Hierbij gaat voor de leden van de Conventie de definitieve tekst van
het ontwerp-Verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa, in de versie die op 18 juli
2003 te Rome is voorgelegd
aan de voorzitter van de Europese Raad.
1 | 2 | 3 | 4 |
inhoud
AFDELING
2
DE
ADVIESORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE
Onderafdeling
1
Het
Comité van de Regio's
Artikel
III-292
Het aantal leden van het Comité van de Regio's bedraagt ten hoogste
350. De Raad van Ministers
stelt met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast waarbij de samenstelling
van het
Comité wordt vastgelegd.
De leden van het Comité en een gelijk aantal plaatsvervangers worden
voor vijf jaar benoemd. Zij
zijn herbenoembaar.
De Raad van Ministers stelt het Europees besluit houdende de overeenkomstig
de voordrachten van
de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden en plaatsvervangers vast.
Bij het verstrijken van het in artikel I-31, lid 2, bedoelde mandaat uit hoofde
waarvan zij zijn voor-
gedragen, eindigt de ambtstermijn van de leden van het Comité van rechtswege
en worden zij voor
de verdere duur van de ambtstermijn volgens dezelfde procedure vervangen. Leden
van het Comité
kunnen niet tegelijkertijd lid zijn van het Europees Parlement.
Artikel
III-293
Het Comité van de regio's kiest? voor een periode van tweeënhalf
jaar? uit zijn midden zijn
voorzitter en zijn bureau.
Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.
Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van
het Europees Parlement, van
de Raad van Ministers of van de Europese Commissie. Het kan eveneens op eigen
initiatief
bijeenkomen.
Artikel
III-294
Het Comité van de Regio's wordt door het Europees Parlement, door de
Raad van Ministers of door
de Europese Commissie geraadpleegd in de door de Grondwet voorgeschreven gevallen
en in alle
andere gevallen, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking
betreffen, waarin
een van deze instellingen zulks wenselijk oordeelt.
Indien het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie
zulks
noodzakelijk achten? stellen zij aan het Comité een termijn voor het
uitbrengen van het advies; deze
termijn mag niet korter zijn dan een maand? te rekenen vanaf het tijdstip waarop
de desbetreffende
mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn
kan worden
gehandeld zonder het advies af te wachten.
Wanneer het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel III-298
wordt geraadpleegd?
wordt het Comité van de regio's door het Europees Parlement, de Raad
van Ministers of de
Europese Commissie in kennis gesteld van dat verzoek om advies. Het Comité van
de Regio's kan?
wanneer het van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel
staan? hieromtrent
advies uitbrengen. Het kan tevens? in de gevallen waarin het zulks dienstig
acht? op eigen initiatief
een advies uitbrengen.
Het advies van het Comité alsmede een verslag van de besprekingen worden
aan het Europees
Parlement, aan de Raad van Ministers en aan de Europese Commissie gezonden.
Onderafdeling 2
Het
Economisch en Sociaal Comité
Artikel III-295
Het aantal leden van het Economisch en Sociaal Comité bedraagt ten hoogste
350. De Raad van
Ministers stelt met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast
waarbij de samenstelling
van het Comité wordt vastgelegd.
Artikel III-296
De leden van het Economisch en Sociaal Comité worden voor vijf jaar
benoemd. Zij zijn
herbenoembaar. De Raad van Ministers stelt het Europees besluit houdende
de overeenkomstig de
voordrachten van de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden
vast.
De Raad van Ministers besluit na raadpleging van de Europese Commissie.
Hij kan de mening
vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de
verschillende economische en
sociale sectoren welke belang hebben bij de activiteit van de Unie.
Artikel III-297
Het Economisch en Sociaal Comité kiest, voor de periode van tweeënhalf
jaar, uit zijn midden zijn
voorzitter en zijn bureau.
Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.
Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van
het Europees Parlement, van
de Raad van Ministers of van de Europese Commissie. Het kan tevens
op eigen initiatief
bijeenkomen.
Artikel III-298
Het Comité moet door het Europees Parlement, door de Raad van
Ministers of door de Europese
Commissie worden geraadpleegd in de gevallen voorzien in de Grondwet.
In alle overige gevallen
kan het door deze instellingen worden geraadpleegd. Het Comité kan
tevens op eigen initiatief
advies uitbrengen.
Indien het Europees Parlement de Raad van Ministers of de Europese
Commissie zulks nodig
achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen
van advies; deze termijn mag niet
korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de
desbetreffende mededeling aan
de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan
worden gehandeld zonder het
advies af te wachten.
Het advies van het Comité? alsmede een verslag van de besprekingen?
worden aan het Europees
Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie gezonden.
AFDELING 3
DE EUROPESE INVESTERINGSBANK
Artikel III-299
De Europese Investeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid.
De leden van de Europese Investeringsbank zijn de lidstaten.
De statuten van de Europese Investeringsbank zijn opgenomen in een
protocol. Bij Europese wet
kunnen op verzoek van de Europese Investeringsbank en na raadpleging
van de Europese
Commissie, of op voorstel van de Commissie na raadpleging van de
Europese Investeringsbank, de
artikelen 4, 11 en 12 en artikel 18, lid 5, van de statuten van
de Bank worden gewijzigd.
Artikel III-300
De Europese Investeringsbank heeft tot taak? met een beroep op
de kapitaalmarkten en op haar
eigen middelen bij te dragen tot een evenwichtige en ongestoorde
ontwikkeling van de interne
markt in het belang van de Unie. Te dien einde vergemakkelijkt
zij? door zonder winstoogmerk
leningen en waarborgen te verstrekken? de financiering van de
volgende projecten in alle sectoren
van het economisch leven:
a) projecten tot ontwikkeling van minder-ontwikkelde gebieden?
b) projecten tot modernisering of overschakeling van ondernemingen
of voor het scheppen van
nieuwe bedrijvigheid? voortvloeiende uit de geleidelijke instelling
van de interne markt?
welke projecten door hun omvang of hun aard niet geheel kunnen
worden gefinancierd uit de
verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden
zijn?
c) projecten welke voor verscheidene lidstaten van gemeenschappelijk
belang zijn en die door
hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit
de verschillende middelen
welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn.
Bij de vervulling van haar taak vergemakkelijkt de Bank de financiering
van investerings-
programma's in samenhang met bijstandsverlening van de structuurfondsen
en van de andere
financieringsinstrumenten van de Unie.
AFDELING 4
BEPALINGEN DIE DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN BUREAUS
VAN DE UNIE GEMEEN HEBBEN
Artikel III-301
1. Wanneer krachtens de Grondwet een handeling van de Raad van Ministers
wordt aangenomen op
voorstel van de Europese Commissie, kan de Raad van Ministers een
handeling die van dat voorstel
afwijkt slechts met eenparigheid van stemmen aannemen, onder voorbehoud
van artikel I-54,
artikel III-302, leden 10 en 13 en artikel III-310.
2. Zolang de Raad van Ministers niet heeft besloten, kan de Europese
Commissie te allen tijde
gedurende de procedures die tot aanneming van een handeling van
de Unie leiden, haar voorstel
wijzigen.
Artikel III-302
1. Wanneer krachtens de Grondwet de Europese wetten of kaderwetten
volgens de gewone
wetgevingsprocedure worden vastgesteld, zijn de onderstaande
bepalingen van toepassing.
2. De Europese Commissie dient een voorstel in bij het Europees
Parlement en bij de Raad van
Ministers.
Eerste lezing
3. Het Europees Parlement stelt zijn standpunt in eerste lezing
vast en deelt het mee aan de Raad
van Ministers.
4. Indien de Raad van Ministers het standpunt van het Europees
Parlement goedkeurt, is de voorge-
stelde handeling aangenomen.
5. Indien de Raad van Ministers het standpunt van het Europees
Parlement niet goedkeurt, stelt hij
zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt hij dit mee aan
het Europees Parlement.
6. De Raad van Ministers stelt het Europees Parlement ten volle
in kennis van de redenen die hem
hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt in eerste
lezing. De Europese Commissie stelt
het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt.
Tweede lezing
7. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie
maanden na deze mededeling:
a) het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing goedkeurt
of zich niet heeft uitge-
sproken, wordt de betrokken handeling geacht te zijn aangenomen;
b) het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing met
een meerderheid van zijn leden
verwerpt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn
aangenomen;
c) met een meerderheid van zijn leden amendementen op het standpunt
van de Raad van
Ministers in eerste lezing voorstelt, wordt de aldus geamendeerde
tekst toegezonden aan de
Raad van Ministers en aan de Europese Commissie, die advies over
deze amendementen
uitbrengt.
8. Indien de Raad van Ministers binnen een termijn van drie maanden
na ontvangst van de amende-
menten van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van
stemmen:
a) al deze amendementen goedkeurt, wordt de betrokken handeling geacht
te zijn aangenomen;
b) niet alle amendementen goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad
van Ministers, in overeen-
stemming met de voorzitter van het Europees Parlement, binnen zes weken
het bemiddelings-
comité bijeen.
9. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen over
de amendementen waarover
de Europese Commissie negatief advies heeft uitgebracht.
Bemiddeling
10. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad
van Ministers of hun vertegen-
woordigers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen
en heeft tot
taak binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen met
een gekwalificeerde
meerderheid van de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers
en met een
meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen
overeenstemming te
bereiken over een gemeenschappelijke ontwerptekst op basis van de standpunten
van het Parlement
en de Raad van Ministers in tweede lezing.
11. De Europese Commissie neemt aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel
en
neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement
en de Raad van
Ministers nader tot elkaar te brengen.
12. Indien het bemiddelingscomité binnen een termijn van zes
weken nadat het is bijeengeroepen,
geen gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, wordt de voorgestelde
handeling geacht niet te
zijn aangenomen.
Derde lezing
13. Indien het bemiddelingscomité binnen die termijn een gemeenschappelijke
ontwerp-tekst
goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad van Ministers
over een termijn van zes
weken na deze datum om de betrokken handeling overeenkomstig de gemeenschappelijke
ontwerptekst aan te nemen, waarbij het Europees Parlement besluit met
een meerderheid van de
uitgebrachte stemmen, en de Raad van Ministers met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen.
Indien zulks niet geschiedt, wordt de handeling geacht niet te zijn
aangenomen.
14. De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken
worden, op initiatief van
het Europees Parlement of van de Raad van Ministers, met ten hoogste één
maand, respectievelijk
twee weken verlengd.
Bijzondere bepalingen
15. Wanneer een wet of een kaderwet in de specifiek bij de Grondwet
bepaalde gevallen op
initiatief van een groep lidstaten op aanbeveling van de Europese Centrale
Bank of op verzoek van
de Rekenkamer of de Europese Investeringbank aan de gewone wetgevingsprocedure
wordt
onderworpen, zijn de leden 2, 6, tweede zin, en 9 niet van toepassing.
Het Europees Parlement en de Raad van Ministers zenden de Europese
Commissie het ontwerp van
de handeling alsmede hun standpunten in eerste en tweede lezing toe.
Het Europees Parlement en de Raad van Ministers kunnen de Europese
Commissie te allen tijde
gedurende de procedure om advies verzoeken. De Commissie kan ook op
eigen initiatief advies
uitbrengen. Indien de Commissie dat nodig acht, kan zij onder de in
lid 11 genoemde voorwaarden
deelnemen aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité.
Artikel III-303
Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie
raadplegen elkaar en
bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken.
Daartoe kunnen zij, met
inachtneming van de Grondwet, interinstitutionele akkoorden sluiten
die een dwingend karakter
kunnen hebben.
Artikel III-304
1. Bij de vervulling van hun taken steunen de instellingen, organen
en bureaus van de Unie op een
open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat.
2. Onverminderd artikel III-322 worden bij Europese wet de specifieke
bepalingen daartoe
vastgesteld.
Artikel III-305
1. De instellingen, organen en bureaus van de Unie erkennen het
belang van de transparantie van
hun werkzaamheden en nemen krachtens artikel I-49 in hun reglementen
van orde de specifieke
bepalingen over de inzage van het publiek van documenten op.
Het Hof van Justitie en de Europese
Centrale Bank leven in de uitoefening van hun administratieve
functie artikel I-49, lid 3, na.
2. Het Europees Parlement en de Raad van Ministers zorgen voor
de openbaarmaking van de
stukken betreffende de wetgevingsprocedures.
Artikel III-306
De Raad van Ministers stelt Europese verordeningen en besluiten
vast houdende:
a) de wedden, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter
van de Europese Raad, de
voorzitter van de Europese Commissie, de minister van Buitenlandse
Zaken, van de Europese
commissarissen en commissarissen, van de president, de leden
en de griffier van het Hof van
Justitie, en van de leden en de griffier van de Rechtbank van
de Europese Unie;
b) de werkgelegenheidsvoorwaarden, en in het bijzonder de wedden,
vergoedingen en
pensioenen van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer.
De Raad van Ministers stelt tevens alle vergoedingen vast welke
als beloning kunnen gelden.
2. De Raad van Ministers stelt Europese verordeningen en besluiten
vast houdende de vergoedingen
van de leden van het Economisch en Sociaal Comité.
Artikel III-307
De handelingen van de Raad van Ministers, de Europese Commissie
of de Europese Centrale Bank
welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering
van de staten, een geldelijke
verplichting inhouden, vormen executoriale titel.
De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van
burgerlijke rechtsvordering die van
kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt.
De formule van tenuitvoerlegging
wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit
van de titel, aangebracht door
de nationale autoriteit die door de regering van iedere lidstaat
daartoe wordt aangewezen. Van de
aanwijzing stelt zij de Europese Commissie en het Hof van
Justitie in kennis.
Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende
zijn vervuld, kan deze de
tenuitvoerlegging voortzetten door zich rechtstreeks te wenden
tot de bevoegde autoriteit overeen-
komstig de nationale wetgeving.
De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens
een beschikking van het Hof van
Justitie. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid
van de wijze van tenuitvoerlegging tot
de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.
HOOFDSTUK II
FINANCIËLE
BEPALINGEN
AFDELING 1
HET MEERJARIG FINANCIEEL KADER
Artikel III-308
1. Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld voor een periode
van ten minste vijf jaar,
overeenkomstig artikel I-54.
2. In het financieel kader worden de jaarlijkse maximumbedragen aan
kredieten voor vastleggingen
per uitgavencategorie vastgesteld, alsmede het jaarlijkse maximumbedrag
van de kredieten voor
betalingen. De uitgavencategorieën, die gering in aantal zijn,
corresponderen met de grote beleids-
domeinen van de Unie.
3. Het financieel kader omvat alle andere bepalingen die dienstig zijn
voor het goede verloop van de
jaarlijkse begrotingsprocedure.
4. Indien de Europese wet van de Raad van Ministers houdende een nieuw
financieel kader nog niet
is vastgesteld wanneer het voorgaand financieel kader verstrijkt, blijven
de maximumbedragen en
de overige bepalingen betreffende het laatste jaar van het voorgaand
financieel kader van toepassing
totdat deze wet is vastgesteld.
5. Tijdens de gehele procedure die leidt tot vaststelling van het financieel
kader, nemen het
Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie
alle maatregelen die nodig
zijn om de procedure tot een goed einde te brengen.
AFDELING 2
DE JAARLIJKSE BEGROTING VAN DE UNIE
Artikel III-309
Het begrotingsjaar begint op 1 januari en sluit op 31 december.
Artikel III-310
Bij Europese wet wordt de jaarlijkse begroting van de Unie vastgesteld
overeenkomstig de
volgende bepalingen:
1. Iedere instelling maakt voor 1 juli een raming op van haar uitgaven.
De Europese Commissie
voegt die ramingen in een ontwerpbegroting samen. Zij voegt daaraan
een advies toe, dat
afwijkende ramingen mag inhouden.
Dit ontwerp omvat een raming van de uitgaven en een raming van de ontvangsten.
De Europese Commissie kan de ontwerpbegroting in de loop van de procedure
wijzigen totdat het
in punt 5 bedoelde bemiddelingscomité bijeen wordt geroepen.
2. De Europese Commissie legt de ontwerpbegroting uiterlijk op 1 september
van het jaar dat
voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan het Europees Parlement
en aan de Raad van
Ministers voor.
3. De Raad van Ministers stelt zijn standpunt over de ontwerpbegroting
vast en deelt dit standpunt
uiterlijk op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken
begrotingsjaar aan het Europees
Parlement mee. De Raad van Ministers stelt het Europees Parlement ten
volle in kennis van de
redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt.
4. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van 42 dagen na
deze mededeling:
a) het standpunt van de Raad van Ministers goedkeurt of zich niet heeft
uitgesproken, wordt de
begrotingswet geacht te zijn aangenomen;
b) met een meerderheid van zijn leden amendementen op het standpunt
van de Raad van
Ministers voorstelt, wordt de aldus geamendeerde tekst toegezonden
aan de Raad van
Ministers en aan de Europese Commissie. De voorzitter van het Europees
Parlement roept in
overleg met de voorzitter van de Raad van Ministers onverwijld het
bemiddelingscomité
bijeen.
Het bemiddelingscomité komt niet bijeen indien de Raad van Ministers
binnen een termijn van tien
dagen aan het Europees Parlement meedeelt dat hij alle amendementen
van het Parlement
aanvaardt.
5. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad van
Ministers of hun vertegenwoor-
digers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen
en heeft tot taak
om, binnen een termijn van eenentwintig dagen nadat het is bijeengeroepen,
op basis van de
standpunten van het Europees Parlement en van de Raad van Ministers,
met een gekwalificeerde
meerderheid van de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers
en met een
meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen,
overeenstemming te
bereiken over een gemeenschappelijke ontwerp-tekst.
6. De Europese Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité en
neemt alle initiatieven die nodig zijn om de standpunten van het Europees
Parlement en de Raad
van Ministers nader tot elkaar te brengen.
7. Indien het bemiddelingscomité binnen de in lid 5 bedoelde
termijn van eenentwintig dagen een
gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, beschikken het Europees
Parlement en de Raad van
Ministers na deze datum ieder over een termijn van veertien dagen om
de gemeenschappelijke
ontwerptekst aan te nemen, waarbij het Europees Parlement besluit met
een meerderheid van de
uitgebrachte stemmen wat het Europees Parlement betreft en de Raad
van Ministers met gekwali-
ficeerde meerderheid van stemmen.
8. Indien het bemiddelingscomité binnen de in lid 5 bedoelde
termijn van eenentwintig dagen geen
gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, of indien de Raad van Ministers
de gemeenschap-
pelijke ontwerptekst afwijst, kan het Europees Parlement, binnen een
termijn van veertien dagen,
met een meerderheid van de stemmen van zijn leden en met drievijfde
van het aantal uitgebrachte
stemmen zijn amendementen bevestigen. Indien het amendement van het
Parlement niet wordt
bevestigd, wordt het standpunt van de Raad van Ministers voor de begrotingspost
waarvoor dat
amendement is ingediend, geacht te zijn aangenomen.
Indien het Parlement de gemeenschappelijke ontwerp-tekst met meerderheid
van de stemmen van
zijn leden en met drievijfde van het aantal uitgebrachte stemmen afwijst,
kan het verzoeken dat hem
een nieuwe ontwerpbegroting wordt voorgelegd.
9. Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert
de voorzitter van het
Europees Parlement dat de Europese begrotingswet definitief is vastgesteld.
Artikel III-311
1. Indien bij het begin van een begrotingsjaar geen Europese begrotingswet
is vastgesteld, kunnen
de uitgaven maandelijks worden verricht per hoofdstuk of per andere
afdeling, overeenkomstig de
bepalingen van de in artikel III-318 bedoelde Europese wet, zonder
dat zij een twaalfde der bij de
Europese begrotingswet van het vorige begrotingsjaar opgenomen kredieten
mogen overschrijden
en zonder dat deze maatregel tot gevolg mag hebben, dat de Europese
Commissie meer dan een
twaalfde van de kredieten van de voorliggende ontwerp-begroting ter
beschikking krijgt.
2. De Raad van Ministers kan, op voorstel van de Europese Commissie
en met inachtneming van de
overige in lid 1 gestelde voorwaarden, een Europees besluit vaststellen
waarbij uitgaven van meer
dan een twaalfde worden toegestaan. De Raad van Ministers zendt dit
besluit onverwijld aan het
Europees Parlement.
Dit Europees besluit voorziet op het gebied van de middelen in de nodige
maatregelen voor de
toepassing van dit artikel.
Het wordt van kracht op de dertigste dag volgende op die van zijn aanneming
indien het Europees
Parlement binnen die termijn niet met meerderheid van de stemmen van
zijn leden besluit die
uitgaven te verminderen.
Artikel III-312
Onder de voorwaarden die worden vastgesteld bij de in artikel III-318
bedoelde Europese wet,
kunnen de kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt
zijn gebleven, worden
overgedragen uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar, voorzover
deze kredieten niet
betrekking hebben op personeelsuitgaven.
De kredieten worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven
worden gegroepeerd naar hun
aard en bestemming en onderverdeeld overeenkomstig de in artikel
III-318 bedoelde Europese wet.
De uitgaven van het Europees Parlement, van de Raad van Ministers,
van de Europese Commissie
en van het Hof van Justitie worden als afzonderlijke afdelingen in
de begroting opgenomen,
onverminderd een speciale regeling voor bepaalde gemeenschappelijke
uitgaven.
AFDELING 3
DE UITVOERING VAN DE BEGROTING EN DE KWIJTING
Artikel III-313
De Europese Commissie voert de begroting uit in samenwerking met de
lidstaten, overeenkomstig de in
artikel III-318 bedoelde Europese wet, onder haar eigen verantwoordelijkheid,
binnen de grenzen der
toegekende kredieten en in overeenstemming met het beginsel van goed
financieel beheer. De lidstaten
werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten
volgens datzelfde
beginsel worden gebruikt.
Bij de in artikel III-318 bedoelde Europese wet worden de controle-
en auditverplichtingen van de
lidstaten bij de uitvoering van de begroting en de daaruit voortvloeiende
verantwoordelijkheden
vastgesteld.
Bij de in artikel III-318 bedoelde Europese wet worden de verantwoordelijkheden
en de nadere
bepalingen betreffende de inbreng van iedere instelling bij de uitvoering
van haar eigen uitgaven,
vastgesteld.
Binnen de begroting kan de Europese Commissie, met inachtneming van
de grenzen en de voorwaarden
bepaald in de in artikel III-318 bedoelde Europese wet, kredieten overschrijven
hetzij van het ene
hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de
andere.
Artikel III-314
De Europese Commissie legt elk jaar aan het Europees Parlement en aan
de Raad van Ministers de
rekeningen over het afgelopen begrotingsjaar voor welke betrekking
hebben op de uitvoering van de
begroting. Bovendien doet zij hun een financiële balans van de
activa en passiva van de Unie toekomen.
De Europese Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad van
Ministers ook een
evaluatieverslag over de financiën van de Unie in, waarin de bereikte
resultaten worden getoetst aan de
door het Europees Parlement en de Raad van Ministers krachtens artikel
III-315 verstrekte
aanwijzingen.
Artikel III-315
1. Op aanbeveling van de Raad van Ministers verleent het Europees Parlement
aan de Europese
Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde
onderzoekt het, na de Raad van
Ministers, de rekeningen, de financiële balans en het evaluatieverslag
genoemd in artikel III-314, het
jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde
instellingen op de
opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel III-290, lid 1, tweede
alinea, genoemde verklaring,
alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.
2. Alvorens kwijting te verlenen aan de Europese Commissie of voor
enig ander doel in verband met de
uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie inzake de uitvoering
van de begroting, kan het
Europees Parlement de Commissie verzoeken verantwoording af te leggen
ter zake van de uitvoering
van de uitgaven of de werking van de financiële controlestelsels.
De Commissie verstrekt het Europees
Parlement op verzoek alle nodige inlichtingen.
3. De Europese Commissie stelt alles in het werk om gevolg te geven
aan de opmerkingen in de
kwijtingsbesluiten en aan andere opmerkingen van het Europees Parlement
over de uitvoering van
de uitgaven, alsook aan de opmerkingen waarvan de door de Raad van
Ministers aangenomen
aanbevelingen tot kwijting vergezeld gaan.
4. Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad van Ministers brengt
de Europese Commissie
verslag uit over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van
deze opmerkingen, met name
over de instructies die zijn gegeven aan de diensten die met de uitvoering
van de begroting zijn
belast. Deze verslagen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.
AFDELING 4
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel III-316
Het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begroting luiden in
euro.
Artikel III-317
De Europese Commissie kan, onder voorbehoud dat zij daarvan de bevoegde
instanties der
betrokken staten in kennis stelt, de saldi, welke zij in de valuta
van een der lidstaten in haar bezit
heeft, overmaken in de valuta van een andere lidstaat, voorzover zij
gebruikt moeten worden voor
de doeleinden die in dit Verdrag zijn aangewezen. De Commissie vermijdt
dergelijke overmakingen
zoveel mogelijk, indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar
kan maken in de valuta waaraan
zij behoefte heeft.
De Europese Commissie onderhoudt de betrekkingen met iedere van de
betrokken lidstaten door
tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering
van financiële
verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken
lidstaat of tot een andere door
deze staat gemachtigde financiële instelling.
Artikel III-318
1. De Europese wet
a) stelt de financiële regels vast waarbij met name de wijze wordt
vastgesteld waarop de
begroting wordt opgesteld en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop rekening
en verant-
woording wordt gedaan en de rekeningen worden nagezien;
b) stelt de regels vast en organiseert de controle betreffende de verantwoordelijkheid
der
financiële controleurs, ordonnateurs en rekenplichtigen.
De Europese wet wordt vastgesteld na raadpleging van de Rekenkamer.
2. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie
een Europese verordening
vast waarbij de regels en de procedure worden vastgesteld volgens welke
de budgettaire
ontvangsten waarin het stelsel der eigen middelen van de Unie voorziet,
ter beschikking van de
Commissie worden gesteld, alsmede de maatregelen welke moeten worden
toegepast om, in
voorkomend geval, te voorzien in de behoefte aan kasmiddelen. De Raad
van Ministers besluit na
raadpleging van het Europees Parlement en de Rekenkamer.
3. De Raad van Ministers besluit in alle in dit artikel bedoelde gevallen
tot 1 januari 2007 met een-
parigheid van stemmen.
Artikel III-319
Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie
zien erop toe dat de
financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen
jegens derden kan voldoen,
beschikbaar zijn.
Artikel III-320
In het kader van de in dit hoofdstuk bedoelde begrotingsprocedures
roept de Europese Commissie
regelmatig de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad van
Ministers en de Europese
Commissie bijeen. De voorzitters nemen alle maatregelen die nodig
zijn om het overleg te
bevorderen en de standpunten van de instellingen dichter bij elkaar
te brengen om de uitvoering van
de bepalingen van dit hoofdstuk te vergemakkelijken.
AFDELING 5
FRAUDEBESTRIJDING
Artikel III-321
1. De Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige
activiteiten waardoor de
financiële belangen van de Unie worden geschaad, met overeenkomstig
dit artikel vast te stellen
maatregelen. Deze maatregelen moeten afschrikkend werken en in de lidstaten
een doeltreffende
bescherming bieden.
2. De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële
belangen van de Unie
worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter
bestrijding van fraude waardoor
hun eigen financiële belangen worden geschaad.
3. Onverminderd de andere bepalingen van de Grondwet coördineren
de lidstaten hun optreden om
de financiële belangen van de Unie tegen fraude te beschermen.
Zij organiseren daartoe samen met
de Europese Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de
bevoegde autoriteiten.
4. Bij de Europese wet of kaderwet worden de nodige maatregelen vastgesteld
op het gebied van de
preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen
van de Unie worden geschaad,
om in de lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming
te bieden. De wet wordt
vastgesteld na raadpleging van de Rekenkamer.
5. De Europese Commissie brengt in samenwerking met de lidstaten jaarlijks
aan het Europees
Parlement en de Raad van Ministers verslag uit over de ter uitvoering
van dit artikel vastgestelde
maatregelen en bepalingen.
HOOFDSTUK III
NAUWERE SAMENWERKING
Artikel III-322
Bij de voorgenomen nauwere samenwerking worden de Grondwet en het
recht van de Unie in acht
genomen.
De voorgenomen nauwere samenwerking mag geen afbreuk doen aan de
interne markt, noch aan de
economische, sociale en territoriale samenhang. Zij mag geen belemmering
of discriminatie in de
handel tussen de lidstaten vormen, en zij mag de mededinging tussen
de lidstaten niet verstoren.
Artikel III-323
De voorgenomen nauwere samenwerking eerbiedigt de bevoegdheden,
rechten en verplichtingen
van de lidstaten die er niet aan deelnemen. De niet-deelnemende
lidstaten belemmeren niet de uit-
voering ervan door de deelnemende lidstaten.
Artikel III-324
1. Nauwere samenwerking staat open voor alle lidstaten op het
moment waarop zij wordt aange-
gaan, mits de deelnemingsvoorwaarden worden nageleefd die bij
het Europese machtigingsbesluit
eventueel zijn vastgesteld. Deelneming is ook op ieder ander
tijdstip mogelijk, mits, afgezien van de
bovengenoemde eventuele voorwaarden, de in dit kader reeds
vastgestelde handelingen worden
nageleefd.
De Europese Commissie en de lidstaten die aan een nauwere samenwerking
deelnemen, zien erop
toe dat de deelname van zo veel mogelijk lidstaten wordt vergemakkelijkt.
2. De Europese Commissie en in voorkomend geval de minister
van Buitenlandse Zaken van de
Unie houden alle leden van de Raad van Ministers, alsmede het
Europees Parlement op de hoogte
van de ontwikkeling van de nauwere samenwerking.
Artikel III-325
1. De lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te
gaan op een van de
gebieden die onder de Grondwet vallen, met uitzondering van het gemeenschappelijk
buitenlands
en veiligheidsbeleid, richten een verzoek tot de Europese Commissie,
met opgave van de
werkingssfeer en de met de voorgenomen nauwere samenwerking nagestreefde
doelstellingen. De
Commissie kan bij de Raad van Ministers een voorstel in die zin kan
indienen. Indien de
Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvan mee aan
de betrokken lidstaten.
De machtiging om een nauwere samenwerking aan te gaan, wordt verleend
bij een Europees besluit
van de Raad van Ministers, die op voorstel van de Europese Commissie
en na goedkeuring van het
Europees Parlement handelt.
2. In het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
richten de lidstaten die
onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan, een verzoek
tot de Raad van Ministers.
Het verzoek wordt doorgezonden naar de minister van Buitenlandse Zaken
van de Unie die advies
uitbrengt over de samenhang van de nauwere samenwerking met het gemeenschappelijk
buiten-
lands en veiligheidsbeleid van de Unie, alsmede naar de Europese Commissie
die advies uitbrengt
over met name de samenhang van de voorgenomen nauwere samenwerking
met het beleid van de
Unie op andere gebieden. Het verzoek wordt ter informatie ook toegezonden
aan het Europees
Parlement.
De machtiging tot nauwere samenwerking wordt verleend bij een Europees
besluit van de Raad van
Ministers.
Artikel III-326
1. Een lidstaat die op een van de in artikel III-325, lid 1, genoemde
gebieden aan nauwere samen-
werking wil deelnemen, stelt de Raad van Ministers en de Europese
Commissie van dit voornemen
op de hoogte.
Binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving bevestigt de
Europese Commissie de
deelname van de betrokken lidstaat. Zij stelt, in voorkomend geval,
vast dat aan de voorwaarden tot
deelname is voldaan en stelt de door haar nodig geachte overgangsmaatregelen
vast voor de
toepassing van de reeds in het kader van de nauwere samenwerking
vastgestelde handelingen.
Is de Europese Commissie evenwel van mening dat aan de eventuele
voorwaarden voor deelname
niet is voldaan is, dan geeft zij aanwijzingen omtrent de te nemen
maatregelen opdat aan deze voor-
waarden wel kan worden voldaan, en stelt zij een termijn vast waarbinnen
zij de aanvraag tot deel-
name opnieuw in overweging zal nemen. Zij neemt de aanvraag opnieuw
in overweging overeen-
komstig de in de voorgaande alinea omschreven procedure. Indien de
Commissie van oordeel is dat
aan de eventuele voorwaarden voor deelname nog steeds niet is voldaan,
kan de betrokken lidstaat
de kwestie voorleggen aan de Raad van Ministers die, overeenkomstig
artikel I-43, lid 3, besluit. De
Raad kan ook, op voorstel van de Commissie, de in de tweede alinea
bedoelde
overgangsmaatregelen vaststellen.
2. Iedere lidstaat die aan een nauwere samenwerking wil deelnemen in
het kader van het gemeen-
schappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad van Ministers,
de minister van
Buitenlandse Zaken en de Europese Commissie van dit voornemen op de
hoogte.
De Raad van Ministers bevestigt de deelname van de betrokken lidstaat,
na de minister van
Buitenlandse Zaken van de Unie te hebben geraadpleegd. Hij constateert,
in voorkomend geval, dat
aan de voorwaarden tot deelname voldaan is. De Raad van Ministers kan
ook op voorstel van de
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie de overgangsbepalingen
vaststellen die hij dienstig
acht voor de toepassing van de besluiten die al zijn vastgesteld in
het kader van de nauwere
samenwerking. Is de Raad van Ministers evenwel van mening dat aan de
eventuele voorwaarden
voor deelname niet voldaan is, dan geeft hij aanwijzingen omtrent de
te nemen maatregelen opdat
aan deze voorwaarden wel kan worden voldaan, en stelt hij een termijn
vast waarbinnen hij de
aanvraag tot deelname opnieuw in overweging zal nemen.
Voor de toepassing van dit lid besluit de Raad van Ministers overeenkomstig
artikel I-43, lid 3.
Artikel III-327
De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van een nauwere
samenwerking, met uitzondering
van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste
van de deelnemende lidstaten,
tenzij de Raad van Ministers, na raadpleging van het Europees Parlement,
met eenparigheid van
stemmen van al zijn leden anders besluit.
Artikel III-328
Indien krachtens een bepaling van de Grondwet die in het kader
van nauwere samenwerking kan
worden toegepast, de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen
besluit, kan de Raad met
eenparigheid van stemmen overeenkomstig het bepaalde in artikel
I-43, lid 3, eigener beweging
besluiten dat hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zal
besluiten.
Indien krachtens een bepaling van de Grondwet die in het kader
van nauwere samenwerking kan
worden toegepast, de Raad van Ministers Europese wetten of kaderwetten
volgens een bijzondere
wetgevingsprocedure vaststelt, kan de Raad met eenparigheid van
stemmen overeenkomstig het
bepaalde in artikel I-43, lid 3, eigener beweging besluiten dat
hij volgens de gewone wet-
gevingsprocedure zal besluiten. De Raad besluit na raadpleging
van het Europees Parlement.
Artikel III-329
De Raad van Ministers en de Europese Commissie zorgen ervoor dat
de in het kader van een
nauwere samenwerking genomen maatregelen coherent zijn, zowel
onderling als met het beleid van
de Unie, en werken daartoe samen.
TITEL VII
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel III-330
Gezien de structurele economische en sociale situatie van de Franse
overzeese departementen, de
Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door
de grote afstand, het
insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf
en klimaat en de economische afhanke-
lijkheid van enkele producten, welke factoren door hun blijvende en
cumulatieve karakter de
ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, stelt de Raad van Ministers,
op voorstel van de
Europese Commissie, Europese verordeningen en besluiten vast die er
met name op gericht zijn de
voorwaarden voor de toepassing van de Grondwet, met inbegrip van gemeenschappelijk
beleid, op
deze gebieden vast te stellen. De Raad van Ministers besluit na raadpleging
van het Europees
Parlement.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen hebben met name betrekking
op het douane- en
handelsbeleid, het fiscaal beleid, vrijhandelszones, het landbouw-
en visserijbeleid, voorwaarden
voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen,
staatssteun en de voorwaarden
voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale programma's
van de Unie.
De Raad van Ministers neemt de in de eerste alinea bedoelde maatregelen
aan, rekening houdend
met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden
en zonder afbreuk te
doen aan de integriteit en de samenhang van de rechtsorde van de Unie,
met inbegrip van de interne
markt en het gemeenschappelijk beleid.
Artikel III-331
De Grondwet laat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten
onverlet.
Artikel III-332
In elk der lidstaten heeft de Unie de ruimste handelingsbevoegdheid
welke door de nationale wet-
gevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende
en onroerende goederen
verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde
wordt zij door de Europese
Commissie vertegenwoordigd. Voor aangelegenheden die verband houden
met de werking van de
respectieve instellingen wordt de Unie evenwel door iedere instelling
vertegenwoordigd, uit hoofde
van hun administratieve zelfstandigheid.
Artikel III-333
Het statuut van de ambtenaren van de Unie, alsmede de regeling
welke van toepassing is op de
andere personeelsleden van de Unie, worden bij Europese wet vastgesteld.
De wet wordt vast-
gesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.
Artikel III-334
Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Europese Commissie,
binnen de grenzen
en onder de voorwaarden die bij een door de Raad van Ministers aangenomen
Europese
verordening of Europees besluit zijn vastgesteld, alle gegevens verzamelen
en alle noodzakelijke
verificaties verrichten.
Artikel III-335
1. Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de statuten
van het Europees Stelsel van
centrale banken en van de Europese Centrale Bank worden de maatregelen
voor de opstelling van
statistieken, wanneer zulks voor de vervulling van de taken van de
Gemeenschap Unie nodig is,
vastgesteld bij een Europese wet of kaderwet.
2. De productie van communautaire statistieken geschiedt op basis van
onpartijdigheid, betrouw-
baarheid, objectiviteit, wetenschappelijke onafhankelijkheid, kosteneffectiviteit
en statistische
geheimhouding; het mag geen buitensporige lasten voor de economische
actoren met zich mee
brengen.
Artikel III-336
De leden van de instellingen en organen van de Unie, de leden van de
comités, alsmede de
ambtenaren en personeelsleden van de Unie zijn gehouden, zelfs na afloop
van hun functie, de
inlichtingen die naar hun aard vallen onder de geheimhoudingsplicht
en met name de inlichtingen
betreffende de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen
van hun kostprijzen,
niet openbaar te maken.
Artikel III-337
De contractuele aansprakelijkheid van de Unie wordt beheerst door
het recht dat op het betrokken
contract van toepassing is.
Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Unie overeenkomstig
de algemene begin-
selen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade
vergoeden die door haar
instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun
functies is veroorzaakt.
De tweede alinea is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op
de schade die door de Europese
Centrale Bank of door haar personeelsleden in de uitoefening van
hun functies is veroorzaakt.
De persoonlijke aansprakelijkheid der personeelsleden jegens de Unie
wordt geregeld bij de
bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling
vaststellen.
Artikel III-338
De zetel van de instellingen van de Unie wordt in onderlinge overeenstemming
door de regeringen
der lidstaten vastgesteld.
Artikel III-339
De Raad van Ministers stelt met eenparigheid van stemmen een Europese
verordening vast
houdende regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Unie,
onverminderd het statuut
van het Hof van Justitie.
Artikel III-340
De Unie geniet, overeenkomstig de bepalingen van het aan dit Verdrag
gehechte Protocol van
8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese
Gemeenschappen, op het
grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig
zijn ter vervulling van
haar taak. Dit zelfde geldt voor de Europese Centrale Bank en de Europese
Investeringsbank.
Artikel III-341
De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór
1 januari 1958 of, voor de
toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding
gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds
en een of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van
deze Grondwet niet
aangetast.
Voorzover deze overeenkomsten niet verenigbaar zijn met de Grondwet
maken de betrokken lid-
staat of lidstaten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde
onverenigbaarheid op te
heffen. Indien nodig verlenen de lidstaten elkaar bijstand teneinde
dat doel te bereiken en volgen in
voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn.
Bij de toepassing van de overeenkomsten, bedoeld in de eerste alinea,
houden de lidstaten rekening
met het feit dat de voordelen door iedere lidstaat in de Grondwet toegestaan,
een wezenlijk bestand-
deel uitmaken van de Unie en dientengevolge onverbrekelijk verbonden
zijn met de oprichting van
gemeenschappelijke instellingen, met het toekennen van bevoegdheden
aan die instellingen en met
het verlenen van dezelfde voordelen door de overige lidstaten.
Artikel III-342
1. De Grondwet vormt geen beletsel voor de volgende regels:
a) geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan
de verbreiding naar zijn
mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid;
b) elke lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht
voor de bescherming van de
wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op
de productie van of de
handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen
de mededingings-
verhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet
bestemd zijn voor
specifiek militaire doeleinden.
2. De Raad van Ministers kan met eenparigheid van stemmen op voorstel
van de Europese
Commissie een Europees besluit vaststellen tot wijziging van de lijst
van de producten waarop de
bepalingen van lid 1, b), van toepassing zijn, die hij op 15 april
1958 heeft vastgesteld.
DEEL IV
ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN
Artikel IV-1
De symbolen van de Unie
De vlag van de Unie stelt een cirkel van twaalf gouden sterren op een
blauw veld voor.
De hymne van de Unie is ontleend aan de "Ode aan de Vreugde" uit
de negende symfonie van
Ludwig van Beethoven.
Het devies van de Unie luidt: Eenheid in verscheidenheid.
De munt van de Unie is de euro.
De negende mei wordt in de gehele Unie als de "Dag van Europa" gevierd.
Artikel IV-2
Intrekking van de vorige verdragen
Op de datum van inwerkingtreding van het verdrag tot instelling van
de Grondwet worden
ingetrokken, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
en het Verdrag betreffende
de Europese Unie, alsmede de akten en verdragen waarbij deze zijn gewijzigd
of aangevuld en die
zijn opgenomen in het aan het verdrag tot instelling van de Grondwet
gehechte Protocol.
Artikel IV-3
Juridische continuïteit ten aanzien van de Europese Gemeenschap
en de Europese Unie
De Europese Unie treedt in de plaats van de Europese Gemeenschap en
de Unie voor alle rechten en
verplichtingen daarvan, hetzij intern hetzij uit internationale overeenkomsten
voortvloeiende, die
vóór de inwerkingtreding van het verdrag tot instelling
van de Grondwet ontstaan zijn krachtens
eerdere verdragen, protocollen en akten, met inbegrip van alle activa
en passiva van de
Gemeenschap en de Unie, alsmede hun archieven.
De bepalingen van de krachtens de in de eerste alinea genoemde verdragen
en akten vastgestelde
handelingen van de instellingen van de Unie blijven van kracht volgens
de voorwaarden van het aan
het verdrag tot instelling van de Grondwet gehechte protocol. De jurisprudentie
van het Hof van
Justitie blijft gelden als bron voor de uitlegging van het recht van
de Unie.
Artikel IV-4
Territoriaal toepassingsgebied
1. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is van toepassing op
het Koninkrijk België, het
Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek,
het Koninkrijk
Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het
Groothertogdom Luxemburg, het
Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek,
de Republiek
Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en
Noord-Ierland, en ...
2. Krachtens artikel III-329 van Deel III is het verdrag tot vaststelling
van de Grondwet van
toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira
en de Canarische Eilanden.
3. De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage II aan
het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere
associatieregeling
omschreven in titel IV van het derde deel van het verdrag tot vaststelling
van de Grondwet.
Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is niet van toepassing
op de landen en gebieden
overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en
Noord-Ierland bijzondere
betrekkingen onderhouden, die niet op bovengenoemde lijst voorkomen.
4. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is van toepassing op
de Europese grondgebieden
welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.
5. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is van toepassing op
de Åland-eilanden, overeen-
komstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden
van de Republiek
Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
6. In afwijking van de voorgaande leden:
a) is het verdrag tot vaststelling van de Grondwet niet van toepassing
op de Faeröer;
b) is het verdrag tot vaststelling van de Grondwet niet van toepassing
op de zones van Cyprus
die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en
Noord-Ierland vallen;
c) zijn de bepalingen van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet
op de Kanaaleilanden en
op het eiland Man slechts van toepassing voorzover noodzakelijk ter
verzekering van de
toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in
het op 22 januari 1972
ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten
tot de Europese
Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Artikel IV-5
Regionale unies
Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet vormt geen beletsel
voor het bestaan en de voltooiing
van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen
België, Luxemburg en
Nederland, voorzover de doelstellingen van die regionale unies niet
bereikt zijn door toepassing van
genoemd verdrag.
Artikel IV-6
Protocollen
De aan onderhavig verdrag gehechte protocollen maken een integrerend
deel daarvan uit.
Artikel IV-7
Procedure voor de herziening van het verdrag tot vaststelling van de
Grondwet
1. De regering van iedere lidstaat, het Europees Parlement en de Europese
Commissie kunnen aan
de Raad van Ministers ontwerpen voorleggen tot herziening van het verdrag
tot vaststelling van de
Grondwet. Deze ontwerpen worden ter kennis gebracht van de nationale
parlementen van de
lidstaten.
2. Indien de Europese Raad, na raadpleging van het Europees Parlement
en van de Europese
Commissie, bij gewone meerderheid ermee instemt dat de voorgestelde
wijzigingen worden
besproken, roept de voorzitter van de Europese Raad een Conventie bijeen
die is samengesteld uit
vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de lidstaten, de
staatshoofden en
regeringsleiders van de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie.
Ook de Europese
Centrale Bank wordt geraadpleegd in geval van institutionele wijzigingen
op monetair gebied. De
Europese Raad kan bij gewone meerderheid van stemmen, na goedkeuring
door het Europees
Parlement, besluiten de Conventie niet bijeen te roepen indien de reikwijdte
van de wijzigingen
bijeenroeping niet rechtvaardigt. In dit laatste geval stelt de Europese
Raad het mandaat van de
Conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten
vast.
De Conventie buigt zich over de ontwerpen tot herziening en neemt bij
consensus een aanbeveling
aan de in lid 3 genoemde Conferentie van vertegenwoordigers van de
regeringen van de lidstaten
aan.
3. De Conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten
wordt door de
voorzitter van de Raad van Ministers bijeengeroepen, teneinde in onderlinge
overeenstemming de
in het verdrag tot vaststelling van de Grondwet aan te brengen wijzigingen
vast te stellen.
De wijzigingen treden in werking nadat zij door alle lidstaten overeenkomstig
hun onderscheiden
grondwettelijke bepalingen zijn bekrachtigd.
4. Indien vier vijfden van de lidstaten het verdrag houdende wijziging
van het verdrag tot
vaststelling van de Grondwet twee jaar na de ondertekening ervan hebben
bekrachtigd en een of
meer lidstaten moeilijkheden bij de bekrachtiging hebben ondervonden,
behandelt de Europese
Raad de zaak.
Artikel IV-8
Aanneming, bekrachtiging en inwerkingtreding van het verdrag tot
vaststelling van de Grondwet
1. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet zal door de Hoge
Verdragsluitende Partijen worden
bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.
De akten van
bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse
Republiek.
2. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet treedt in werking
op ..., mits alle akten van
bekrachtiging zijn nedergelegd, of bij gebreke daarvan op de eerste
dag van de maand die volgt op
het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende
staat die als laatste deze
handeling verricht.
Artikel IV-9
Duur
Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet wordt voor onbeperkte
tijd gesloten.
Artikel IV-10
Talen 2
Dit verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense,
de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse,
de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese,
de Spaanse en de Zweedse taal,
[de Tsjechische, de Estische, de Letse, de Litouwse, de Hongaarse,
de Maltese, de Poolse, de
Slowaakse en de Sloveense taal] zijnde de teksten in elk van deze talen
gelijkelijk authentiek, zal
worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse
Republiek, die een voor
eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen
der andere ondertekenende
staten.
PROTOCOL BETREFFENDE DE ROL VAN DE NATIONALE PARLEMENTEN
IN DE EUROPESE UNIE
DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,
ERAAN HERINNEREND dat de wijze waarop de afzonderlijke nationale
parlementen de controle
uitoefenen op hun eigen regering met betrekking tot de activiteiten
van de Unie, valt onder de eigen
constitutionele inrichting en praktijk van de lidstaten,
GELEID DOOR DE WENS om evenwel een grotere betrokkenheid van de
nationale parlementen
bij de activiteiten van de Europese Unie te stimuleren en hun
betere mogelijkheden te bieden om
hun zienswijze te uiten over de wetgevingsvoorstellen en over
andere aangelegenheden die voor
hen van bijzonder belang kunnen zijn,
HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen,
die aan de
Grondwet worden gehecht:
I. Informatie voor de nationale parlementen van de lidstaten
1. Alle discussiedocumenten van de Europese Commissie (groenboeken,
witboeken en
mededelingen) worden bij hun publicatie rechtstreeks door
de Commissie aan de
nationale parlementen van de lidstaten toegezonden. Tevens
zendt de Commissie het
jaarlijkse wetgevingsprogramma en alle andere wetgevingsvoorstellen
en teksten met
betrekking tot beleidsstrategie die zij eventueel indient
bij het Europees Parlement en de
Raad van Ministers, tegelijkertijd toe aan de nationale parlementen
van de lidstaten.
2. Alle tot het Europees Parlement en de Raad van Ministers
gerichte wetgevings-
voorstellen worden tegelijkertijd aan de nationale parlementen
van de lidstaten
toegezonden.
3. De nationale parlementen van de lidstaten kunnen de voorzitter
van het Europees Parlement,
van de Raad van Ministers en van de Europese Commissie een met redenen
omkleed advies
toezenden betreffende de overeenstemming van een wetgevingsvoorstel
met het
subsidiariteitsbeginsel, volgens de procedure van het protocol betreffende
de toepassing van
het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.
4. Er dient een periode van zes weken te verstrijken tussen het ogenblik
waarop een wetgevings-
voorstel door de Europese Commissie aan het Europees Parlement, de
Raad van Ministers en
de nationale parlementen van de lidstaten in de officiële talen
van de Europese Unie
beschikbaar wordt gesteld, en de datum waarop het met het oog op
de vaststelling ervan of op
de vaststelling van een standpunt in het kader van een wetgevingsprocedure
op de agenda van
de Raad van Ministers wordt geplaatst, behoudens uitzonderingen vanwege
de urgentie van de
zaak, waarvoor de redenen in de handeling of het standpunt van de
Raad van Ministers
moeten worden aangegeven. Behalve in naar behoren gemotiveerde dringende
gevallen kan
tijdens deze zes weken niet worden vastgesteld dat er over een wetgevingsvoorstel
een
akkoord bestaat. Tussen de plaatsing van een voorstel op de agenda
van de Raad van
Ministers en de vaststelling van diens standpunt moeten tien dagen
verstrijken.
5. De agenda's en de resultaten van de Raadszittingen, waaronder
begrepen de notulen van de
Raadszittingen waarin over wetgevingsvoorstellen is beraadslaagd,
worden rechtstreeks
meegedeeld aan de nationale parlementen van de lidstaten, tegelijkertijd
met de toezending
aan de regeringen van de lidstaten.
6. Indien de Europese Raad artikel I-24, lid 4, eerste alinea, van
de Grondwet wil toepassen,
worden de nationale parlementen op de hoogte gebracht voordat een
beslissing wordt
genomen.
Indien de Europese Raad artikel I-24, lid 4, eerste alinea, wil toepassen,
worden de nationale
parlementen ten minste vier maanden voordat een beslissing wordt
genomen, op de hoogte
gebracht.
7. De Rekenkamer zendt haar jaarverslag ter informatie toe aan de nationale
parlementen
van de lidstaten, tegelijkertijd met de toezending ervan aan het
Europees Parlement en
de Raad van Ministers.
8. Betreft het nationale parlementen met een tweekamerstelsel, dan
gelden deze
bepalingen voor beide kamers.
II. Samenwerking tussen parlementen
9. Het Europees Parlement en de nationale parlementen onderzoeken
samen hoe binnen de
Europese Unie de samenwerking tussen de verschillende parlementen
op efficiënte en
regelmatige wijze georganiseerd en gestimuleerd kan worden.
10. De Conferentie van commissies voor Europese aangelegenheden kan
iedere door haar
passend geachte bijdrage ter attentie van het Europees Parlement,
de Raad van Ministers
en de Europese Commissie leveren. Deze Conferentie bevordert voorts
de uitwisseling
van informatie en beste praktijken tussen de parlementen van de lidstaten
en het
Europees Parlement, alsook tussen hun respectieve gespecialiseerde
commissies. De
Conferentie kan ook interparlementaire conferenties over specifieke
onderwerpen orga-
niseren, met name om vraagstukken op het gebied van het gemeenschappelijk
buiten-
lands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids-
en defensiebeleid te
bespreken. De bijdragen van de Conferentie binden de nationale parlementen
niet en
laten hun standpunt onverlet.
PROTOCOL BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE BEGINSELEN VAN
SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,
GELEID DOOR DE WENS ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk
bij de burgers van de
Unie worden genomen;
VASTBESLOTEN de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing
van de beginselen van
subsidiariteit en evenredigheid van artikel I-9 van de Grondwet
en een systeem in te stellen voor
toezicht op de toepassing van deze beginselen door de instellingen;
HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen,
die aan de
Grondwet worden gehecht:
1. Elke instelling draagt er voortdurend zorg voor dat het
subsidiariteits- en het evenredigheids-
beginsel van artikel I-9 van de Grondwet in acht worden genomen.
2. Alvorens een wetgevingshandeling voor te stellen, gaat
de Europese Commissie over tot
brede raadplegingen. Dit overleg moet, waar nodig, rekening
houden met de regionale en
lokale dimensie van het beoogde optreden. In buitengewoon
dringende gevallen gaat de
Commissie niet over tot raadpleging. Zij motiveert haar beslissing
in haar voorstel.
3. De Europese Commissie zendt de wetgevingsvoorstellen en
gewijzigde voorstellen
gelijktijdig toe aan de nationale parlementen van de lidstaten
en aan de wetgever van de Unie.
De wetgevingsresoluties van het Europees Parlement en de
standpunten van de Raad van
Ministers worden, zodra zij zijn aangenomen of vastgesteld,
door de betrokken instelling aan
de nationale parlementen van de lidstaten toegezonden.
4. De Europese Commissie motiveert haar voorstel in het licht van de
beginselen van
subsidiariteit en evenredigheid. Aan elk wetgevingsvoorstel wordt
een subsidiariteits- en
evenredigheidsmemorandum gehecht, met een uitgebreide toelichting
van de elementen op
basis waarvan de naleving van de beginselen van subsidiariteit en
evenredigheid kan worden
beoordeeld. Dat memorandum moet elementen bevatten waarmee de financiële
gevolgen van
het voorstel kunnen worden beoordeeld, alsook - in het geval van
een kaderwet - het effect
ervan op de door de lidstaten vast te stellen regelgeving, inclusief
- waar toepasselijk - de
regionale regelgeving. De redenen voor de conclusie dat een doelstelling
van de Unie beter
bereikt kan worden door de Unie moeten met kwalitatieve of, zo mogelijk,
kwantitatieve
indicatoren worden gestaafd. De Commissie houdt er rekening mee dat
alle, financiële of
administratieve, lasten voor de Unie, de nationale regeringen, de
regionale of lokale
overheden, het bedrijfsleven en de burgers tot een minimum moeten
worden beperkt en in
verhouding moeten staan tot het te bereiken doel.
5. De nationale parlementen van de lidstaten of afzonderlijke kamers
van een nationaal
parlement kunnen binnen een termijn van zes weken vanaf de datum
van toezending van het
wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie, aan de voorzitters
van het Europees
Parlement, de Raad van Ministers en de Commissie een gemotiveerd
advies toezenden over
de redenen waarom zij menen dat het betrokken voorstel niet strookt
met het subsidiari-
teitsbeginsel. De nationale parlementen of afzonderlijke kamers van
een nationaal parlement
raadplegen, waar van toepassing, de regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid.
6. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie
houden rekening
met de gemotiveerde adviezen die de nationale parlementen van de
lidstaten of een kamer van
die parlementen tot hen richten.
De nationale parlementen van de lidstaten met een parlementair éénkamerstelsel
beschikken
over twee stemmen, en de afzonderlijke kamers in een parlementair
tweekamerstelsel over
één stem.
Indien gemotiveerde adviezen waarin wordt gesteld dat een Commissievoorstel niet
strookt
met het subsidiariteitsbeginsel, ten minste eenderde van alle stemmen van de
nationale
parlementen van de lidstaten en van de afzonderlijke kamers van de nationale
parlementen
vertegenwoordigen, moet de Commissie haar voorstel opnieuw bezien. Deze drempel
bedraagt ten minste eenvierde van alle stemmen indien het een voorstel van de
Commissie
betreft of een initiatief van een groep lidstaten in het kader van artikel III-165
van de
Grondwet, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
Op grond van die heroverweging kan de Commissie besluiten haar voorstel te handhaven,
te
wijzigen of in te trekken. De Commissie motiveert haar besluit.
7. Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van elk beroep wegens schending
door een
wetgevingshandeling van het subsidiariteitsbeginsel, dat op de wijze als aangegeven
in
artikel III-270 van de Grondwet wordt ingesteld door de lidstaten, of door de
lidstaten in
overeenstemming met de nationale rechtsorde wordt toegezonden namens hun nationaal
parlement of een kamer van dat parlement.
Uit hoofde van ditzelfde artikel van de Grondwet kan ook het Comité van
de Regio's een
dergelijk beroep instellen ten aanzien van wetgevingshandelingen voor de vaststelling
waar-
van het krachtens de Grondwet moet worden geraadpleegd.
8. De Europese Commissie brengt jaarlijks aan de Europese Raad, aan het Europees
Parlement,
aan de Raad van Ministers en aan de nationale parlementen van de lidstaten verslag
uit over
de toepassing van artikel I-9 van de Grondwet. Dit jaarverslag wordt ook aan
het Comité van
de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité toegezonden.
PROTOCOL INZAKE DE VERTEGENWOORDIGING VAN DE BURGERS
IN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE STEMMENWEGING
IN DE EUROPESE RAAD EN IN DE RAAD VAN MINISTERS
DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,
HEBBEN de volgende bepalingen VASTGESTELD, die aan het Verdrag tot
vaststelling van een
Grondwet voor Europa worden gehecht:
ARTIKEL 1
Bepalingen betreffende het Europees Parlement
1. Voor de gehele zittingsperiode 2004-2009 wordt het aantal in iedere
lidstaat gekozen
vertegenwoordigers in het Europees Parlement als volgt vastgesteld:
België 24
Tsjechië 24
Denemarken 14
Duitsland 99
Estland 6
Griekenland 24
Spanje 54
Frankrijk 78
Ierland 13
Italië 78
Cyprus 6
Letland 9
Litouwen 13
Luxemburg 6
Hongarije 24
Malta 5
Nederland 27
Oostenrijk 18
Polen 54
Portugal 24
Slovenië 7
Slowakije 14
Finland 14
Zweden 19
Verenigd Koninkrijk 78
ARTIKEL 2
Bepalingen betreffende de weging van de stemmen in de Europese Raad
en in de Raad van Ministers
1. De volgende bepalingen zijn van kracht tot 1 november 2009, onverminderd
artikel I-24 van de
Grondwet.
Voor de besluiten van de Europese Raad en van de Raad van Ministers
waarvoor een
gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist is, worden de stemmen
van de leden als volgt
gewogen:
België 12
Tsjechië 12
Denemarken 7
Duitsland 29
Estland 4
Griekenland 12
Spanje 27
Frankrijk 29
Ierland 7
Italië 29
Cyprus 4
Letland 4
Litouwen 7
Luxemburg 4
Hongarije 12
Malta 3
Nederland 13
Oostenrijk 10
Polen 27
Portugal 12
Slovenië 4
Slowakije 7
Finland 7
Zweden 10
Verenigd Koninkrijk 29
De besluiten komen tot stand, wanneer zij ten minste 232 stemmen hebben
verkregen en de
meerderheid van de leden voorstemt, indien zij krachtens de Grondwet
moeten worden genomen op
voorstel van de Commissie. In de overige gevallen komen de besluiten
tot stand wanneer zij ten
minste 232 stemmen hebben verkregen en ten minste tweederde van de
leden voorstemmen.
Een lid van de Europese Raad of van de Raad van Ministers kan verlangen
dat, in de gevallen
waarin de Europese Raad of de Raad van Ministers met gekwalificeerde
meerderheid besluit, wordt
nagegaan of de lidstaten welke die gekwalificeerde meerderheid vormen
ten minste 62% van de
totale bevolking van de Unie vertegenwoordigen. Indien blijkt dat niet
aan deze voorwaarde is
voldaan, is het besluit niet vastgesteld.
2. Voor latere toetredingen wordt de in het vorige lid bedoelde drempel
zo berekend, dat de drempel
van de in stemmen uitgedrukte gekwalificeerde meerderheid niet hoger
ligt dan die welke volgt uit
de tabel in de verklaring betreffende de uitbreiding van de Europese
Unie, die opgenomen is in de
slotakte van de Conferentie die het Verdrag van Nice heeft vastgesteld.
PROTOCOL BETREFFENDE DE EUROGROEP
De hoge verdragsluitende partijen,
Verlangend de voorwaarden voor een sterkere economische groei in Europa
te bevorderen en daar-
toe een steeds nauwere coördinatie van het economisch beleid in
de eurozone te ontwikkelen,
Zich ervan bewust dat er bijzondere bepalingen voor een versterkte
dialoog tussen de staten die de
euro hebben aangenomen, moeten worden vastgesteld, in afwachting dat
alle lidstaten van de Unie
tot de eurozone toetreden,
Hebben overeenstemming bereikt over de onderstaande bepalingen, die
aan de Grondwet worden
gehecht:
Artikel 1
De ministers van de lidstaten die de euro hebben aangenomen, vergaderen
in informeel verband. De
vergaderingen worden, voorzover nodig, gehouden om van gedachten te
wisselen over
aangelegenheden die verband houden met de specifieke bevoegdheden van
de ministers inzake de
ene munt. Op deze vergaderingen, die worden voorbereid door de vertegenwoordigers
van de
ministers van Financiën van de lidstaten die de euro hebben aangenomen,
worden de Europese
Commissie en de Europese Centrale Bank uitgenodigd.
Artikel 2
Door de ministers van de lidstaten die de euro hebben aangenomen, wordt
met een meerderheid van
die lidstaten een voorzitter gekozen voor de duur van tweeëneenhalf
jaar.
PROTOCOL HOUDENDE WIJZIGING VAN HET EURATOM-VERDRAG
DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,
ERAAN HERINNEREND hoe belangrijk het is dat de rechtsgevolgen van de
bepalingen van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
ten volle bewaard
blijven,
VERLANGEND evenwel om dat verdrag aan te passen aan de nieuwe bepalingen
van het verdrag
tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, met name op institutioneel
en financieel gebied,
Hebben onderstaande bepalingen vastgesteld, die worden gehecht aan
het verdrag tot vaststelling
van een Grondwet voor Europa en die het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap
voor Atoomenergie als volgt wijzigen:
Artikel 1
Artikel 3 wordt ingetrokken.
Artikel 2
Het opschrift van titel III "Institutionele bepalingen" wordt
vervangen door het opschrift "Institu-
tionele en financiële bepalingen".
Artikel 3
1. Artikel 107 wordt vervangen door de volgende tekst:
" Artikel 107.
Onverminderd de specifieke bepalingen van de artikelen 134, 135, 144,
145, 157, 171, 172, 174
en 176, zijn de institutionele en financiële bepalingen (artikelen
I-18 tot en met I-38, artikelen I-52
tot en met I-55 en artikelen III-227 tot en met III-316) en artikel
I - 58 van het verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa van toepassing in het kader
van het onderhavige
verdrag.
2. De artikelen 107A tot en met 133, 136 tot en met 143, 146 tot en
met 156, 158 tot en met 170,
173, 173 bis, 175, 177 tot en met 183 bis worden ingetrokken.".
Artikel 4
Het opschrift van titel IV, "Financiële bepalingen",
wordt vervangen door het opschrift:
"
Bijzondere financiële bepalingen".
Artikel 5
In de artikelen 38, derde alinea, en 82, derde alinea, worden de verwijzingen
naar de artikelen 141
en 142 vervangen door respectievelijk de artikelen III-265 en III-266
van het verdrag tot vaststelling
van een Grondwet voor Europa.
In de artikelen 171, lid 2, 175, eerste alinea, en 176, lid 3, wordt
artikel 183 vervangen door
artikel III-318 van het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor
Europa.
In artikel 172, lid 4, wordt artikel 177, lid 5, vervangen door artikel
III-310 van het verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa.
In de artikelen 18, laatste alinea, en 83, lid 2, wordt artikel 164
vervangen door artikel III-307 van
het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.
In de artikelen 38 en 82 wordt het woord "richtlijn" vervangen
door "Europees besluit".
In het verdrag wordt het woord "besluit" vervangen door "Europees
besluit".
Artikel 6
Artikel 190 wordt vervangen door de volgende tekst:
"
De regeling van het taalgebruik door de vaststellingen wordt, onverminderd
de bepalingen van het
statuut van het Hof van Justitie, door de Raad van Ministers met eenparigheid
van stemmen
vastgesteld.".
Artikel 7
Artikel 198 wordt als volgt gewijzigd:
"
a) is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeröer;".
Artikel 8
Artikel 201 wordt als volgt gewijzigd:
"
De Gemeenschap brengt met de Organisatie voor economische samenwerking
en ontwikkeling een
nauwe samenwerking tot stand welke zal plaatsvinden op de wijze die
in onderlinge
overeenstemming wordt vastgesteld.".
Artikel 9
Artikel 206 wordt als volgt gewijzigd:
"
De Gemeenschap kan met een of meer staten of internationale organisaties
akkoorden sluiten
waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige
rechten en
verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.
Die akkoorden worden gesloten door de Raad van Ministers krachtens
een na raadpleging van het
Europees Parlement met eenparigheid van stemmen genomen besluit.
Wanneer die akkoorden tot wijzigingen van dit Verdrag nopen, moeten
die wijzigingen vooraf
volgens de procedure van artikel IV-7 van het Verdrag tot vaststelling
van een Grondwet voor
Europa worden aangenomen.".
VERKLARING
gehecht aan het Protocol inzake de vertegenwoordiging van de burgers
in het Europees Parlement en de stemmenweging
in de Europese Raad en in de Raad van Ministers
Het gemeenschappelijk standpunt dat de lidstaten van de Europese Unie
tijdens de conferenties
betreffende de toetreding van Roemenië en/of Bulgarije tot de
Europese Unie zullen innemen over
de verdeling van de zetels in het Europees Parlement en de weging van
de stemmen in de Europese
Raad en in de Raad van Ministers luidt als volgt. In geval van toetreding
van Roemenië en/of
Bulgarije tot de Europese Unie vóór de inwerkingtreding
van het besluit van de Europese Raad als
bedoeld in artikel I-19, lid 2, zal het aantal van hun verkozen vertegenwoordigers
in het Europees
Parlement worden berekend op basis van de respectieve getallen 33 en
17, gecorrigeerd volgens
dezelfde formule als die waardoor het aantal vertegenwoordigers in
het Europees Parlement van
iedere lidstaat is bepaald, zoals vermeld in het Protocol inzake de
vertegenwoordiging van de
burgers in het Europees Parlement en de stemmenweging in de Raad van
Ministers.
Het verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Unie kan bepalen
dat het aantal leden van het
Europees Parlement in afwijking van artikel I-19, lid 2, van de Grondwet
tijdelijk voor de
resterende duur van de zittingsperiode 2004?2009 meer dan 736 kan bedragen.
Onverminderd artikel I-24, lid 2, van de Grondwet, is de weging van
de stemmen van Roemenië en
Bulgarije in de Europese Raad en in de Raad van Ministers tot 1 november
2009 respectievelijk 14
en 10. Bij iedere toetreding besluit de Raad van Ministers over de
drempel als bedoeld in het
Protocol inzake de vertegenwoordiging van de burgers in het Europees
Parlement en de stemmen-
weging in de Europese Raad en in de Raad van Ministers.
VERKLARING INZAKE DE OPRICHTING VAN
EEN EUROPESE DIENST VOOR EXTERN OPTREDEN
" Om de bij artikel I-27 van de Grondwet genoemde
toekomstige minister van Buitenlandse Zaken
van de Unie bij de uitoefening van zijn taken bij te staan, erkent
de Conventie dat de Raad van
Ministers en de Europese Commissie moeten overeenkomen om, onverminderd
de rechten van het
Europees Parlement, onder het gezag van de minister één
gezamenlijke dienst moet worden
opgericht (Europese dienst voor extern optreden) die samengesteld
is uit ambtenaren uit de
bevoegde diensten van het secretariaat-generaal van de Raad van Ministers
en van de Commissie en
door de nationale diplomatieke diensten gedetacheerde personeelsleden.
Het personeel van de delegaties van de Unie, zoals omschreven in
artikel III-230, is uit deze
gezamenlijke dienst afkomstig.
De Conventie is van oordeel dat de voor de oprichting van de gezamenlijke
dienst noodzakelijke
regelingen in het eerste jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag
tot vaststelling van een
Grondwet voor Europa moeten worden getroffen".
VERKLARING
BIJ DE SLOTAKTE VAN HET VERDRAG
TOT VASTSTELLING VAN DE GRONDWET
Indien viervijfde van de lidstaten het verdrag tot vaststelling van
de Grondwet twee jaar na de
ondertekening ervan hebben bekrachtigd en een of meer lidstaten moeilijkheden
bij de
bekrachtiging hebben ondervonden, behandelt de Europese Raad de zaak.
DE EUROPESE CONVENTIE
LEDENLIJST
VOORZITTERSCHAP
de heer Valéry GISCARD d?ESTAING voorzitter
de heer Giuliano AMATO vice-Voorzitter
de heer Jean-Luc DEHAENE vice-Voorzitter
OVERIGE LEDEN VAN HET PRAESIDIUM
de heer Michel BARNIER vertegenwoordiger van de Europese Commissie
de heer John BRUTON vertegenwoordiger van de nationale parlementen
de heer Henning CHRISTOPHERSEN vertegenwoordiger van het Deense voorzitterschap
de heer Alfonso DASTIS vertegenwoordiger van het Spaanse voorzitterschap
(vanaf maart 2003)
de heer Klaus HÄNSCH vertegenwoordiger van het Europees Parlement
de heer Giorgos KATIFORIS vertegenwoordiger van het Griekse voorzitterschap
(tot februari 2003)
de heer Iñigo MÉNDEZ DE VIGO vertegenwoordiger van het
Europees Parlement
mevrouw Ana PALACIO vertegenwoordiger van het Spaanse voorzitterschap
(tot maart 2003)
de heer Giorgos PAPANDREOU vertegenwoordiger van het Griekse voorzitterschap
(vanaf februari 2003)
mevrouw Gisela STUART vertegenwoordiger van de nationale parlementen
de heer Antonio VITORINO vertegenwoordiger van de Europese Commissie
de heer Alojz PETERLE genodigde
LEDEN VAN DE CONVENTIE
VERTEGENWOORDIGERS VAN HET EUROPEES PARLEMENT
de heer Jens-Peter BONDE (DK)
de heer Elmar BROK (D)
de heer Andrew Nicholas DUFF (UK)
de heer Olivier DUHAMEL (F)
de heer Klaus HÄNSCH (D)
mevrouw Sylvia-Yvonne KAUFMANN (D)
de heer Timothy KIRKHOPE (UK)
de heer Alain LAMASSOURE (F)
mevrouw Linda McAVAN (UK)
mevrouw Hanja MAIJ-WEGGEN (NL)
de heer Luís MARINHO (P)
de heer Íñigo MÉNDEZ DE VIGO Y MONTOJO (E)
mevrouw Cristiana MUSCARDINI (I)
de heer Antonio TAJANI (I)
mevrouw Anne VAN LANCKER (B)
de heer Johannes VOGGENHUBER (A)
VERTEGENWOORDIGERS VAN DE COMMISSIE
de heer Michel BARNIER
de heer António VITORINO
VERTEGENWOORDIGERS VAN DE LIDSTATEN
BELGIË/BELGIQUE
de heer Louis MICHEL
DANMARK
de heer Henning CHRISTOPHERSEN
DEUTSCHLAND
de heer Joschka FISCHER
ELLAS
de heer Giorgos PAPANDREOU
ESPAÑA
de heer Alfonso DASTIS
FRANCE
de heer Dominique de VILLEPIN
IRELAND
de heer Dick ROCHE
ITALIA
de heer Gianfranco FINI
LUXEMBOURG
de heer Jacques SANTER
NEDERLAND
de heer Gijs de VRIES
ÖSTERREICH
de heer Hannes FARNLEITNER
PORTUGAL
de heer Ernâni LOPES
SUOMI/FINLAND
mevrouw Teija TIILIKAINEN
SVERIGE
mevrouw Lena HJELM-WALLÉN
UNITED KINGDOM
de heer Peter HAIN
VERTEGENWOORDIGERS VAN DE KANDIDAAT-LIDSTATEN
CYPRUS
de heer Michael ATTALIDES
MALTA
de heer Peter SERRACINO-INGLOTT
MAGYARORSZÀG/HONGARIJE
de heer Péter BALÁZS
POLSKA/POLEN
mevrouw Danuta HÜBNER
ROMÂNIA/ROEMENIË
mevrouw Hildegard Carola PUWAK
SLOVENSKO/SLOWAKIJE
de heer Ivan KORCOK
LATVIJA/LETLAND
mevrouw Sandra KALNIETE
EESTI/ESTLAND
de heer Lennart MERI
LIETUVA/LITOUWEN
de heer Rytis MARTIKONIS
BULGARIJE
mevrouw Meglena KUNEVA
CESKÁ REPUBLIKA/TSJECHIË
de heer Jan KOHOUT
SLOVENIJA/SLOVENIË
de heer Dimitrij RUPEL
TÜRQÍYE/TURKIJE
de heer Abdullah GÜL
WAARNEMERS
de heer
Roger BRIESCH Economisch en Sociaal Comité
de heer Josef CHABERT Comité van de Regio's
de heer João CRAVINHO Europese sociale partners
de heer Manfred DAMMEYER Comité van de Regio's
de heer Patrick DEWAEL Comité van de Regio's
de heer Nikiforos DIAMANDOUROS Europese ombudsman
mevrouw Claude DU GRANRUT Comité van de Regio's
de heer Göke Daniel FRERICHS Economisch en Sociaal Comité
de heer Emilio GABAGLIO Europese sociale partners
de heer Georges JACOBS Europese sociale partners
de heer Claudio MARTINI Comité van de Regio's
mevrouw Anne-Maria SIGMUND Economisch en Sociaal Comité
de heer Ramón Luis VALCÁRCEL SISO Comité van de
Regio's
SECRETARIAAT
Sir John KERR secretaris-generaal
mevrouw Annalisa GIANNELLA adjunct secretaris-generaal
INHOUD
| terug |
GRONDWET
VOOR EUROPA
VOORWOORD
PREAMBULE
DEEL I: VERDRAG TOT VASTSTELLING VAN EEN GRONDWET VOOR EUROPA
TITEL I - DEFINITIE EN DOELSTELLINGEN VAN DE UNIE
TITEL II - DE GRONDRECHTEN EN HET BURGERSCHAP
VAN DE UNIE
TITEL III - DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE
TITEL IV - DE INSTELLINGEN VAN DE UNIE
HOOFDSTUK I - INSTITUTIONEEL KADER
HOOFDSTUK II - OVERIGE INSTELLINGEN EN ORGANEN
TITEL V - DE UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE
HOOFDSTUK I - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II - BIJZONDERE BEPALINGEN
HOOFDSTUK III - NAUWERE SAMENWERKING
TITEL VI - HET DEMOCRATISCH BESTEL VAN DE UNIE
TITEL VII - DE FINANCIËN VAN DE UNIE
TITEL VIII - DE UNIE EN HAAR NAASTE OMGEVING
TITEL IX - HET LIDMAATSCHAP VAN DE UNIE
DEEL II: HET HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE UNIE
PREAMBULE
TITEL I - WAARDIGHEID
TITEL II - VRIJHEDEN
TITEL III - GELIJKHEID
TITEL IV - SOLIDARITEIT
TITEL V - BURGERSCHAP
TITEL VI - RECHTSPLEGING
TITEL VII - ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE INTERPRETATIE EN DE
TOEPASSING VAN HET HANDVEST
DEEL III: BELEID EN WERKING VAN DE UNIE
TITEL I - ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN
TITEL II - NON-DISCRIMINATIE EN BURGERSCHAP
TITEL III - INTERN BELEID EN OPTREDEN
HOOFDSTUK I - DE INTERNE MARKT
Afdeling 1 - De totstandbrenging van de interne markt
Afdeling 2 - Het vrije verkeer van personen en diensten
Onderafdeling 1 - Werknemers
Onderafdeling 2 - De vrijheid van vestiging
Onderafdeling 3 - De vrijheid van dienstverrichting
Afdeling 3 - Het vrije verkeer van goederen
Onderafdeling 1 - De douane-unie
Onderafdeling 2 - Douanesamenwerking
Onderafdeling 3 - Het verbod op kwantitatieve beperkingen
Afdeling 4 - Kapitaal en betalingen
Afdeling 5 - Regels betreffende de mededinging
Onderafdeling 1 - Regels voor ondernemingen
Onderafdeling 2 - Steunmaatregelen van de lidstaten
Afdeling 6 - Bepalingen betreffende belastingen
Afdeling 7 - De onderlinge aanpassing van de wetgevingen
HOOFDSTUK II - HET ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID
Afdeling 1 - Het economisch beleid
Afdeling 2 - Het monetair beleid
Afdeling 3 - Institutionele bepalingen
Afdeling 3 bis - Specifieke bepalingen voor de lidstaten die tot de
eurozone behoren
Afdeling 4 - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK III - HET BELEID OP ANDERE SPECIFIEKE GEBIEDEN
Afdeling 1 - Werkgelegenheid
Afdeling 2 - Het sociaal beleid
Onderafdeling 1 - Het Europees Sociaal Fonds
Afdeling 3 - Economische, sociale en territoriale samenhang
Afdeling 4 - Landbouw en visserij
Afdeling 5 - Milieu
Afdeling 6 - Consumentenbescherming
Afdeling 7 - Vervoer
Afdeling 8 - Trans-Europese netwerken
Afdeling 9 - Onderzoek en technologische ontwikkeling
Afdeling 10 - Energie
HOOFDSTUK IV - DE RUIMTE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN
RECHTVAARDIGHEID
Afdeling 1 - Algemene bepalingen
Afdeling 2 - Het beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie
Afdeling 3 - Justitiële samenwerking in civiele zaken
Afdeling 4 - Justitiële samenwerking in strafzaken
Afdeling 5 - Politiële samenwerking
HOOFDSTUK V - DE GEBIEDEN WAAROP DE UNIE KAN BESLUITEN
COÖRDINEREND, AANVULLEND OF ONDERSTEUNEND
OP TE TREDEN
Afdeling 1 - Volksgezondheid
Afdeling 2 - Industrie
Afdeling 3 - Cultuur
Afdeling 4 - Onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport
Afdeling 5 - Civiele bescherming
Afdeling 6 - Administratieve samenwerking
TITEL IV - DE ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE
TITEL V - HET EXTERNE OPTREDEN VAN DE UNIE
HOOFDSTUK I - ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II - HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN
VEILIGHEIDSBELEID
Afdeling 1 - Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid
Afdeling 2 - Financiële bepalingen
HOOFDSTUK III - DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK
HOOFDSTUK IV - DE SAMENWERKING MET DERDE LANDEN EN DE
HUMANITAIRE HULP
Afdeling 1 - Ontwikkelingssamenwerking
Afdeling 2 - Economische, financiële en technische samenwerking
met derde landen
Afdeling 3 - De humanitaire hulp
HOOFDSTUK V - BEPERKENDE MAATREGELEN
HOOFDSTUK VI - INTERNATIONALE AKKOORDEN
HOOFDSTUK VII -DE BETREKKINGEN VAN DE UNIE MET INTERNATIONALE
ORGANISATIES, MET DERDE LANDEN EN MET DE DELEGATIES
VAN DE UNIE
HOOFDSTUK VIII - TOEPASSING VAN DE SOLIDARITEITSCLAUSULE
TITEL VI - DE WERKING VAN DE UNIE
HOOFDSTUK I - INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Afdeling 1 - De instellingen
Onderafdeling 1 - Het Europees Parlement
Onderafdeling 2 - De Europese Raad
Onderafdeling 3 - De Raad van Ministers
Onderafdeling 4 - De Europese Commissie
Onderafdeling 5 - Het Hof van Justitie
Onderafdeling 6 - De Rekenkame
Afdeling 2 - De adviesorganen van de Europese Unie
Onderafdeling 1 - Het Comité van de Regio's
Onderafdeling 2 - Het Economisch en Sociaal Comité
Afdeling 3 - De Europese Investeringsbank
Afdeling 4 - Bepalingen die de instellingen, organen en bureaus van
de Unie
gemeen hebben
HOOFDSTUK II - FINANCIËLE BEPALINGEN
Afdeling 1 - Het meerjarig financieel kader
Afdeling 2 - De jaarlijkse begroting van de Unie
Afdeling 3 - De uitvoering van de begroting en de kwijting
Afdeling 4 - Gemeenschappelijke bepalingen
Afdeling 5 - De fraudebestrijding
HOOFDSTUK III - NAUWERE SAMENWERKING
TITEL VII - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
DEEL IV: ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN
PROTOCOL BETREFFENDE DE ROL VAN DE NATIONALE
PARLEMENTEN IN DE EUROPESE UNIE
PROTOCOL BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE BEGINSELEN
VAN SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
PROTOCOL INZAKE DE VERTEGENWOORDIGING VAN DE BURGERS IN
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE STEMMENWEGING IN DE EUROPESE
RAAD EN IN DE RAAD VAN MINISTERS
PROTOCOL BETREFFENDE DE EUROGROEP
PROTOCOL HOUDENDE WIJZIGING VAN HET EURATOM-VERDRAG
VERKLARING GEHECHT AAN HET PROTOCOL INZAKE DE
VERTEGENWOORDIGING VAN DE BURGERS IN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE STEMMENWEGING IN DE EUROPESE RAAD
EN IN DE RAAD VAN MINISTERS
VERKLARING INZAKE DE OPRICHTING VAN EEN EUROPESE DIENST
VOOR EXTERN OPTREDEN
VERKLARING BIJ DE SLOTAKTE VAN HET VERDRAG TOT VASTSTELLING
VAN DE GRONDWET
LIJST
VAN LEDEN VAN DE EUROPESE CONVENTIE
| terug |
1 | 2 | 3 | 4 |