zijn
politieke autoriteiten bijstand verleend. Te dien einde coördineren de lidstaten hun optreden in het
kader van de Raad van Ministers.
3. In het kader van dit artikel wordt de Raad van Ministers bijgestaan door het Politiek en
Veiligheidscomité met ondersteuning van de structuren die zijn ontwikkeld in het kader van het
gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en door het Comité artikel III-162 welke comités
hem in voorkomend geval gezamenlijke adviezen verstrekken.
4. Met het oog op een doeltreffend optreden van de Unie evalueert de Europese Raad regelmatig de
dreigingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt.

TITEL VI

DE WERKING VAN DE UNIE

HOOFDSTUK I

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

AFDELING I

DE INSTELLINGEN

Onderafdeling 1

Het Europees Parlement

Artikel III-232
1. Bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers worden de maatregelen vastgesteld voor
het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen van de leden van het Europees Parlement
volgens een in alle lidstaten gelijke procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen
hebben.
De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen over een ontwerp van het Europees
Parlement, en na de goedkeuring te hebben verkregen van het Europees Parlement, dat met
meerderheid van stemmen van zijn leden een besluit neemt. Deze wet of kaderwet treedt pas in
werking nadat hij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen
is goedgekeurd.
2. Bij Europese wet van het Europees Parlement worden de voorschriften en algemene voorwaarden
voor de vervulling van de taken van zijn leden vastgesteld. Het Europees Parlement besluit op eigen
initiatief, na raadpleging van de Europese Commissie en met goedkeuring van de Raad van
Ministers. Alle bepalingen en voorwaarden betreffende de belastingregeling voor leden of
voormalige leden worden door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld.
3. Tijdens de gehele zittingsperiode 2004-2009 is het Europees Parlement samengesteld overeen-
komstig het Protocol inzake de vertegenwoordiging van de burgers in het Europees Parlement.

Artikel III-233
Bij Europese wet wordt het statuut, en in het bijzonder de regeling inzake de financiering, van de in
artikel I-45, lid 4, bedoelde Europese politieke partijen vastgesteld.

Artikel III-234
Het Europees Parlement kan met een meerderheid van de stemmen van zijn leden de Europese
Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen betreffende aangelegenheden waarin naar
het oordeel van het Parlement voor de uitvoering van de Grondwet een handeling van de Unie
vereist is. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvoor aan het
Parlement mede.

Artikel III-235
In het kader van de vervulling van zijn taken kan het Europees Parlement op verzoek van een vierde
van zijn leden een tijdelijke enquêtecommissie instellen die, onverminderd de in de Grondwet aan
andere instellingen of organen verleende bevoegdheden, beweerde inbreuken op het recht van de
Unie of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie onderzoekt, behalve
wanneer de beweerde feiten het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke procedure die nog niet is
voltooid.
De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan zodra zij haar verslag heeft ingediend.
Het Europees Parlement stelt bij Europese wet de nadere bepalingen betreffende de uitoefening van
het enquêterecht vast. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na goedkeuring door de
Raad van Ministers en door de Europese Commissie.

Artikel III-236
Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of
statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht om individueel of tezamen met andere burgers of
personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot
de werkterreinen van de Unie behoort en dat hem rechtstreeks aangaat.

Artikel III-237
1. Het Europees Parlement benoemt de Europese ombudsman. De Europese ombudsman is bevoegd
kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke of rechtspersonen met
verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat, over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de
instellingen, organen of bureaus van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie bij de
uitoefening van zijn gerechtelijke taak.
In het kader van zijn opdracht stelt de Europese ombudsman, op eigen initiatief dan wel op basis
van klachten welke hem rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement zijn voorgelegd, het
door hem gerechtvaardigd geachte onderzoek in, behalve wanneer de beweerde feiten het voorwerp
van een gerechtelijke procedure uitmaken of hebben uitgemaakt. Indien de Europese ombudsman
een geval van wanbeheer vaststelt, legt hij de zaak voor aan de instelling, het orgaan of het bureau
in kwestie, waarvan hem binnen een termijn van drie maanden het standpunt wordt medegedeeld.
De Europese ombudsman doet vervolgens een verslag aan het Europees Parlement en aan de
instelling, het orgaan of het bureau toekomen. De klager wordt op de hoogte gebracht van het
resultaat van het onderzoek.
De Europese ombudsman brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement over het resultaat
van zijn onderzoeken.
2. De Europese ombudsman wordt na iedere verkiezing van het Europees Parlement voor de
zittingsduur ervan benoemd. Hij is herbenoembaar.
De Europese ombudsman kan op verzoek van het Europees Parlement door het Hof van Justitie uit
zijn ambt worden ontzet, indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van het ambt voldoet
of op ernstige wijze is tekortgeschoten.
3. De Europese ombudsman oefent zijn ambt volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van zijn
taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van enig lichaam. Gedurende zijn ambtsperiode mag de
Europese ombudsman geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten.
4. Het Europees Parlement stelt bij Europese wet het statuut van de ombudsman en de algemene
voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van Europees ombudsman vast. Het Europees
Parlement besluit op eigen initiatief, na advies van de Europese Commissie en na goedkeuring door
de Raad van Ministers.

Artikel III-238
Het Europees Parlement houdt jaarlijks een zitting. Het Parlement komt van rechtswege op de
tweede dinsdag van maart bijeen.
Het Europees Parlement kan op verzoek van de meerderheid van zijn leden, dan wel op verzoek van
de Raad van Ministers of van de Europese Commissie in buitengewone vergaderperiode
bijeenkomen.

Artikel III-239
1. De Europese Commissie kan iedere vergadering van het Europees Parlement bijwonen en wordt
op haar verzoek gehoord.
De Europese Commissie antwoordt mondeling of schriftelijk op vragen van het Europees Parlement
of van zijn leden.
2. De Europese Raad en de Raad van Ministers worden door het Europees Parlement gehoord
volgens de procedurevoorschriften van de Europese Raad en volgens het reglement van orde van de
Raad van Ministers.

Artikel III-240
Voorzover in de Grondwet niet anders is bepaald, besluit het Europees Parlement bij meerderheid
van stemmen. Het quorum wordt in het reglement van orde bepaald.

Artikel III-241
Het Europees Parlement stelt zijn reglement van orde vast met een meerderheid van de stemmen
van zijn leden.
De handelingen van het Europees Parlement worden overeenkomstig de bepalingen van de
Grondwet en het reglement van orde bekendgemaakt.

Artikel III-242
Het Europees Parlement beraadslaagt in openbare zitting over het door de Europese Commissie
voorgelegde algemene jaarverslag.

Artikel III-243
Wanneer aan het Europees Parlement een motie van afkeuring betreffende het beleid van de
Europese Commissie wordt voorgelegd, kan het Parlement zich niet eerder dan drie dagen na de
indiening ervan en slechts bij openbare stemming over deze motie uitspreken.
Indien de motie van afkeuring is aangenomen met een meerderheid van tweederde van de stemmen
en tevens met een meerderheid van de stemmen van de leden, moet de Commissie aftreden. Zij
blijft de lopende zaken behartigen tot overeenkomstig de artikelen I-25 en I-26 in haar vervanging
is voorzien. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de ter vervanging benoemde Commissie op
de datum waarop de ambtstermijn van de tot aftreden gedwongen Commissie zou zijn verstreken.

Onderafdeling 2

De Europese Raad

Artikel III-244
1. Ieder lid van de Europese Raad kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens
hem te stemmen.
Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor
het aannemen der besluiten van de Europese Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.
2. De voorzitter van het Europees Parlement kan worden uitgenodigd door de Europese Raad te
worden gehoord.
3. De Europese Raad stelt bij gewone meerderheid zelf zijn procedurevoorschriften vast.
De Europese Raad wordt bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad van Ministers.

Onderafdeling 3

De Raad van Ministers

Artikel III-245
1. De Raad van Ministers wordt door zijn voorzitter, op diens initiatief, of op initiatief van een van
zijn leden of van de Europese Commissie in vergadering bijeengeroepen.
2. De Europese Raad stelt bij Europees besluit met eenparigheid van stemmen de toerbeurtregeling
voor het voorzitterschap van de formaties van de Raad van Ministers vast.

Artikel III-246
1. Ieder lid van de Raad van Ministers kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om
namens hem te stemmen.
2. Wanneer in de Raad van Ministers bij gewone meerderheid wordt besloten, besluit de Raad met
een meerderheid van de stemmen van zijn leden.
3. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor
de vaststelling van besluiten van de Raad van Ministers waarvoor eenparigheid van stemmen is
vereist.

Artikel III-247
1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de
werkzaamheden van de Raad van Ministers voor te bereiden en de door de Raad van Ministers
verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad van
Ministers genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.
2. De Raad van Ministers wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een
secretaris-generaal, die door de Raad van Ministers wordt benoemd.
De Raad van Ministers beslist bij gewone meerderheid van stemmen over de organisatie van het
secretariaat-generaal.
3. De Raad van Ministers besluit bij gewone meerderheid van stemmen over procedurekwesties en
stelt met gewone meerderheid van stemmen zijn reglement van orde vast.

Artikel III-248
De Raad van Ministers kan bij gewone meerderheid van stemmen de Europese Commissie
verzoeken, alle studies die hij wenselijk acht ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doel-
stellingen te verrichten en hem alle terzake dienende voorstellen te doen. Indien de Commissie geen
voorstellen doet, stelt zij de Raad van Ministers in kennis van de redenen daarvan.

Artikel III-249
De Raad van Ministers stelt bij Europees besluit het statuut van de door de Grondwet ingestelde
comités vast. Hij besluit bij gewone meerderheid, na overleg met de Europese Commissie.

Onderafdeling 4

De Europese Commissie

Artikel III-250
De Europese commissarissen en de commissarissen zonder stemrecht worden voor een periode van
vijf jaar benoemd, behoudens, in voorkomend geval, artikel III-243. Alleen onderdanen van de
lidstaten, kunnen Europees commissaris of commissaris zijn.

Artikel III-251
De Europese commissarissen en de commissarissen onthouden zich van iedere handeling welke
onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. Iedere lidstaat verbindt zich ertoe, dit beginsel te
eerbiedigen en niet te trachten de Europese commissarissen en de commissarissen te beïnvloeden
bij de uitvoering van hun taak.
De Europese commissarissen en de commissarissen mogen gedurende hun ambtstermijn geen
andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding
verbinden zij zich plechtig ertoe, gedurende hun ambtstermijn en na afloop daarvan de uit hun taak
voortvloeiende verplichtingen na te komen, en in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten
in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van hun ambtstermijn. Indien deze
verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad van Ministers, bij gewone meerderheid van
stemmen, of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, naargelang van het geval,
ontslag ambtshalve volgens artikel III-253 of verval van het recht op pensioen of van andere,
daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken.

Artikel III-252
1. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een
Europees commissaris of van een commissaris door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve. Een
Europees commissaris of een commissaris dient zijn ontslag in indien de voorzitter hem daarom
verzoekt.
2. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden, wordt de Europees commissaris
of de commissaris voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuwe Europees
commissaris of commissaris die door de voorzitter van de Europese Commissie wordt benoemd
overeenkomstig de artikelen I-25 en I-26.
3. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden, wordt de voorzitter voor de
verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen overeenkomstig artikel I-26, lid 1.
4. In geval van ontslag van alle Europese commissarissen en commissarissen, blijven zij in functie
totdat in hun vervanging is voorzien, voor de verdere duur van hun ambtstermijn, overeenkomstig
de artikelen I-25 en I-26.

Artikel III-253
Op verzoek van de Raad van Ministers, die besluit bij gewone meerderheid van stemmen, of van de
Commissie, kan een Europees commissaris of commissaris die niet meer aan de eisen voor de uit-
oefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie uit
zijn ambt worden ontzet.

Artikel III-254
De taken van de Europese Commissie worden overeenkomstig artikel I-26, lid 3 door de voorzitter
gestructureerd en over de leden van de Commissie verdeeld. De voorzitter kan de taakverdeling
tijdens de ambtstermijn wijzigen. De Europese commissarissen en commissarissen oefenen de hun
door de voorzitter toegewezen taak onder diens gezag uit.

Artikel III-255
De besluiten van de Europese Commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van het
college. Het quorum wordt in het reglement van orde bepaald.

Artikel III-256
De Europese Commissie stelt haar reglement van orde vast, teneinde haar eigen werkzaamheden en
die van haar diensten te regelen. Zij draagt er zorg voor dat het reglement wordt bekendgemaakt.

Artikel III-257
De Europese Commissie publiceert jaarlijks, ten minste een maand voordat de zitting van het
Europees Parlement wordt geopend, een algemeen verslag over de activiteiten van de Unie.

Onderafdeling 5

Het Hof van Justitie

Artikel III-258
Het Hof van Justitie houdt zitting in kamers, als grote kamer of in voltallige zitting, overeenkomstig
het statuut van het Hof van Justitie.

Artikel III-259
Het Europees Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Indien het Europees
Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen een
besluit houdende verhoging van het aantal advocaten-generaal vaststellen.
De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onaf-
hankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeen-
komstig het statuut van het Hof van Justitie vereist is.

Artikel III-260
De rechters en de advocaten-generaal van het Europees Hof van Justitie, gekozen uit personen die
alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onder-
scheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechts-
geleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na
raadpleging van het Comité van artikel III-262.
Om de drie jaar vindt, op de wijze die in het statuut van het Hof van Justitie is bepaald, een gedeel-
telijke vervanging van de rechters en de advocaten-generaal plaats.
De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Europees Hof van Justitie. Hij
is herbenoembaar.
Het Europees Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt
ter goedkeuring aan de Raad van Ministers voorgelegd.

Artikel III-261
Het aantal rechters van de Rechtbank wordt vastgesteld bij het statuut van het Hof van Justitie. Het
statuut kan bepalen dat de Rechtbank wordt bijgestaan door advocaten-generaal.
De leden van de Rechtbank worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijk-
heid bieden en bekwaam zijn hoge rechtelijke ambten te bekleden. Zij worden in onderlinge over-
eenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na raadpleging van het Comité van
artikel III-262. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van de Rechtbank plaats. De
aftredende leden zijn herbenoembaar.
De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van de Rechtbank. Hij is herbenoem-
baar.
De Rechtbank stelt in overeenstemming met het Europees Hof van Justitie zijn reglement voor de
procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad van Ministers voorgelegd.
Tenzij in het statuut van het Europees Hof van Justitie anders is bepaald, zijn de bepalingen van de
Grondwet betreffende het Europees Hof van Justitie op de Rechtbank van toepassing.

Artikel III-262
Er wordt een comité opgericht dat de lidstaten van advies dient over de geschiktheid van de kandi-
daten voor de uitoefening van de ambten van rechter en advocaat-generaal van het Europees Hof
van Justitie en van de Rechtbank, voorafgaand aan het besluit van de regeringen van de lidstaten
overeenkomstig de artikelen III-260 en III-261.
Het comité bestaat uit zeven voormalige leden van het Europees Hof van Justitie en van de Recht-
bank, personen die de hoogste nationale rechterlijke ambten bekleden en personen die bekend staan
als kundige rechtsgeleerden, waarvan er één wordt voorgedragen door het Europees Parlement. De
Raad van Ministers stelt een Europees besluit houdende bepaling van de werkwijze van dit comité,
alsmede een Europees besluit tot benoeming van de leden. De Raad besluit op initiatief van de
president van het Europees Hof van Justitie.

Artikel III-263
1. De Rechtbank is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen III-270, III-272,
III-275, III-277 en III-279, bedoelde beroepen, met uitzondering van de beroepen waarvan een
gespecialiseerde rechtbank kennis neemt en die waarvan de kennisneming overeenkomstig het
statuut aan het Europees Hof van Justitie is voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat de
Rechtbank bevoegd is kennis te nemen van andere categorieën van beroepen.
Tegen de beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kan bij het Europees Hof van
Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen
de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie worden bepaald.
2. De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen
beslissingen van de krachtens artikel III-264 ingestelde gespecialiseerde rechtbanken.
De beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de
grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie
worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het
recht van de Unie wordt aangetast.
3. De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd
krachtens artikel III-274 en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut van het Hof van Justitie
bepaalde aangelegenheden.
Wanneer de Rechtbank van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden
genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan hij
de zaak naar het Europees Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.
De beslissingen die de Rechtbank over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de
grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie
worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het
recht van de Unie wordt aangetast.

Artikel III-264
1. Bij Europese wet kunnen gespecialiseerde rechtbanken worden ingesteld die worden toegevoegd
aan de Rechtbank, en die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in
specifieke aangelegenheden. De Europese wet wordt vastgesteld hetzij op voorstel van de Europese
Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie, hetzij op verzoek van het Hof van Justitie en
na raadpleging van de Commissie.
2. In de Europese wet tot instelling van een gespecialiseerde rechtbank worden de regels voor de
samenstelling van de rechtbanken vastgesteld en wordt de reikwijdte van de aan deze rechtbanken
verleende bevoegdheden bepaald.
3. Tegen de beslissingen van de gespecialiseerde rechtbanken kan bij de Rechtbank een tot rechts-
vragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld of, wanneer de Europese wet tot instelling
van de gespecialiseerde rechtbank daarin voorziet, een beroep dat ook op feitelijke vragen betrek-
king heeft.
4. De leden van de gespecialiseerde rechtbanken worden gekozen uit personen die alle waarborgen
voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden door
de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen benoemd.
5. De gespecialiseerde rechtbanken stellen in overeenstemming met het Hof van Justitie hun
reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad van
Ministers voorgelegd.
6. Tenzij in de Europese wet tot instelling van de gespecialiseerde rechtbank anders is bepaald, zijn
de bepalingen van de Grondwet betreffende het Hof van Justitie en de bepalingen van het statuut
van het Hof van Justitie op de gespecialiseerde rechtbanken van toepassing.

Artikel III-265
Indien de Europese Commissie van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Grondwet op hem
rustende verplichting niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies
uit, na de lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.
Indien de betrokken staat het advies niet binnen de door de Europese Commissie gestelde termijn
opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.

Artikel III-266
Een lidstaat die van mening is dat een andere lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende
verplichting niet is nagekomen, kan zich tot het Hof van Justitie wenden.
Voordat een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient wegens een beweerde schending
van diens verplichtingen krachtens de Grondwet, legt hij deze klacht voor aan de Europese
Commissie.
De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit, nadat de betrokken staten de
gelegenheid is gegeven over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.
Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht,
kan de klacht desalniettemin bij het Hof van Justitie worden ingediend.

Artikel III-267
1. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende
verplichting niet is nagekomen, is deze staat gehouden het nodige te doen om gevolg te geven aan
het arrest van het Hof van Justitie.
2. Indien de Europese Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft
gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof van Justitie, kan zij, nadat zij deze staat de
mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, de zaak voor het Hof van Justitie
brengen. De Commissie vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire
som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.
Indien het Hof van Justitie vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn arrest niet is nagekomen, kan het
aan deze staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen.
Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel III-266.
3. Wanneer de Europese Commissie bij het Hof van Justitie beroep instelt op grond van
artikel III-265 omdat zij van oordeel is dat de betrokken lidstaat zijn verplichting tot mededeling
van voorschriften ter omzetting van een Europese kaderwet niet is nagekomen, kan de Commissie,
indien zij dit passend acht, het Hof van Justitie in hetzelfde beroepschrift verzoeken de betaling van
een forfaitaire som of een dwangsom op te leggen indien het vaststelt dat een verplichting niet is
nagekomen. Indien het Hof van Justitie aan het verzoek van de Commissie voldoet, wordt de
betrokken betaling verricht binnen de door het Hof van Justitie in zijn arrest gestelde termijn.

Artikel III-268
De Europese wetten en de Europese verordeningen van de Raad van Ministers kunnen aan het Hof
van Justitie volledige rechtsmacht verlenen wat betreft de sancties die erin zijn opgenomen.

Artikel III-269
Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet kan aan het Hof van Justitie bij Europese
wet voorzover daarin bepaald, de bevoegdheid worden verleend uitspraak te doen in geschillen die
verband houden met de toepassing van krachtens de Grondwet vastgestelde handelingen waarbij
Europese intellectuele-eigendomsrechten worden ingesteld.

Artikel III-270
1. Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en kaderwetten, van de
handelingen van de Raad van Ministers, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank,
voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees
Parlement die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben. Het Hof van Justitie gaat ook de
wettigheid na van de handelingen van de organen of bureaus van de Unie die beogen
rechtsgevolgen tegenover derden te hebben.
2. Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen op ieder door een lidstaat, het Europees
Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie ingesteld beroep wegens
onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van
enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
3. Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen op ieder door de
Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op de
vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
4. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen
handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen
regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich
meebrengen.
5. De handelingen tot oprichting van organen en bureaus van de Unie kunnen voorzien in specifieke
voorwaarden inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen
handelingen van deze organen of bureaus die beogen rechtsgevolgen te hebben.
6. Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, naargelang van
het geval te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, de dag van kennisgeving
aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft
gekregen.

Artikel III-271
Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie nietig
verklaard.
Het Hof van Justitie bepaalt evenwel, zo het dit nodig oordeelt, welke gevolgen van de vernietigde
handeling als definitief moeten worden beschouwd.

Artikel III-272
Indien het Europees Parlement, de Raad van Ministers, de Europese Commissie of de Europese
Centrale Bank, in strijd met de Grondwet, nalaat te besluiten, kunnen de lidstaten en de overige
instellingen van de Unie zich tot het Hof van Justitie wenden om deze schending te doen
vaststellen. Deze bepaling is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de organen en de
bureaus van de Unie die nalaten een besluit te nemen.
Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de instelling, het orgaan of het bureau in kwestie vooraf tot
handelen is uitgenodigd. Indien de instelling, het orgaan of het bureau niet binnen twee maanden, te
rekenen vanaf de uitnodiging, een standpunt heeft bepaald, kan het binnen een nieuwe termijn van
twee maanden beroep worden ingesteld.
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voor-
waarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een instelling, orgaan of
bureau van de Unie heeft nagelaten tot hem een andere handeling te richten dan een aanbeveling of
een advies.

Artikel III-273
De instelling, het orgaan of het bureau waarvan de handeling nietig is verklaard of waarvan de
nalatigheid strijdig met de Grondwet is verklaard, is gehouden het nodige te doen om gevolg te
geven aan het arrest van het Hof van Justitie.
Deze verplichting geldt onverminderd die welke uit de toepassing van artikel III-337, tweede alinea,
kan voortvloeien.

Artikel III-274
Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen
a) over de uitlegging van de Grondwet,
b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Unie,
Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der
lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen
van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.
Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale
rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor
hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.
Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aan-
hangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof van Justitie zo spoedig mogelijk
uitspraak.

Artikel III-275
Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van
artikel III-337, tweede alinea, bedoelde schade.

Artikel III-276
Op verzoek van de lidstaat ten aanzien waarvan de Europese Raad of de Raad van Ministers een
constatering heeft gedaan krachtens artikel I-58, is het Hof van Justitie bevoegd uitspraak te doen
over de louter procedurele bepalingen van dat artikel. Het Hof doet een uitspraak binnen een maand
na de datum van de constatering.

Artikel III-277
Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en haar personeels-
leden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van
de Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie.

Artikel III-278
Het Hof van Justitie is bevoegd, binnen de hierna aangegeven grenzen, kennis te nemen van de
geschillen betreffende:
a) de uitvoering van de verplichtingen der lidstaten voortvloeiende uit de statuten van de
Europese Investeringsbank. De Raad van bewind van de Bank beschikt dienaangaande over
de bevoegdheden welke bij artikel III-265 aan de Europese Commissie zijn toegekend;
b) de besluiten van de Raad van gouverneurs van de Europese Investeringsbank. iedere lidstaat,
de Europese Commissie en de Raad van bewind van de Bank kunnen onder de voorwaarden
gesteld in artikel III-270 beroep instellen tegen deze besluiten;
c) de besluiten van de Raad van bewind van de Europese Investeringsbank. Beroep tegen deze
besluiten kan onder de voorwaarden van artikel III-270 slechts worden ingesteld door de
lidstaten of de Europese Commissie, en alleen in geval van schending van de
vormvoorschriften bedoeld in artikel 21, leden 2, 5, 6 en 7, van de statuten van de Bank;
d) de uitvoering van de verplichtingen van de nationale centrale banken voortvloeiende uit deze
Grondwet en uit de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese
Centrale Bank. De Raad van de Europese Centrale Bank beschikt dienaangaande ten aanzien
van de nationale centrale banken over de bevoegdheden welke bij artikel III-265 aan de
Europese Commissie zijn toegekend ten aanzien van de lidstaten. Indien het Hof van Justitie
vaststelt dat een nationale centrale bank een van de krachtens deze Grondwet op haar rustende
verplichtingen niet is nagekomen, is deze bank gehouden die voorzieningen te treffen welke
nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

Artikel III-279
Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door
of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

Artikel III-280
Het Europees Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten dat met de
materie van deze Grondwet verband houdt, indien dit geschil hem krachtens een compromis wordt
voorgelegd.

Artikel III-281
Behoudens de bevoegdheden die bij deze Grondwet aan het Hof van Justitie worden verleend, zijn
de geschillen waarin de Unie partij is, niet uit dien hoofde onttrokken aan de bevoegdheid van de
nationale rechterlijke instanties.

Artikel III-282
Het Hof van Justitie is niet bevoegd ten aanzien van de artikelen I-39 en I-40 en van de bepalingen
van hoofdstuk II van titel V van Deel III betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en
veiligheidsbeleid.
Het Hof van Justitie is evenwel niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen die onder de in
artikel III-270, lid 4, bedoelde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de
wettigheid van beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de
Raad op grond van artikel III-193 zijn vastgesteld.

Artikel III-283
Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden betreffende de bepalingen in de afdelingen 3 en 4 van
hoofdstuk IV van titel III betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is het
Hof van Justitie niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de
politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de
verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de
bescherming van de binnenlandse veiligheid, indien deze handelingen onder het nationaal recht
vallen.

Artikel III-284

De lidstaten verbinden zich een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van de Grondwet
niet op andere wijze te doen beslechten dan in deze Grondwet is voorgeschreven.

Artikel III-285
Iedere partij kan, ook al is de in artikel III-270, lid 6, bedoelde termijn verstreken, naar aanleiding
van een geschil waarbij een Europese wet, of een Europese verordening van de Raad van Ministers,
van de Commissie of van de Europese Centrale Bank in het geding is, de in artikel III-270, lid 2,
bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie de niet-toepasselijkheid van deze
handeling in te roepen.

Artikel III-286
Een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep heeft geen schorsende werking. Het Hof van Justitie
kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de
uitvoering van de bestreden handeling gelasten.

Artikel III-287
Het Hof van Justitie kan in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke
voorlopige maatregelen gelasten.

Artikel III-288
De arresten van het Hof van Justitie zijn uitvoerbaar overeenkomstig de bepalingen van
artikel III-307.

Artikel III-289
Het statuut van het Hof van Justitie wordt vastgesteld bij een protocol.
De bepalingen van het statuut kunnen bij Europese wet worden gewijzigd, met uitzondering van
titel I en artikel 64. De wet wordt vastgesteld hetzij op verzoek van het Hof van Justitie en na
raadpleging van de Europese Commissie, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging
van het Hof van Justitie.

Onderafdeling 6

De Rekenkamer

Artikel III-290
1. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie. Zij
onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van ieder door de Unie ingesteld
orgaan, voorzover de oprichtingshandeling dit onderzoek niet uitsluit.
De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad van Ministers een verklaring voor waarin
de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende
verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekend-
gemaakt. Aan die verklaring kunnen specifieke beoordelingen worden toegevoegd voor ieder
belangrijk werkterrein van de Unie.
2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven
en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder
verslag uit over onregelmatigheden.
De controle van de ontvangsten geschiedt aan de hand van de vaststellingen en van de stortingen
van ontvangsten aan de Unie.
De controle van de uitgaven geschiedt aan de hand van betalingsverplichtingen en van betalingen.
Deze controles kunnen plaatsvinden vóór de afsluiting van de rekeningen van het betrokken
begrotingsjaar.
3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instel-
lingen, in de gebouwen van alle organen die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren, en in
de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de
begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale
controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samen-
werking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties
van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid.
Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle
deel te nemen.
De overige instellingen, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren, de
natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale
controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde
nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig
zijn voor de vervulling van haar taak.
Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Unie door de Europese
Investeringsbank wordt het recht van inzage van de Rekenkamer van informatie waarover de Bank
beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Europese Commissie bepaald. Bij
ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin inzage van de informatie die
nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Unie.
4. De Rekenkamer stelt na afsluiting van elk begrotingsjaar een jaarverslag op. Dit verslag wordt
toegezonden aan de overige instellingen en tezamen met de antwoorden van deze instellingen op de
opmerkingen van de Rekenkamer in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
De Rekenkamer kan voorts te allen tijde met betrekking tot bijzondere vraagstukken opmerkingen
maken, met name in de vorm van speciale verslagen, en kan op verzoek van een van de overige
instellingen adviezen uitbrengen.
De Rekenkamer neemt haar jaarverslagen, speciale verslagen of adviezen aan met meerderheid van
stemmen van haar leden. Zij kan echter uit haar midden kamers vormen voor het aannemen van
bepaalde soorten van verslagen of adviezen overeenkomstig haar reglement van orde.
De Rekenkamer staat het Europees Parlement en de Raad van Ministers bij bij de controle op de
uitvoering van de begroting.
De Rekenkamer neemt haar reglement van orde aan. De Raad van Ministers keurt dit reglement
goed.

Artikel III-291
1. De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen land behoren of
behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn.
Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.
2. De leden van de Rekenkamer worden voor zes jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De Raad
van Ministers stelt een Europees besluit houdende de overeenkomstig de voordrachten van de
onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden vast. Hij besluit na raadpleging van het Europees
Parlement.
De leden van de Rekenkamer kiezen uit hun midden voor drie jaar hun voorzitter. Hij is
herkiesbaar.
3. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen
belang van de Unie.
Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructies van enige regering of enig
lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun
ambt.
4. De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroeps-
werkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij
zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende
verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden
van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.
5. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden, eindigt de ambtsvervulling van een lid
van de Rekenkamer door vrijwillig ontslag of door ontslag ambtshalve ingevolge een uitspraak van
het Hof van Justitie overeenkomstig lid 6.
De betrokkene wordt vervangen voor de verdere duur van zijn ambtstermijn.
Behoudens in geval van ontslag ambtshalve, blijven de leden van de Rekenkamer in functie totdat
in hun vervanging is voorzien.
6. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op
pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het
Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de
eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te
voldoen.

 

1 | 2 | 3 | 4 | inhoud

 

| terug |

 

 
| top |
 

aideon webdesign  |  webmaster  |  copyright © 2003