Cleveringa-lezing 2002 "Vreemden" uitgesproken door Job Cohen (26 november 2002)



1. Inleiding en vraagstelling
Op dinsdag 26 november 1940 betrad de decaan van de Juridische Faculteit prof. Mr. Rudolph Pabus Cleveringa, om 10.00 uur 's ochtends, het Groot Auditorium van de Universiteit te Leiden, - de zaal waar wij vandaag 63 jaar later opnieuw bijeen zijn gekomen.
Enige dagen tevoren, op 21 november 1940, hadden de verschillende ministeries in Den Haag een circulaire de deur uit doen gaan, waarin melding werd gemaakt van het ontslag van alle joodse ambtenaren "in opdracht van de Rijkscommissaris Seyss-Inquart". Hier in Leiden zou deze maatregel leiden tot het ontslag van 10 academische docenten, waaronder twee hoogleraren.
Een van die twee was prof. Mr. E.M. Meijers, hoogleraar burgerlijk recht en internationaal privaatrecht, die zowel in eigen land als in het buitenland werd erkend als een rechtsgeleerde van uitzonderlijke verdienste. De gedachte dat ook Meijers zijn taak zou moeten neerleggen was voor velen ondragelijk en dat gold des te meer voor Cleveringa, die bij Meijers had gestudeerd en bij hem was gepromoveerd.
Op die dinsdag van 26 november 1940 sprak Cleveringa uitvoerig over de verdiensten van Meijers als geleerde en als mens en hij sprak daarbij de woorden: "het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mens, deze studentenvader, deze geleerde dien de vreemdeling welke ons thans vijandig overheerst 'ontheft van zijn functie'!”.

In het Groot Auditorium zat op die gedenkwaardige novemberochtend van 1940 een jonge, joodse studente rechten. De zojuist aangehaalde woorden van Cleveringa vielen “als balsem op haar twijfelende ziel”. Ze had het gevoel “als zweven op dit ogenblik onze gedachten en stemmingen zonder klanken niettemin volkomen nauwkeurig kenbaar over en weer en af en aan tussen ons allen”. En vooral het allesoverheersende gevoel: “Ik hoor erbij!”

“Ik hoor erbij” – een heel eenvoudige zin waarachter een complexe werkelijkheid schuil ging. Daar zat een jonge vrouw die in Nederland was geboren en getogen. Een Nederlandse vrouw die in een liberaaljoods gezin was groot gebracht, waarin de oeroude wetten en gebruiken van het jodendom niet meer in zwang waren. Een joodse, Nederlandse, vrouw die alleen het vooroorlogse Nederland kende. In haar beleving was dat een Nederland waarin een geest heerste van volstrekte verdraagzaamheid op ieder gebied: afkomst, sekse, godsdienst en ras.
Toen werd het mei 1940, was er oorlog en was Nederland bezet door Duitsland. Voor de Nationaal-Socialistische Duitsers golden de joden als “Fremdkörper”, een vreemd lichaam binnen de nationale staat, de aartsvijanden van Duitsland. Opeens was die jonge, Nederlandse vrouw veranderd in een “vreemde”, iemand die er niet bij hoort en als het aan de Duitsers lag er ook nooit meer bij zou horen. De joden zouden, als vreemd element juist vanwege hun joods zijn - zo bleek later - met man en macht uitgeroeid moeten worden. De afloop is bekend. Gelukkig niet voor de jonge vrouw die ik net ten tonele voerde; zij overleefde en was in de gelegenheid haar ervaringen van 26 november 1940 te noteren. Zij deed meer na de oorlog: zij trouwde met mijn vader en werd mijn moeder. Deze rede draag ik, in dankbare herinnering, aan haar nagedachtenis op.

“Ik hoor erbij” – hoevelen zullen het mijn moeder in de achter ons liggende jaren hebben nagezegd? In ieder geval waren er velen voor wie vergelijkbare omstandigheden golden: zich thuis voelend in Nederland, in het tolerante Nederland, waar zoveel verschillende groepen vreedzaam naast elkaar leefden. Zoveel verschillende groepen, die vooral sinds de jaren zestig naar Nederland toekwamen, hier een leven opbouwden, kinderen kregen en steeds meer tussen twee culturen in gingen leven: de cultuur van het land van herkomst, waar ze zich steeds minder mee verwant gingen voelen, en de cultuur van Nederland, waar ze zich steeds meer thuis gingen voelen. En als dat al niet gold voor de eerste generatie, dan toch steeds meer voor de tweede en de derde generatie.
En toen kwam de schok van 11 september 2001, gevolgd door de woelige verkiezingsmaanden, culminerend in de moord op Pim Fortuyn, tot voor kort voor onmogelijk gehouden verkiezingsuitslagen en een klimaat dat voor immigranten zonder enige twijfel verhard is. Horen “zij” er nog even veel bij als vóór 11 september 2001? Maar ook veel autochtone Nederlanders hebben zich de afgelopen jaren wel eens vertwijfeld afgevraagd: is dit nou Nederland? Hoor ik hier nog wel bij? Ben ik niet een vreemde in eigen land?

“Ik hoor erbij” – dat is een van de dingen die de mens het meest nastreeft. Ieder mens is een sociaal wezen die andere mensen nodig heeft, andere mensen opzoekt, met hen verbanden en gemeenschappen aangaat. Wie dat niet lukt, wie “er niet bij hoort”, om wat voor reden dan ook, zal zich vaak ongelukkig voelen. Toch is “erbij horen” in onze tijd niet gemakkelijk en voor velen vaak ook niet vanzelfsprekend. In het huidige Nederland leven veel mensen als vreemden naast elkaar.
Hoe heeft deze situatie van vervreemding zich zo kunnen ontwikkelen? En minstens even belangrijk: hoe kunnen al die vreemden – autochtonen en allochtonen - zich opnieuw in ons land thuis voelen, er bij horen, waardoor tegelijkertijd al die gevoelens van onbehagen en onzekerheid die het laatste jaar zo duidelijk in onze samenleving naar boven zijn gekomen, overwonnen kunnen worden?
Dat zijn de twee onderwerpen waar ik het vanmiddag over wil hebben. Eerst zal ik een aantal ingrijpende ontwikkelingen van de afgelopen veertig jaar en hun gevolgen beschrijven om daarna na te gaan wat we eraan zouden kunnen doen.


2. Veertig jaar verandering in Nederland
In een lezing ten overstaan van de bestuurders van de vier grote steden noemde de schrijver-filosoof Gabriel van den Brink vier van deze ingrijpende ontwikkelingen:

  1. Individualisering 
  2. Democratisering
  3. Privatisering
  4. Globalisering.
Ik voeg een vijfde ontwikkeling daaraan toe, namelijk secularisatie.
Deze ontwikkelingen, die ieder voor zich belangrijke positieve effecten hebben gehad op onze samenleving, gaan evenwel ook met schaduwkanten gepaard. En het zijn juist deze kanten die zich nu pregnant doen voelen en die om een reactie vragen – van de overheid, ja, maar niet uitsluitend van de overheid. Laat ik deze vijf ontwikkelingen nader onder de loep nemen.

2.1. Individualisering
Ten eerste de individualisering; dat is het proces waarin burgers zich los maken van traditionele verbanden zoals de kerk, de familie, de politieke partij, het dorp of de stad waar je geboren bent, de buurt waarin je woont. Deze individualisering werd en wordt door velen gezien als een bevrijding van een teveel aan traditioneel gezag en sociale controle, als een emancipatie van te klemmende banden uit het verleden. Hierdoor hebben mensen zich een individuele vrijheid verworven om te kiezen hoe ze hun leven willen vormgeven. De toegenomen welvaart sinds de jaren zestig maakte dat er ook inderdaad wat te kiezen viel. Belangrijke verworvenheden van de individualisering zijn bijvoorbeeld de emancipatie van vrouwen en van homoseksuelen. Voor geen goud zouden we weer terug willen naar de situatie van vroeger.
Maar de individualisering kent ook schaduwkanten. Dat we elkaar door de toegenomen welvaart niet meer direct nodig hebben – je hoeft bijvoorbeeld niet meer bij je ouders te wonen totdat je trouwt, of je hoeft je schoonouders niet meer in huis te nemen als ze oud zijn - is een verworvenheid, maar tegelijkertijd ook een verlies van bindingen die op zichzelf natuurlijk zijn. Door het verminderen van de sociale controle zijn er ook problemen ontstaan. Deze problemen zijn daar het grootst, waar de sociale controle het kleinst is: op straat, in het openbaar vervoer, het uitgaansleven, het voetbalstadion. Van den Brink zegt het zo: “De meeste mensen houden zichzelf in de hand zolang zij door anderen gekend worden. Maar in anonieme en grootschalige omgevingen, waar geen enkele vorm van sociale controle bestaat laat menigeen zich gaan.
Deze problemen vragen om een maatschappij waar mensen zich weer een deel van het geheel voelen, erbij horen, hun gemeenschappelijke normen hebben en tevens verantwoordelijkheid voelen voor het geheel, zowel in de kleinere cirkels van gezin en sociale groep, als voor de staat als geheel. Minder sociale controle vraagt van de kant van de overheid méér controle: meer toezicht en handhaving.

2.2 Democratisering
Ten tweede: de democratisering. Deze ontwikkeling, die nauw samenhangt met de zojuist beschreven individualisering, voltrok zich in Nederland vanaf de jaren zestig. Toen vond een Umwertung alle Werte plaats. De autoriteiten (overheid en politie voorop, en in hun voetspoor ouders, leerkrachten, de dominee en de pastoor) vielen van hun voetstuk en werden niet meer als bron van kennis en gezag gezien en erkend. Toen kwam de moderne, mondige Nederlandse burger tot ontplooiing .
De democratisering heeft veel goeds gebracht; in combinatie met de zojuist beschreven individualisering werden mensen mondig en verantwoordelijk voor eigen leven en welzijn. Maar dat wil opnieuw niet zeggen, dat we de ogen moeten sluiten voor de negatieve kanten ervan. Het is juist deze negatieve kant die in deze tijd pregnant naar voren komt en zijn weerslag vindt in het normen- en waardendebat dat sinds enige tijd in Nederland woedt.

Een specifiek kenmerk van de moderne, mondige Nederlandse burger is dat hij zelf wil beslissen en zeggenschap wil hebben over alle aspecten van zijn leven. De moderne, mondige Nederlandse burger erkent geen enkele autoriteit vanzelfsprekend. Zelfs is er soms sprake van een grote minachting voor autoriteiten, vooral als de autoriteit de overheid is.
Als het gaat om normen, vastgelegd in wetten en regels, zal de moderne Nederlandse burger zelf wel uitmaken of een regel deugt, of die regel hem aangaat en of hij zich er wel of niet aan houdt. Sterker nog, sommige moderne Nederlanders menen zich niet beter te kunnen waarmaken dan door de regels juist te overtreden. De brutaalsten doen dat zelfs bewust. Zij proberen zo voldongen feiten te scheppen en daarmee de regels naar eigen inzicht te veranderen.
Tegenover deze moderne burger staat een veelal passieve en defensieve, want om allerlei ook hier genoemde en nog te noemen redenen, teruggedrongen en teruggetreden overheid. Misschien is dit gedrag van de overheid mede te begrijpen als we ons realiseren dat ook overheidsdienaren producten zijn van de Nederlandse samenleving van de afgelopen veertig jaar. Ook zij zijn mondige Nederlandse burgers die het liefst zelf bepalen waarom ze handelen, hoe ze handelen en wanneer ze handelen. Tussen moderne, mondige burgers heersen geen gezagsverhoudingen en is onderhandelen de norm om tot de oplossing van conflicten te komen. Het is ook niet verwonderlijk dat binnen deze context de praktijk van het willekeurig gedogen van grote en kleine wetsovertredingen tot bloei is gekomen. Dit gedogen biedt immers de mogelijkheid om, buiten de formele regels om, tot een compromis te komen waarmee zowel de meer als minder brutale burger, als de overheidsdienaren kunnen leven. Dat dit vrij particuliere compromis zich niets aantrekt van wat er verder in de samenleving leeft wordt hierbij meestal, maar wel ten onrechte, vergeten. Met alle negatieve gevolgen van dien voor de samenleving.

Want wat gebeurde er? Voorbeelden te over: krakers bepaalden wat voor eigendom ze wel erkenden en welk niet, en het werd gedoogd. De ene fietser stopte wel voor het rode licht en de ander niet, en er werd niet ingegrepen. In de bouw gingen aannemers, bouwondernemingen en overheidsdienaren zelf beslissen welke regels men wel en welke regels men niet wenste te volgen, en jarenlang kon dit doorgaan. En uiteindelijk gaan een minister en een kamerlid samen een straatrace houden op de snelweg, en melden trots dat ze het verkeersrecht aan hun laars lappen. Het in eeuwen opgebouwde systeem van staat en recht kreeg zo 'rotschoppen', vanonder en van boven.

Deze ontwikkeling heeft de rechtszekerheid van de burger aangetast en het optredend vermogen van de overheid ernstig ondermijnd. En dat heeft geleid tot een roep om een nieuwe consensus over een voor ons allen geldend stelsel van normen en waarden.

2.3 Privatisering
Dan de privatisering; daarvan is in principe sprake als taken die eerst door de overheid werden verricht, worden overgelaten aan of worden overgenomen door de private sector. Denk bijvoorbeeld aan de PTT en de NS, maar ook aan het ziekenfonds, de elektriciteitsvoorziening en de arbeidsvoorziening – alle werden de afgelopen jaren op afstand van de overheid geplaatst en veelal geprivatiseerd.
De behoefte aan privatisering ontstond in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw als reactie op de uitwassen van de verzorgingsstaat: inefficiënte dienstverlening, bureaucratie, en oplopende kosten voor staat en samenleving. Door de verschillende privatiseringen werd er veel meer aan de marktsector overgelaten en werd de overheidssector kleiner. Gabriël van den Brink wijst erop dat er in het kielzog van de privatiseringen ook bij veel mensen een nieuwe houding ontstond , waarin begrippen als “meer marktwerking”, “bedrijfsmatig werken”, “risico’s nemen”, “durven ondernemen” maatgevend werden. Deze nieuwe houding paste goed bij moderne, geïndividualiseerde burgers die genoeg hadden van de bureaucratie, inefficiëntie en regelzucht van de overheid en de overheidsbedrijven, en nu eens hun zaken zelf wilden regelen, niet alleen in het bedrijfsleven, maar ook bijvoorbeeld op scholen, in ziekenhuizen, en ja, zelfs bij de overheid.
De privatisering en daarmee gepaard gaande nieuwe werkverhoudingen gaven geïndividualiseerde burgers de mogelijkheid om zich op hun werk (maar ook op andere levensgebieden) als ondernemer op te stellen: je werkt hard, je investeert in een zaak, maar je krijgt er ook wat voor terug. Er zijn velen die zich mede hierdoor in de jaren negentig een flinke welvaart hebben verworven.
Maar ook deze ontwikkeling had zijn prijs – er ontstond een harder maatschappelijk klimaat; daar werden met name die mensen de dupe van die niet konden voldoen aan de eisen die door een marktgerichte economie worden gesteld op het gebied van opleiding, gezondheid, netwerken en sociaal gedrag. Niet iedereen kon en kan meekomen – het grote aantal WAO-ers zou daarvan wel eens mede een indicatie kunnen zijn. Deze mensen vormen zo langzamerhand een groep achterblijvers met weinig macht en weinig mogelijkheden om hun positie te verbeteren of zelfs maar te handhaven.
Behalve tot een harder maatschappelijk klimaat leidde het proces van privatisering er vaak toe dat burgers, inmiddels consumenten of klanten geworden, geen greep hadden of konden krijgen op de geprivatiseerde instelling. In “Grenzen aan de markt”, een recente publicatie van de Wiardi Beckman Stichting , wordt beschreven hoe de privatisering van overheidsinstellingen, hoezeer op zichzelf ook begrijpelijk en nuttig, op een aantal punten niet goed doordacht is en tot onvolkomenheden heeft geleid. Bij de inrichting van het nieuwe geprivatiseerde stelsel werd te veel gekeken naar markt- en winstdoelstellingen, en te weinig naar de vraag wat er in maatschappelijk opzicht wenselijk was in de desbetreffende sectoren. Zo werd geen van de operaties aangegrepen om de medezeggenschap van de consument te versterken, waardoor burgers bij klachten nergens heen konden. De overheid ging er immers niet meer over en de markt gaf niet thuis. Bovendien viel er bij vele privatiseringen van de afgelopen jaren voor de burger of de klant/consument niets te kiezen; men kon bij slechte dienstverlening niet bij de concurrent terecht, want die was er niet – denk bijvoorbeeld aan de privatiseringen van de NS, de elektriciteitsbedrijven, of kabelbedrijven zoals UPC. En zo hebben ook de privatiseringen van de afgelopen jaren aan een zekere vervreemding bijgedragen en geleid tot een roep om gehoord te worden, of men nu optreedt als burger of als klant/consument.

2.4. Globalisering
Naast individualisering, democratisering en privatisering deed zich de afgelopen veertig jaar nog een vierde ontwikkeling voor, te weten de globalisering. Globalisering is het verschijnsel waarbij de landen, culturen en mensen in de hele wereld door economie, migratie en informatietechnologie steeds meer en steeds sneller met elkaar verbonden raken. Kapitaalstromen, diensten en goederen, maar ook informatie en denkbeelden gaan razendsnel de hele wereld over, en trekken zich daarbij niets aan van nationale, culturele of ideologische grenzen. De Wereldbank, de Verenigde Naties, de Europese Unie, multinationale bedrijven als Shell en Philips, het Internationale Rode Kruis, McDonalds, Nike, Coca Cola – het zijn allemaal aspecten van deze globalisering.
De globalisering gaat gepaard met een omvangrijke migratie. Er is in de hele wereld geen grote stad meer te vinden die qua bevolking niet heterogeen en multicultureel is. Het gaat hierbij - zoals Geert Mak onlangs zei- om wetenschappers, bankiers, IT-ers, kunstenaars, studenten, zakenlieden, maar ook om arbeiders, koks en poetsers , en zij komen zowel uit geïndustrialiseerde landen als de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Japan en Canada, als uit niet- geïndustrialiseerde landen zoals Marokko, Ghana en Pakistan. De migratie omvat dus zowel zogenoemde “expats” als wat wij hier in Nederland “allochtonen” noemen.

Deze globalisering wekt intussen bij velen aversie op. Grote groepen bestaande uit voornamelijk westerse jongeren, hebben al bij verschillende gelegenheden (zoals bij de Wereldtop-ontmoetingen in 1999 in Seattle en in 2001 in Bologna) hier scherp tegen geprotesteerd.
Maar ook in uiteenlopende ontwikkelings- en transitielanden ziet men allerlei weerstanden tegen globalisering. De globalisering wordt verantwoordelijk geacht voor de vernietiging van de lokale tradities en cultuur. Als reactie daarop ontwikkelen lokale politieke leiders diverse strategieën om de eigen tradities en cultuur te redden. Niet zelden wordt daarbij de etnische of religieuze kaart uitgespeeld om delen van de bevolking achter zich te verenigen. Dit leidt tot bewegingen als de African renaissance van Mbeki in Zuid Afrika, de Asian values van Mahathir, maar ook tot het moslimfundamentalisme van Khomeini in Iran, de Taliban in Afghanistan en fundamentalistische groepen in bijvoorbeeld Indonesië.
Dichter bij huis zien we dat het vooral de immigratie is die wrevel oproept.
Deze anti-globaliseringstendensen komen elkaar wereldwijd tegen in een herwaardering van de eigen culturele eigenheid. Dat gebeurt niet alleen bij ons, in Nederland en in andere Westerse landen, maar ook in van elkaar verschillende landen als Algerije en Tsjetsjenië, en bij uiteenlopende volkeren als bijvoorbeeld de Koerden, de Tamils en de Basken.

2.5 Secularisatie
Als laatste ontwikkeling wil ik de secularisatie noemen. Dat is de ontwikkeling waarbij het individuele of maatschappelijk leven zich onttrekt aan de invloed van kerk en geloof.
De secularisatie van de Westerse maatschappij en de Nederlandse maatschappij in het bijzonder is al sinds de 17e eeuw aan de gang, geïnspireerd door denkers als Descartes en Spinoza. De secularisatie van de maatschappij heeft onder andere geleid tot het principe van de scheiding van kerk en staat dat in Nederland in de 19e eeuw gestalte kreeg. Dit principe houdt kort samengevat in dat de kerken zich niet met staatsaangelegenheden mogen bemoeien, en de staat niet met de interne organisatie van de kerken en de inhoud van de geloofsbelijdenis. De kerken vervulden niettemin tot diep in de twintigste eeuw wel een gezaghebbende rol bij het uitdragen en overdragen van normen en waarden.
De secularisatie van het individuele leven is van recentere datum en is pas in de jaren zestig van de vorige eeuw in een stroomversnelling gekomen. In 1900 was 99% van de Nederlanders verbonden met een kerk of religie. Slechts 1% gold als buitenkerkelijk. Nu zegt 52% van de Nederlanders desgevraagd “niets” te zijn, dat wil zeggen: zich met geen enkele kerk of geloofsrichting verbonden te voelen .
De secularisatie van de maatschappij en de scheiding van kerk en staat zijn voor de meerderheid in Nederland basiswaarden van onze maatschappij; basiswaarden die niet ter discussie staan. De secularisatie van het individuele leven ziet men meestal als een van de keuzen die mensen kunnen maken bij het vormgeven van het persoonlijke leven.
Bij deze vergaande secularisatie in Nederland zijn intussen wel twee belangrijke kanttekeningen te plaatsen. Ten eerste: de kerken hebben evenals andere autoriteiten, door individualisering en democratisering, veel van hun gezag verloren. Was het vroeger zo dat velen hun normen en waarden putten uit hun geloof of juist uit het verzet tegen het geloof (onze Nederlandse literatuur bulkt van de voorbeelden daarvan), nu is dat niet meer zo. Dat heeft geleid tot een vacuüm op het gebied van het uitdragen en overbrengen van normen en waarden – traditioneel het domein van kerk en geloof. Tot nu toe is geen enkele andere instantie of autoriteit erin geslaagd om dit vacuüm op te vullen. Andere bronnen van normen en waarden, zoals bijvoorbeeld politieke partijen, kranten en kunst en literatuur hebben eveneens aan invloed ingeboet.
Ten tweede: door globalisering en andere factoren hebben we te maken met een toestroom van grote groepen migranten waarvoor het geloof vaak wèl de leidraad in het leven is. Dat roept de vraag op van de acceptatie door de hen omringende, geseculariseerde samenleving, en van hun integratie daarin. Wat het laatste betreft: het geloof is voor hen een gemakkelijke en voor de hand liggende ingang wanneer zij aansluiting zoeken in Nederland. Want waar vinden zij die in aanvang anders dan bij hun oorspronkelijke landgenoten? Die landgenoten hebben zich in Nederland vaak via hun geloof georganiseerd. Daarom zou de integratie van deze migranten in de Nederlandse samenleving paradoxaal genoeg misschien nog wel het beste via hun geloof kunnen verlopen. Dat is immers vrijwel het enige ankerpunt dat zij hebben wanneer zij de Nederlandse samenleving van de 21ste eeuw betreden.
Deze beide ontwikkelingen, zo is mijn analyse, vragen om aandacht voor de rol van de religie in onze samenleving.


3. Amsterdam als voorbeeld
Amsterdam is de stad waarin de ingrijpende sociale veranderingen van de afgelopen veertig jaar in Nederland zich het sterkst doen gevoelen. Nergens anders in Nederland is een stad zo divers en zo multicultureel als Amsterdam. Nergens is de bevolking zo geseculariseerd en nergens heeft de individualisering van de samenleving zo toegeslagen als in Amsterdam. Enige cijfers ter illustratie.
In Amsterdam woonden op 1 januari 2002 in totaal 735.000 mensen van 173 verschillende nationaliteiten; er waren ruim 87.000 mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hadden. We hadden 332.000 alleenstaanden en 142.000 gezinnen. Als we de bevolking van Amsterdam bekijken vanuit de optiek van de etnische afkomst van mensen, dan werden 387.000 mensen (52,6%) tot de zogenoemde autochtonen en 348.000 mensen (47,4%) tot de allochtonen gerekend. Van deze allochtonen worden ongeveer 71.000 mensen dat wil zeggen 10% van de totale Amsterdamse bevolking tot de zogenoemde “expats” gerekend. In 2020 zal 60% van de Amsterdamse bevolking bestaan uit mensen met een niet-Nederlandse achtergrond. We zijn in de laatste vijftien jaren in feite een immigratiestad geworden en zullen dat voorlopig blijven ook. Of we dat willen of niet.
Dan de secularisatie: uit de vorige week door de Universiteit van Amsterdam en het beeldinstituut Imagine IC uitgebrachte CD-rom “Gebedshuizen in Amsterdam” blijkt dat het percentage Amsterdammers dat “niets” is ruim 60% is. De resterende 40% zijn verdeeld over 20% christenen (katholieken en protestanten tezamen), 17% moslims en 3% “overige godsdiensten en levensbeschouwingen”.
En dan heb ik nog niets gezegd over de diversiteit aan leefstijlen binnen en tussen de verschillende culturen en religies. Kortom: diversiteit is een wezenskenmerk van het huidige Amsterdam.

Ook voor deze grote diversiteit geldt dat zij positieve en negatieve kanten heeft. Positief is het feit dat onze stedelijke economie en cultuur kennelijk aan zoveel verschillende groepen ruimte en kansen biedt om gezamenlijk de stad tot verdere ontwikkeling te brengen, en dat velen die kansen ook benutten. De enorme diversiteit vormt voor velen juist een van de grootste aantrekkingskrachten van de stad. Het geeft de stad een grote dynamiek en verhoogt de daarmee samenhangende economische en culturele potentie van Amsterdam. Het multiculturele karakter van de stad is volgens het Britse weekblad “The Economist”, zelfs een van de grote “assets” oftewel pluspunten van Amsterdam.

De negatieve kanten van diversiteit zijn in datzelfde multiculturele karakter terug te vinden: in het onbehagen over het grote aantal allochtonen dat de stad haar multiculturele karakter geeft, en het feit dat een weliswaar klein percentage prominent in de criminaliteitscijfers figureert. Het maatschappelijk debat over integratie heeft vandaag bij velen - in heel Nederland - een negatieve lading. Dat is zorgelijk, maar niet verwonderlijk. Bevrijding van, al dan niet vermeende, taboes gaat kennelijk gepaard met excessen, in dit geval met om het hardst roepen hoe erg het allemaal is met al die buitenlanders. Ik doe daar niet aan mee: de integratie van migranten in de samenleving kent problemen, zeker, maar culturele diversiteit biedt ook kansen. Mijn inzet in dit debat is veel meer: problemen benoemen, en daarvoor oplossingen zoeken, maar ook jezelf als individu en als samenleving openstellen voor de goede kanten ervan; successen vieren als die er zijn, en die zijn er, zelfs veel meer dan velen nu willen zien.

Dit neemt niet weg dat het onbehagen over de multiculturele samenleving er voorlopig is en, als het over normen en waarden gaat, een bron is voor onzekerheid en een even grote behoefte aan duidelijkheid. Het wordt gecompliceerd doordat er in onze samenleving - ook zonder buitenlanders - veel onzekerheid bestaat over normen en waarden, en een gebrek aan sociale bindingen; de redenen liggen besloten in de vijf grote ontwikkelingen die ik hier heb besproken.
Onzekerheid omdat men in onze samenleving vaak niet meer van elkaar weet op welke waarden en normen de ander zijn gedrag baseert. De bronnen van in Nederland geldende waarden en normen van weleer (de Bijbel, de klassieke oudheid, en ook verschillende ideologieën zoals communisme, socialisme en liberalisme) hebben aan invloed ingeboet en zijn zelfs bij velen in onze samenleving niet meer echt bekend Deze oude bronnen zijn hoe dan ook voor velen vervangen door wat men op de TV of in films ziet. Voor (anderen, veelal) immigranten uit moslimlanden, biedt onze samenleving weinig houvast, hetgeen ertoe kan leiden dat deze mensen teruggrijpen op tradities uit de eigen cultuur of op religieuze bronnen zoals de Koran. En die zijn weer bij de anderen in de samenleving totaal onbekend. Intellectuelen verwijzen op hun beurt graag naar de Verlichting, de Franse Revolutie en de mensenrechten als moreel fundament, maar in de praktijk komt dat eerder neer op een opsomming van vrijheden, dan op enige verantwoordelijkheid, grondplicht of gedragsregel, waar ook anderen houvast aan zouden kunnen hebben.

Het resultaat is dat mensen als vreemden tegenover elkaar staan. Je weet niet welke normen en waarden je met elkaar deelt (of niet deelt, want dat schept ook helderheid) en je weet dus ook niet wat je van de ander kunt verwachten. Je hebt alleen het vermoeden dat de ander zal handelen op basis van zijn eigen (voor jou vaak onbekende) normen en waarden.
Als vreemden tegenover elkaar hebben we het vermoeden -en dat verklaart ook meteen de bezorgdheid, ja zelfs de angst zoals criminoloog Hans Boutellier dat in de Intermediair van enige weken geleden zei -, dat als iedereen alleen maar handelt op eigen gezag of op basis van zijn eigen normen en waarden, het een enorm zooitje wordt.
Vandaar ook de roep om duidelijkheid. Duidelijkheid over de geldende regels, zowel over de inhoud van de regels als de manier waarop de regels worden toegepast. Duidelijkheid over de regels waarop men kan worden aangesproken en men een ander kan aanspreken. Duidelijkheid over de rol van de overheid.


4. De boel bij elkaar houden
Ik heb vijf belangrijke ontwikkelingen geschetst die zich de laatste 40 jaren in Nederland hebben voorgedaan. Ik heb positieve, maar ook negatieve gevolgen van deze ontwikkelingen genoemd. Ontwikkelingen die op elkaar inwerken, elkaar in hun gevolgen versterken, en die er langzamerhand ertoe hebben geleid dat mensen als vreemden tegenover elkaar staan. De immigratie is zoals we hebben gezien maar één onderdeel van het complex van factoren dat geleid heeft tot een samenleving van vreemden.

De opgave is hoe we al die vreemden, al die verschillende individuen, die wel gezamenlijk het huidige Nederland vormen, bij elkaar kunnen houden. Er met zijn allen bij horen, daar gaat het om. Dat klinkt gemakkelijk, maar is het niet. De al eerder aangehaalde criminoloog Hans Boutellier heeft in een interview in Intermediair gezegd dat hij heel lang heeft gezocht naar datgene wat moderne Nederlanders gemeenschappelijk met elkaar hebben – hij heeft het niet gevonden. De schrijver Karel van het Reve heeft de vraag: “bestaat er een Nederlands volkskarakter?” eens als volgt beantwoord. 'Ben je bij iemand op bezoek, dan zijn er maar twee dingen die je mag vragen. Je mag vragen of je eventjes van de wc gebruik mag maken, en je mag vragen om een glaasje water. Maar je mag niet opeens zeggen: nu zou ik graag een biertje willen drinken. (..) Dat is in strijd met het Nederlands volkskarakter'.
In Vrij Nederland van 23 november jl. zijn drie historici, A.Th. Van Deursen, Piet de Rooij, en Marijke Spies het erover eens: Nederland moet zichzelf, ruim vierhonderd jaar na zijn ontstaan opnieuw uitvinden. Maar waar de Nederlanders het moeten zoeken? Ook zij komen er niet helemaal uit - al zie ik in dit artikel getiteld “Blauwdruk voor Nederland” wel een belangrijk aanknopingspunt, waar ik zo op terug kom. Van mijn vriend Jan Michiel Otto, hoogleraar recht en bestuur in de ontwikkelingslanden aan deze universiteit, hoor ik dat ook ontwikkelingslanden, en al veel langer dan wij, worstelen met de vraag: hoe kan je een natie bij elkaar houden, als de bevolking heterogeen is? En hoe kunnen recht en bestuur hieraan een bijdrage leveren?
Natuurlijk kan ook ik, in het korte bestek van deze rede, geen blauwdruk geven van de toekomstige ontwikkeling van Nederland. Maar in het verlengde van wat ik vandaag heb gezegd, wil ik een paar opmerkingen maken ten behoeve van de verdere discussie.

4.1. Burgerschap

Vreemden bij elkaar houden vereist, om met Geert Mak te spreken, “een nieuw soort gemeenschappelijke lijm” die ertoe leidt dat er opnieuw een soort basisvertrouwen wordt geschapen. Dat basisvertrouwen zou gevonden kunnen worden in een nieuwe invulling van het begrip burgerschap. Burgerschap is in de kern niets anders dan vertrouwen in elkaar als burgers van dezelfde gemeenschap: dorp, stad of land. Ik citeer opnieuw Geert Mak: “vertrouwen, niet alleen in elkaars goede bedoelingen, maar ook in de kwaliteit van bestuur en rechtspraak, in de bekwaamheid en integriteit van politici, in de burgerzin van managers en ondernemers”. Voor het herstel van vertrouwen is nodig een herstel van de verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid: voor jezelf én voor het geheel, of dat nu de samenleving is of het bedrijf waarin je werkt, de school waar je kinderen op zitten, of de straat waarin je woont.
Er zijn in de samenleving tekenen dat velen op zoek zijn naar nieuwe vormen van verantwoordelijkheid en vertrouwen, oftewel burgerschap. In het bedrijfsleven zie je een streven naar verantwoord ondernemen. In grote bedrijven als Philips en Dell Computers zijn er gedragscodes opgesteld waarin de werknemers worden opgeroepen om verantwoordelijkheid te dragen voor hun handelen in het bedrijf jegens elkaar en jegens de consument. Ook de strijd tegen de globalisering heeft een aspect van burgerschap: men wil zelf verantwoordelijkheid dragen voor de eigen gemeenschap, en niet alles overlaten aan grote multinationals. Er zijn heel veel mensen die zich maatschappelijk betrokken voelen en die dat uiten door hun lidmaatschap van Greenpeace, Amnesty International of Artsen zonder Grenzen. Je ziet mensen verantwoordelijkheid nemen door zitting te nemen in straat– en buurtcomite’s. Of je ziet groepen Marokkaanse vaders, en Antilliaanse vaders, die zich organiseren om een bijdrage te leveren aan de oplossing van de criminaliteit onder respectievelijk Marokkaanse en Antilliaanse jongeren. Je hebt ontelbare moeders, dwars door alle bevolkingsgroepen heen, die om de beurt elkaars kinderen na schooltijd opvangen en ervoor zorgen dat de kinderen in een rustige en veilige omgeving eten krijgen en hun huiswerk kunnen. En zo zijn er talrijke andere voorbeelden waarin mensen verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en voor het geheel waar ze voor staan; daarmee opnieuw vertrouwen scheppend.

Er zijn dus heel veel voorbeelden van burgerschap in onze samenleving; we moeten niet doen alsof dat niet zo is. Maar kennelijk ervaren we de bestaande voorbeelden als te weinig en onvoldoende.
In onze diverse samenleving luidt de opgave (voor overheid, bedrijfsleven en individu) om ontwikkelingen die leiden tot maatschappelijke verantwoordelijkheid, onderling vertrouwen, sociale binding, solidariteit en waardering voor het andere, uitdrukkelijk te verstevigen.

4.1.1. Respect

Burgerschap in de huidige Nederlandse samenleving veronderstelt een aantal elementen. In de eerste plaats respect. Dat staat bij velen hoog genoteerd. Het is een teken van erbij horen – we hebben gezien hoe belangrijk het is.
Enige tijd geleden schreef een leraar Nederlands op een vmbo-school in Amsterdam Noord mij een brief – vol van zorgen die samenhangen met het onderwerp van vandaag. Ik heb hem vervolgens uitgenodigd voor een gesprek. De heer Van Loon, zo is zijn naam, is leraar op een typische Amsterdamse school, dat wil zeggen een school die zich kenmerkt door de grote diversiteit in culturele achtergrond van de leerlingen. Hij vertelde mij dat zijn leerlingen thuis vaak geen Nederlands spreken, niets weten van de Nederlandse geschiedenis of cultuur en vaak geen benul hebben van de normen en waarden van onze samenleving. Dat wil niet zeggen, dat deze leerlingen zich afkeren van de Nederlandse samenleving. Integendeel, zijn leerlingen willen, zoals zovelen, er graag bijhoren in Nederland – ze weten alleen niet hoe. En dus misdragen ze zich; in de klas is met hen geen land te bezeilen. Zodanig dat Van Loon – hij kan dat – dat gedrag bij zijn leerlingen aanhangig maakte: hoe maken we er samen wat van? Zodanig dat jullie wat van school opsteken en ik er ook een goed gevoel aan overhoud? De heer Van Loon vertelde mij dat zijn leerlingen worden verteerd door één verlangen: respect. Respect voor wie ze zijn, voor waar ze vandaan komen. En ook respect voor wie ze kunnen zijn: nieuwe Nederlanders. Zij willen respect krijgen van de Nederlanders en van de Nederlandse samenleving – wat ze op dit moment eigenlijk nooit krijgen. Zouden ze het wel krijgen, Van Loon is ervan overtuigd dat niet alleen hun gedrag aanzienlijk zou verbeteren, maar bovendien dat hun integratie in de Nederlandse samenleving veel beter zou verlopen.
Maar het omgekeerde geldt natuurlijk ook: als deze jongeren meer respect zouden tonen voor de cultuur en leefgewoonten van de Nederlanders, dan zouden ze van hen ook meer respect terug krijgen.
Respect is uiteindelijk wederzijds: het is geven en nemen.

Als we het hebben over het ontwikkelen van de bij burgerschap horende kwaliteiten vertrouwen en verantwoordelijkheid, dan zullen we met zijn allen moeten leren, niet zozeer hoe we van anderen respect krijgen (dat hebben we immers meestal niet in de hand) maar meer hoe we anderen respect geven.
Daartoe is onder meer nodig dat we opnieuw het vermogen ontwikkelen om met verschillen om te gaan. De historicus Piet de Rooij zegt in het al eerder aangehaalde artikel “Blauwdruk voor Nederland” in Vrij Nederland hierover: “Het cruciale punt is dat we in de jaren zeventig de ervaring zijn kwijtgeraakt om met grote verschillen om te gaan”. Hij wijt dat aan het ontstaan van een zeer egalitaire samenleving, waar gelijkheid het toverwoord is en hij zegt: “Het vermogen om met andersdenkenden als moslims te leven, heeft Nederland toen verloren”.
Dat vermogen krijgen we niet één-twee-drie terug, dat is duidelijk; wat niet wil zeggen dat we niet daaraan moeten werken. Het veronderstelt een hernieuwde bezinning op en het in de praktijk brengen van, ik zou bijna willen zeggen oeroude Nederlandse, waarden als verdraagzaamheid, in gesprek blijven en de dialoog zoeken. Het gaat er niet om dat we geen waardeoordeel, ja zelfs een negatief oordeel, meer zouden mogen hebben over de opvattingen en gedragingen van anderen. Natuurlijk mag dat wel. Als je respect als uitgangspunt neemt, heb je juist meer ruimte om kritisch te zijn en op de inhoud in debat met elkaar te gaan. Respect impliceert echter ook dat het mogelijk en wenselijk kan zijn om een negatieve reactie op meningen en gedragingen van anderen te onderdrukken, als daarmee een hoger doel gediend is. Dat is in oorsprong de betekenis van tolerantie: niet dat we ons waardeoordeel opschorten, wel dat we onze negatieve reactie onderdrukken als dat nodig is . Dat hoger doel zou bijvoorbeeld eruit kunnen bestaan dat wij liever de boel bij elkaar houden en de diversiteit van alle Nederlanders respecteren, dan dat wij de boel uit elkaar laten knallen door elkaar te gaan verketteren.

4.1.2. Reactie van de overheid versterkt

Dan is er een tweede concretisering van het begrip burgerschap: het vermogen om een antwoord te vinden op de uitdagingen van de vijf ingrijpende ontwikkelingen die ik hier heb geschetst. Bij de bespreking van de negatieve gevolgen van die vijf ontwikkelingen heb ik per ontwikkeling proberen aan te geven tot welke maatschappelijke vraagstellingen die aanleiding geven.
Ik vat dat nog eens samen:

  1. individualisering met daaraan gekoppeld het wegvallen van sociale controle, leidt tot de roep om sociale samenhang, en meer overheidstoezicht en handhaving
  2. Democratisering leidt tot de roep om een nieuwe consensus over de voor ons allen geldende stelsel van normen en waarden.
  3. Privatisering leidt tot de roep te worden gehoord, of men nu optreedt als klant in relatie tot een bedrijf of als burger in relatie tot de overheid. 
  4. Globalisering leidt tot een herwaardering van het culturele eigene.
  5. Secularisatie tot een herijking van de rol van religie.
In deze maatschappelijke vraagstellingen die alle met burgerschap te maken hebben zitten aanknopingspunten voor een nieuwe agenda voor de overheid – maar ik herhaal: niet alleen voor de overheid.

Meer toezicht, meer handhaven
Het wegvallen van de sociale controle door vergaande individualisering en democratisering roept een reactie op. Vrijwel iedereen in Nederland is nu voor meer toezicht, strenger handhaven en niet meer gedogen. Regels zijn er om te handhaven en wie ze overtreedt krijgt straf, dat is zo ongeveer wat men wil.
De rampen in Enschede en Volendam en de fraudes in de bouwsector die recent tot een Parlementaire Enquête hebben geleid, hebben het belang van toezicht en handhaving indringend op de nationale politieke agenda gebracht. Op het niveau van het dagelijks leven is de behoefte aan toezicht en handhaving het sterkst wanneer het om asociaal gedrag in de publieke ruimte gaat: overlast door rondhangende jongeren, het agressieve gedrag na sluitingstijd op het Rembrandtplein en Leidseplein, het gedrag van voetbalhooligans, drugsverslaafden die schreeuwen, fietsers die op het trottoir rijden, jongeren die zich ernstig misdragen in de bioscoop- iedereen heeft er schoon genoeg van.
Maar ook de vele privatiseringen leidden tot een vraag om meer toezicht op eenmaal geprivatiseerde overheidsinstellingen.

Meer toezicht impliceert dat er autoriteiten zijn (in het publieke en private domein) waarop burgers, maar ook klanten of consumenten een beroep kunnen doen als er wat mis is en dat die autoriteiten vervolgens kunnen ingrijpen. Bij meer toezicht kan het dus gaan om meer toezichthouders op pleinen en straten, op school en in het openbaar vervoer; meer blauw op straat, maar ook om toezicht met behulp van elektronische hulpmiddelen zoals cameratoezicht of elektronische bewaking, en ook om het vaker instellen van toezichthoudende autoriteiten zoals de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) en de OPTA.

Van een heel andere orde is de roep om strenger handhaven en het gedogen voorbij. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Dat vergt in de eerste plaats een andere opstelling en instelling van de overheid. Nodig is ook dat handhaving van wetten en regels politieke prioriteit geniet en dat de overheid hiertoe in financieel en personeel opzicht wordt toegerust. Laten we elkaar niet voor de gek houden: meer handhaven en minder gedogen vergt in Nederland –door de vandaag geschetste gevolgen van individualisering en democratisering - een enorme inhaalslag. Maar niet alleen de overheid moet een inhaalslag maken en zich anders opstellen tegenover wetten en regels. Als het einde aan het gedogen ons ernst is, dan moet ook de Nederlandse burger, dan moeten ook U en ik, een omslag maken in ons denken en in ons doen en laten – ik kom hier aan het eind van mijn betoog op terug.

Normen en waarden
Dit brengt mij bij de roep om een herstel van normen en waarden.
Allerlei zaken die ik vandaag heb besproken: het onbehagen over de multiculturele samenleving, de onzekerheid over de al dan niet gedeelde normen en waarden, en de daaraan gekoppelde roep om duidelijkheid zijn niet zozeer tekenen van een verval van normen en waarden, maar eerder tekenen dat de bestaande regels die er in onze samenleving toch echt wel zijn, diffuus zijn en vaak niet worden nagekomen: noch door de burgers, noch door de instellingen die ze moeten uitvoeren, noch door de overheid en andere instellingen die de regels moet handhaven. Hoe zouden we nu kunnen werken aan een beter besef en een betere naleving van onze waarden en normen? Op wie zouden wij ons moeten richten? Ik denk op twee groepen. Ten eerste, zij die de regels niet kennen, ten tweede zij die ze wel kennen maar niet wensen na te leven.
Over beide groepen valt iets te zeggen.

Eerst de groep die zich niet aan de regels c.q. de spelregels houdt omdat zij de regels niet kent. In deze groep zitten niet alleen allochtonen, zoals vaak wordt gedacht, maar ook veel autochtone Nederlanders. De regels die niet bekend zijn kunnen van allerlei aard zijn. Ze roepen vragen op als: waarom mag ik geen petje dragen op school? Waarom is men in Nederland tolerant jegens vreemdelingen? Hoe moet ik me gedragen op straat, in het verkeer, in het publieke domein, in bioscopen, restaurants? Waarom zijn de straffen in Nederland zo laag? Wat is een parlement? Wat moet ik als ouder doen als mijn kind uit de klas is gestuurd?
Tegen dit soort onwetendheid moeten we opkomen door te investeren in het onderwijs en daarbij meer dan in het recente verleden de nadruk te leggen op onderwerpen als Nederlandse taal, vaderlandse geschiedenis, staatsinrichting en maatschappijleer. Dit kan ook een bijdrage leveren aan de bij velen geconstateerde behoefte van herwaardering van het eigene.
In de tweede plaats zullen we - niet alleen in het onderwijs - moeten investeren in het ontwikkelen van burgerschap, waarin de vraag centraal staat: “hoe ben ik een volwaardige burger van Nederland”. Daar kunnen dan kwesties aan de orde komen die ik vanmiddag ook heb geschetst: respect, omgaan met verschillen, verantwoordelijkheid dragen voor jezelf en voor anderen. En ten derde zullen we van geval tot geval de regels opnieuw moeten expliciteren en breed bekend moeten maken wat er gebeurt als de regels worden overtreden. Van geval tot geval: van een protocol voor zwembaden dat onlangs in Amsterdam tot stand is gekomen en dat het gedrag op en rond zwembaden regelt en sanctioneert tot de “Tien geboden” die in Gouda voor het gedrag in de publieke ruimte zijn opgesteld. Je zou dit soort regels voor het gedrag dat wenselijk is voor het publieke domein op allerlei terreinen kunnen vaststellen: op scholen, universiteiten, studentenhuizen, in bioscopen, of op het sportveld.

Dan is er de veel grotere groep mensen, dwars door alle bevolkingsgroepen heen, die de spelregels wel kent, maar er, als het hen uitkomt, niet naar handelt. En dat weet men donders goed van elkaar.
De belangrijkste spelregel die niet meer wordt nagekomen is die van de “gehoorzaamheid aan de regels” of “het je houden aan afspraken”. Of dit nou gaat om wetten, gedragsregels op school, op het werk of op straat, je houden aan gemaakte afspraken is op heel veel plaatsen in Nederland een probleem.
De echte vraag van het normen- en waardendebat in Nederland is dan ook veel meer: hoe zorgen we ervoor dat het merendeel van de mensen zich houdt aan eenmaal vastgestelde afspraken en regels, zodat de overheid of een andere autoriteit alleen hoeft op te treden tegen degenen die willens en wetens de regels overtreden?
De vraag van de spelregels is dus een van morele aard. En als we het over gehoorzaamheid hebben dan hebben we het ook over de vraag naar de autoriteit aan wie gehoorzaamd dient te worden.
En dan zien wij de bui al hangen: sinds de jaren zestig hebben allerhande autoriteiten aan gezag ingeboet – ik heb daar al veel over gezegd. Binnen deze context is de praktijk van het gedogen tot bloei gekomen, die we zo langzamerhand met zijn allen niet meer willen.

Burgers ook aan slag en niet alleen de overheid

De overheid moet dan ook in staat worden gesteld om beter te kunnen handhaven en een einde aan het gedogen te maken –ook daarover heb ik vandaag iets gezegd. De overheid kan echter heel veel willen, maar is nergens als de wet massaal wordt overtreden. De overheid is nergens als wij, burgers van Nederland, massaal van mening zijn dat een kritische moderne, mondige Nederlander zich nooit beter als zodanig laat kennen dan wanneer hij of zij wetten en regels overtreedt.

Het is evident dat de praktijk van het gedogen zich niet verdraagt met de huidige roep om duidelijkheid en zeker niet met het verlangen naar een autoriteit die normen stelt en die ook handhaaft. Wie een einde wil maken aan het gedogen zal daarom ook het eigen gedrag onder de loep moeten nemen. Wie om een beslissende autoriteit vraagt, zal ook de bereidheid moeten hebben om zich naar die autoriteit te voegen. Hoe moeilijk dat is, kunnen we allemaal bij onszelf nagaan. Want ook wij zijn moderne, mondige Nederlanders. Maar: “zelf willen beslissen” en de roep om een autoriteit die beslist, gaan niet samen.
Hiermee heb ik nog niets gezegd over de aard van die autoriteit. Duidelijk is dat een terugkeer naar de patriarchale, hiërarchische structuren van weleer door de meeste Nederlanders niet wordt gewenst, en ook niet meer kan.
Maar dat hoeft ook niet. Toen werden de regels van boven opgelegd zonder dat de gewone leden van de gemeenschap erin werden gekend. Daartegen kwam men in de jaren zestig in opstand, vaak terecht.
Tegenwoordig pakken wij dit anders aan, niet alleen in Nederland maar wereldwijd. Men probeert tegenwoordig eerst in gemeenschappelijk overleg grondregels te formuleren of te herformuleren. Dankzij de moderne IT kunnen tegenwoordig talloze mensen en instellingen daarbij hun stem laten horen. Zo gaat het tegenwoordig ook in Johannesburg en Jakarta, dus waarom niet bij ons. Als die regels dan eenmaal worden vastgesteld, dan spreken we met elkaar af dat wij ze in het belang van ons allen ècht gaan handhaven. Die wens om het samen eens te zijn over de regels en de handhaving ervan, is de grondslag van elke staat en raakt tegelijkertijd de kern van het begrip burgerschap, waarin verantwoordelijkheid en vertrouwen centraal staan.
'Samen' betekent dat je elkaar bij voorbaat accepteert, ook al ben je het niet eens. Ook hier komen burgerschap, respect en tolerantie om de hoek kijken. Zoals wij de SGP accepteren in ons staatsbestel, hoewel zij geen vrouwelijke leden toelaten, zo moeten wij ook bepaalde groepen orthodoxe moslims accepteren, die bewust hun vrouwen discrimineren. Ik vertrouw erop dat de mogelijkheden tot ontplooiing die er in ons land zijn, op termijn ook voor die vrouwen nieuwe kansen bieden. En ik vertrouw er ook op dat de instituties van ons land bij een roep om bescherming van gediscrimineerde vrouwen, adequaat zullen reageren – dat wil zeggen, de nodige bescherming en morele steun zullen bieden. Tegelijk moeten wij de tegenstellingen niet aanscherpen. Nog altijd is onze samenleving redelijk vreedzaam. Maar laten wij waken tegen oplaaiende etnische conflicten en geen olie op het vuur gooien. Laten wij het debat met de noodzakelijke nuances voeren. Die nuances heb ik vandaag tot uiting proberen te brengen.


5. Conclusies
Ik heb u vanmiddag een vijftal ontwikkelingen geschetst die enerzijds veel positiefs, veel vrijheid in diverse gedaante hebben gebracht en anderzijds schaduwkanten vertonen die in hun onderlinge samenhang tot een samenleving van vreemden hebben geleid. De immigratie is zoals ik eerder heb gezegd, slechts een onderdeel van een complex aan factoren die tot de huidige vervreemding hebben geleid - de vijf geschetste ontwikkelingen, individualisering, democratisering, privatisering, globalisering, en secularisatie zijn er allemaal debet aan. De vreemde in onze samenleving is niet alleen de vreemdeling.
Ik heb vervolgens geprobeerd in kaart te brengen wat nodig is om al die vreemden, die verschillende individuen, die tezamen het huidige Nederland vormen, bij elkaar te kunnen houden, bij elkaar te laten horen. En ik heb u uiteengezet dat daarvoor nodig is een herstel van vertrouwen in elkaar en verantwoordelijkheid voor elkaar, en dat ondergebracht onder het begrip burgerschap. Vervolgens heb ik aangegeven dat burgerschap steunt op 2 pijlers: respect en het vermogen van onze samenleving (overheid en burgers tezamen) om een antwoord te vinden de desintegrerende aspecten van de vijf geschetste megatrends. Bij de eerste pijler (respect) heb ik verwezen naar het belang van ware tolerantie en het vermogen om met verschillen om kunnen gaan. Bij de tweede pijler heb ik gewezen op het belang van:

  • a. Een overheid die in staat is om toezicht uit te oefenen en op te treden tegen overtredingen van wetten en regels.
  • b. Burgers die zich aan de regels houden.
  • c. Het expliciteren van normen en waarden voor hen die de regels niet kennen.
  • d. Het samen formuleren van regels om de autoriteit van de regels te garanderen.

Dat brengt mij tot slot opnieuw bij professor Cleveringa. Toen hij op die gedenkwaardige 26 november 1940 de reeds aangehaalde woorden sprak: “het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mens, deze studentenvader, deze geleerde dien de vreemdeling welke ons thans vijandig overheerst ontheft van zijn functie”, liet hij zien dat in het bestempelen van een ander tot “vreemde” of “vreemdeling” een keuze ligt. De keuze namelijk om iemand tot vreemde te bestempelen, of om dat niet te doen. Cleveringa accepteerde het niet dat Meijers door de Duitsers tot een vreemde werd gedegradeerd. Daarmee liet hij zien dat Meijers –en daarmee ook mijn moeder- er volgens hem gewoon bij hoorde.
Die keuze om mensen erbij te laten horen kunnen wij ook maken.

Ik heb gezegd.


terug naar boven |