Enkele
liberale gedachten over de crisis van onze tijd
Dit
artikel is eerder verschenen in Trouw. De auteur besteedt meer aandacht
aan dit onderwerp in zijn boek Aristocracy, Antiquity, and History,
Transaction Publishers, New Brunswick N.J., i.h.b. in hoofdstuk 11
Inleiding
In 1989 viel de Muur en werd de eindoverwinning van het liberalisme
uitgeroepen. En even leek daarvan inderdaad sprake te zijn. Maar inmiddels
is duidelijk geworden dat, na het K.O. van het socialisme, een nieuwe,
mogelijk veel formidabeler tegenstander de ring heeft betreden om het
tegen het liberalisme op te nemen. Het gaat natuurlijk om het zogenoemde
communitarisme cq. gemeenschapsdenken en het daaraan verwante republikanisme
cq. burgerschapsdenken.
Uit het
niets heeft het communitarisme met opmerkelijke gezwindheid een grote
populariteit verworven en is in het centrum van de belangstelling komen
te staan, eerst van politieke wetenschappers en politiek filosofen aan
de universiteiten, maar op de voet gevolgd door de politici in Den Haag,
Bonn, London, Parijs, Washington en elders. Overal worden conferenties
gehouden, seminars gelegd en lezingen gegeven over het communitarisme.
Vooraanstaande communitaristische auteurs treden op als adviseur van
politici. Talrijke artikelen en boeken over het communitarisme zien
sedert enkele jaren het licht.
Voor een
groot deel is deze bliksemcarrière te danken aan het feit dat,
zowel in academia als in politicis, voorheen- socialisten op zoek waren
naar een nieuw ideologisch tehuis en in het communitarisme, dat net
als het socialisme sterk de waarde van gemeenschapszin benadrukt, een
aantrekkelijk alternatief voor het verloren geloof vonden. Het zou echter
niet juist zijn de opkomst van het communitarisme volledig hieruit te
verklaren of het communitarisme te interpreteren als de nieuwste variant
van het socialisme. Er is meer aan de hand.
Van oorsprong
komt het communitarisme uit de Verenigde Staten. Daar manifesteerde
zich, reeds in de jaren tachtig -dus voor de val van de Muur- aan diverse
universiteiten een aantal politiek filosofen met een visie, die weliswaar
op onderdelen soms behoorlijk verschilde, maar op een wezenlijk punt
eensluidend was, namelijk in de kritiek op het liberalisme als ideologie
van het individualisme en de daarmee verbonden noties van markt, ruil,
eigenbelang etc. Belangrijke namen in dit verband zijn Robert Bellah,
Amitai Etzioni, Michael Walzer, Charles Taylor, Michael Sandel en Alisdair
MacIntyre. Tegenover de liberale nadruk op het individu als antithese
van de gemeenschap stellen deze auteurs het belang van de gemeenschap,
ook en juist voor het individu. De gemeenschap is wezenlijk voor het
welzijn en de ontplooiing van het individu: dat is de kern van de communitaristische
boodschap.
De communitaristische
boodschap
De triomf van het liberalisme op alle terreinen des levens, die zich
reeds in de jaren tachtig aankondigde, leidt er volgens de communitaristen
toe dat solidariteit, broederschap, naastenliefde en gemeenschapszin
eroderen. De bereidheid zich in te zetten voor een ander en het grotere
geheel kalft af. Het vigerende liberale adagium is: ieder voor zich
en de onzichtbare hand voor ons allen. De gevolgen zijn op termijn desastreus,
aldus de communitaristen.
Ten eerste
leidt het adagium 'ieder voor zich' tot een groot verlies in levenskwaliteit,
in het bijzonder voor de zwakkeren in de samenleving: kinderen, ouderen,
werklozen, arbeidsongeschikten, gehandicapten, zieken. Niet voor niets
worden zij hulpbehoevend genoemd. Dit klemt te meer daar ieder van ons
ten minste twee maal in zijn leven hulpbehoevend is: aan het begin en
aan het eind. In feite gaat het dus om een verlies in levenskwaliteit
van iedereen.
In de tweede
plaats leidt het liberale adagium tot roofbouw op natuur en milieu,
waarbij de kosten grotendeels voor rekening zijn van nog een andere
categorie zwakken: het generaties die na ons komen en die volledig afhankelijk
zijn van onze bereidheid moeder aarde betrekkelijk ongeschonden te laten.
'Ieder voor zich' impliceert echter het tegendeel: 'na ons de zondvloed'.
Ten slotte
leidt het liberale adagium volgens de communitaristen op den duur onvermijdelijk
tot steeds grotere maatschappelijke anarchie, die uiteindelijk ofwel
zal uitkristalliseren in een neo-feodaal patronage systeem, ofwel zal
omslaan in een tirannie, als de orde met harde hand moet worden hersteld.
Dit kan alleen worden voorkomen als men in den brede bereid is zijn
sociale en politieke verantwoordelijkheid te nemen.
Twee voorbeelden
ter verduidelijking. Ten eerste: als men zich niet meer bekommert om
zijn buren en bijvoorbeeld een oogje in het zeil houdt als ze met vakantie
zijn, neemt onvermijdelijk het aantal inbraken toe. In het algemeen
geldt: de toename van asociaal gedrag en criminaliteit is in belangrijke
mate het gevolg van het feit dat het idee is ontstaan dat men zich alleen
'met zijn eigen zaken moet bemoeien'. Echter, als asociaal gedrag en
criminaliteit een bepaalde kwantitatieve en kwalitatieve grens overschrijden,
wordt een vicieuze cirkel op gang gebracht. Is die grens gepasseerd,
dan ziet ook de tot dan toe eerbare burger zich in toenemende mate gedwongen
zijn normen en gedrag aan te passen aan de omstandigheden, om niet kopje-onder
te gaan. De anarchie die dan ontstaat zal onherroepelijk uitmonden in
clientelisme of een roep om de sterke man.
Een tweede
voorbeeld: als steeds minder mensen bereid zijn zich politiek in te
zetten, en daar lijkt het sterk op, zal de kwaliteit van het politieke
bedrijf steeds verder achteruitgaan, niet alleen omdat het in een democratie
betrekkelijk grote aantal politieke ambten door een steeds kleinere
groep mensen moet worden vervuld, maar ook omdat de politiek controle
op deze ambtsdragers met steeds minder mensen steeds minder goed zal
zijn. Ook hier geldt dat als een bepaalde grens gepasseerd is een vicieuze
cirkel op gang wordt gebracht. Zelfs de tot dan toe eerbare burger zal
zich voortaan van de politieke regelstelling zo min mogelijk meer aantrekken.
Italiaanse toestanden resulteren, inclusief padres padrone, die klaar
staan om de macht over te nemen.
Een herstel
van de solidariteit, de broederschap, de naastenliefde en de gemeenschapszin
zijn essentieel om deze ontbindings- en ontaardingsverschijnselen tegen
te gaan. Het sociale en politieke verantwoordelijkheidsgevoel dat in
deze beginselen tot uitdrukking komt zijn wezenlijk voor de goede samenleving.
Aldus de analyse van de communitaristen.
Civitas
of communitas?
De vraag is dan uiteraard hoe de solidariteit kan worden hersteld en
verdere afbreuk kan worden voorkomen. In het antwoord op deze vraag
scheiden zich de wegen van de communitaristen (gemeenschapsdenkers)
en de republikeinen (burgerschapsdenkers).
Om met
de laatsten te beginnen: de burgerschapsdenkers beschouwen vooral het
staatsburgerschap als dat 'wat mensen bindt', als basis van broederschap
en solidariteit. In deze visie gaat de meeste aandacht uit naar een
hervorming van de staat, die getransformeerd moet worden van een professionele
bureaucratische organisatie in een vereniging waarin zo veel mogelijk
de principes van de participatieve democratie gelden. Men hoopt dat
hierdoor een staat ontstaat van, voor en door de burgers, in plaats
van het 'postkantoor' dat we nu hebben, waar men alleen komt als men
iets nodig heeft. Het speekt vanzelf dat het vooral voorheen-socialisten
zijn die zich door deze visie voelen aangesproken.
Gemeenschapsdenkers
zoeken, in tegenstelling tot burgerschapsdenkers, hun heil niet primair
bij de staat en het staatsburgerschap. Voor hen ligt niet in het idee
van de civitas maar van de communitas de remedie. Zij pleiten voor een
revitalisatie van wat in de literatuur wel de derde of onafhankelijke
sector wordt genoemd. Dit is de sector die noch tot de markt kan worden
gerekend, noch tot de staat. Hij omvat alle verbanden die niet primair
met winstoogmerk werken, maar met een sociaal, cultureel, of spiritueel
doel: het gezin, buurtverenigingen, sportverenigingen, orkesten, ziekenhuizen,
scholen, politieke partijen, kerken, enz. enz. Hier krijgen integratie,
socialisatie en zorg gestalte op een wijze die door de staat niet vervangen
en door het individu niet gemist kan worden.
In het
Nederlands bestaat al sedert jaar en dag een uitdrukking voor deze derde
of onafhankelijke sector: het maatschappelijk middenveld. En dat wat
de gemeenschapsdenkers propageren, wordt hier ook al sinds jaar en dag
uitgedragen in de katholieke sociale leer en de protestantse sociaal-politieke
filosofie. De conclusie: het gemeenschapsdenken is nauw verwant aan
het traditionele christelijk-sociale gedachtengoed, dat al in de negentiende
eeuw is ontwikkeld in reactie op het oprukkende liberalisme. Geen wonder
dat de denkers in het CDA zo in het communitarisme zijn geïnteresseerd.
Hiermee
is natuurlijk nog lang niet de vraag beantwoord die hierboven werd gesteld,
namelijk hoe de solidariteit kan worden hersteld en verdere afbreuk
kan worden voorkomen. Door aan te wijzen waar het heil vandaan moet
komen, wordt nog niet bewerkstelligd dat het er ook daadwerkelijk vandaan
komt. Dit is een van de punten waarop het communitarisme -en het republikanisme-
nadere doordenking behoeft. Het is opvallend dat men, op dit punt aangekomen,
veelal zijn toevlucht neemt tot 'institutional design' -het beslechten
van wettelijke of economische drempels, fiscale aftrekposten of toeslagen
en dergelijke-, voorbeelden van wat veelal wordt gezien als typisch
liberale wijzen op problemen op te lossen, aangezien ze de mens opvatten
als een door externe prikkels gedreven nutsmaximeerder. Maar was die
liberale wijze van denken, die 'moral fiber' verwaarloost, niet juist
de oorzaak van alle ellende?
Tekortschietende
solidariteit
Er is een prealabele vraag van nog groter gewicht dan de vraag hoe de
communitaristische receptuur te verwerkelijken is. Dat is de vraag of
de receptuur wel klopt. Is het werkelijk zo dat solidariteit, broederschap,
naastenliefde en gemeenschapszin de basis vormen van een goede samenleving?
Is het werkelijk zo dat bij ontstentenis van solidariteit de ontbindings-
en ontaardingsverschijnselen resulteren, die hierboven geschetst zijn
en die we in onze samenleving in toenemende mate kunnen waarnemen? Is
het werkelijk zo dat solidariteit deze verschijnselen ten goede kan
keren? Of om het logisch zo zuiver mogelijk te formuleren: zijn solidariteit,
broederschap, naastenliefde en gemeenschapszin een noodzakelijke en
voldoende voorwaarde voor een goede samenleving? De vraag stellen is
haar beantwoorden. Noodzakelijk: ja, voldoende: nee. Laat me in het
navolgende beide antwoorden toelichten.
Wat betreft
de noodzaak: het is evident dat zonder solidariteit een goede samenleving
onmogelijk is. Iedereen is soms en sommigen zijn altijd kwetsbaar, in
die zin dat hun positie 'op de markt', hun 'human capital', onvoldoende
is om een menswaardig bestaan te kunnen afdwingen via het mechanisme
van vraag en aanbod. Zij hebben anderen eenvoudigweg niet genoeg te
bieden. Een ieder die in die positie verkeert, is aangewezen op hulp
en ondersteuning van zijn medemens 'om niet'. Of deze ook geboden worden,
hangt af van de gevoelens van solidariteit, broederschap en naastenliefde,
die de medemens heeft en de bereidheid deze gevoelens in daden om te
zetten. Ontbreken deze of bestaan ze in onvoldoende mate dan ontstaat
zonder enige twijfel een maatschappelijke onderklasse, met alle gevolgen
van dien.
Tegelijkertijd
moet er met klem op gewezen worden dat solidariteit in de huidige tijd
van veel minder grote betekenis is dan vroeger. Vóór de
industrialisatie de opkomst van de markteconomie was zelfs het blote
voortbestaan zonder solidariteit ondenkbaar, waarbij overigens wel moet
worden aangetekend dat de meeste 'goede werken' niet geheel 'om niet'
waren. Als men er al geen plaats mee in de hemel kon verwerven, dan
waren ze toch vaak onderdeel van een onzichtbaar, maar uitgebreid stelsel
van do ut des, van I.O.U.'s, van rekeningen die vroeg of laat vereffend
moesten worden. De moderne techniek en de moderne markt hebben de afhankelijkheid
van het individu van de hulp en ondersteuning door anderen niet geheel
uitgebannen, maar wel in flinke mate teruggedrongen. Mensen kunnen gemiddeld
genomen veel meer op eigen kracht dan vroeger. En deze ontwikkeling
zal zich naar verwachting in de toekomst alleen maar verder doorzetten.
Solidariteit is dus anno nu van veel minder gewicht dan in het verleden.
Nog steeds noodzakelijk, maar minder dan vroeger.
Dan de
vraag of solidariteit een voldoende voorwaarde is voor een goede samenleving.
Wie het debat aan de universiteit en in de politiek enigzins volgt,
zou gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat dit inderdaad het geval
is. Solidariteit krijgt vrijwel exclusieve aandacht en wordt daardoor
impliciet tot het alfa en omega van de sociaal-politieke moraal verheven.
Dat is ook de boodschap van het communitarisme. Zonder solidariteit
gaat het mis, als er solidariteit is, is alles in orde. Me dunkt dat
het eerste juist is -zonder solidariteit gaat het mis-, maar het ander
pertinent onjuist -als er solidariteit is, is alles in orde. Dat getuigt
van een wel heel schrale visie op de morele conditiones sine qua non
van een goede samenleving. De populariteit van het communitarisme krijgt
zo gezien een schrijnende betekenis. Zij is tekenend voor de verschraling
van het denken over moraal, dat zo kenmerkend is voor onze tijd. Om
deze verschraling te overwinnen, is het nodig te rade te gaan bij een
oudere en rijkere wijze van denken over moraal.
De deugden
Traditioneel werd geargumenteerd dat een goede samenleving alleen mogelijk
is als brede lagen van de bevolking bepaalde waarden -of ouderwets:
deugden- onderschrijven en trachten na te leven. Men onderscheidde daarbij
sociale deugden en individuele deugden.
De sociale
deugden zijn primair gericht op de betekenis van anderen voor en in
het handelen van de mens. Het gaat om de rechtvaardigheid en de gemanierdheid.
De rechtvaardigheid omvat de bereidheid ieder het zijne te gunnen en
de hulpvaardigheid. De bereidheid ieder het zijne gunnen impliceert
het zich niet toeëigenen van anderen toekomt en hen ondersteunen
wanneer derden dit morele gebod niet nakomen. Hulpvaardigheid impliceert
het helpen van anderen in nood, eventueel financieel, maar liever nog
met raad en daad. De gemanierdheid, de goede manieren, hebben niets
te maken snobisme -dat is een ontaarding-, maar zijn een uitdrukking
van respect voor de gevoelens van anderen. De gemanierde mens vermijdt
het ongepaste en onbehoorlijke, om zijn medemens niet te mishagen.
Het is
duidelijk dat, wanneer wij over solidariteit spreken, we op een vrij
onbeholpen wijze refereren aan wat traditioneel onder rechtvaardigheid
wordt verstaan. Wat de goede manieren betreft: we drijven er de spot
mee en beschouwen ze niet meer als ethische eisen, maar zijn er intussen
zeer gevoelig voor. De sociale effecten van beschaafde omgangsvormen
zijn van niet te onderschatten betekenis. Zij vormen, naast de solidariteit,
een wezenlijk element van de basis van de goede samenleving.
En de individuele
deugden? Deze komen in de standaard- analyses al helemaal niet voor.
Ze hebben op het eerste gezicht dan ook weinig of niets met solidariteit
te maken. Toch is een goede samenleving ondenkbaar zonder de individuele
deugden. In tegenstelling tot de sociale deugden zijn de individuele
deugden niet zozeer gericht op de betekenis van anderen voor en in het
handelen van de mens, maar op de betekenis van het handelen van de mens
voor zijn eigen leven: zijn succes en zijn falen, thuis, op het werk,
op school, onder kennissen en vrienden, bij collegae etc.
Traditioneel
worden twee hoofdcategorieën van individuele deugden onderscheiden:
die welke het idee van de zelfoverstijging impliceren en die welke gerelateerd
zijn aan de notie van zelfbeheersing. Tot de eerste categorie behoren
onder andere de moed, de ijver, en de inventiviteit en de doorzetting.
Tot de tweede categorie behoren onder meer de zelf-discipline, de spaarzaamheid,
de netheid, de bescheidenheid en de gematigdheid.
Het is
cruciaal te beseffen wat deze deugden naar hun aard zijn: het zijn geen
concrete doelen die men nastreeft en ook geen concrete regels die men
volgt, maar abstracte richtlijnen die het handelen voortdurend bijsturen
in een richting die op korte termijn wellicht minder gunstig is voor
het individu, maar op langere termijn veel beter. Ze helpen hem zijn
natuurlijke zwakheid te overwinnen. Dit inzicht is dezer dagen zo goed
als vergeten.
Hoewel
er, zoals gezegd, geen onmiddellijk verband is tussen de individuele
deugden en het grotere geheel van de samenleving, is er wel een indirect
verband en wel van tweeërlei aard. Ten eerste geldt dat de sociale
deugden de individuele deugden vooronderstellen. Ten tweede geldt dat,
met de toename van individuele deugden, de dringendheid van de sociale
deugden afneemt. Dit kan aan de hand van een paar voorbeelden gemakkelijk
worden verduidelijkt.
Wat betreft
de individuele deugden als vooronderstelling van de sociale deugden:
solidariteit is pas mogelijk als aan twee voorwaarden is voldaan. De
bereidheid tot solidariteit moet uiteraard bestaan, maar de goed wil
alleen is niet genoeg. Daarnaast moet uit andere bronnen geput worden.
Bijstand vooronderstelt dat de bijstandsverlener beschikt over een zeker
'kapitaal', waarmee bijstand verleend kan worden. Wanneer het gaat om
geldelijke bijstand is dat zonneklaar. Als er geen geld is, kan het
ook niet gegeven worden. Het geld groeit ons echter niet op de rug en
het komt ook niet uit de lucht vallen. Het moet verdiend worden en daarvoor
is 'spiritueel kapitaal nodig': de individuele deugden. Maar ook de
solidariteit in woord en daad, die waarschijnlijk nog belangrijker is,
vooronderstelt dat er wat te geven is. Ook hier is de bron het 'spirituele
kapitaal' van de gever: zijn individuele deugden, dat wat hij te geven
heeft.
Niet alleen
vooronderstellen de sociale deugden de individuele deugden, er is tevens
een omgekeerd evenredige relatie tussen de aanwezigheid van individuele
en de noodzaak van sociale deugden. Wie de individuele deugden in acht
neemt en tracht na te leven, zal over het algemeen minder behoeftig
zijn dan wie dat niet doet. Het spreekt vanzelf dat andere factoren,
zoals geluk en talent, ook een rol spelen, maar de invloed van de deugd
wordt tegenwoordig sterk onderschat. IJver, zelfdiscipline, spaarzaamheid,
moed etc. zijn wezenlijk in het vergaren van een 'spiritueel kapitaal',
zonder welk een goed leven onmogelijk is. Het is immers beter voor de
mens op eigen kracht voort te kunnen dan op hulp van anderen aangewezen
te zijn, het is beter te geven dan te ontvangen, ook al is de werkelijkheid
vaak anders. Zijn waardigheid is hier in het geding en dat is het hoogste
wat hij heeft. Waardigheid vereist deugdzaamheid. Maar met de deugden
wordt niemand geboren. In tegenstelling tot de ondeugden zijn de deugden
geen 'gift van de goden'. Een deugd moet men zich eigen maken en door
permanente oefening behouden. Deugden zijn goede gewoontes.
Combineren
we nu het één -de sociale deugden vooronderstellen de
individuele deugden- met het ander -er bestaat een omgekeerd evenredige
relatie tussen de aanwezigheid van individuele en de noodzaak van sociale
deugden-, dan ontstaat een opmerkelijk plaatje. Enerzijds geldt: hoe
meer de individuele deugden in de praktijk worden gebracht, des te minder
klemmend zijn de sociale deugden. Anderzijds geldt: hoe minder de individuele
deugden in de praktijk worden gebracht, des te klemmender zijn de sociale
deugden. Wat deze tweede situatie zo verontrustend maakt is dat met
de afname van de individuele deugden ook het 'kapitaal' afneemt waaruit
moet worden geput om de sociale deugden in de praktijk te brengen. De
noodzaak van solidariteit neemt steeds verder toe, maar de feitelijke
realiseerbaarheid neemt steeds meer af; een vicieuze cirkel is op gang
gebracht, die wel in rampspoed moet eindigen als hij niet gekeerd wordt.
Is dit niet precies de situatie waarin wij ook verkeren?
De crisis
van de moraal
Als bovenstaande analyse waarheid bevat is de crisis van onze tijd niet
de crisis van de solidariteit en de gemeenschapszin. Dat betekent dat
de communitaristen en republikeinen, de CDA- denkers en de voorheen-socialisten
zich allen blindstaren op wat hooguit een symptoom is van de crisis
en niet de oorzaak ervan, een deel en niet het geheel, een verschijningsvorm
en niet het wezen. De kern van de crisis van onze tijd ligt in de verschraling
van ons moreel besef, in de de-moralisatie van de mens.
Wat is
de historische oorsprong van onze demoralisatie? Het liberalisme wordt
vaak genoemd als één van de hoofdschuldigen. Dat is, zoals
het heet, een halve waarheid. De demoralisatie is vooral verbreid onder
invloed van het denken dat opkwam aan het eind van de jaren zestig en
dat nog steeds velen in zijn grip heeft. Men kan dit denken met enig
recht liberaal noemen; maar het is een specifieke variant van het liberalisme,
dat op wezenlijke punten afwijkt van het traditionele liberalisme, waarin
de notie van de individuele deugden centraal staat. Voor een beter begrip
van de crisis van onze tijd is een nadere analyse van dit denken nodig,
een analyse die in het kader van dit artikel uiteraard slechts in aanzet
gegeven kan worden.
Het jaren-zestig
denken is van romantische origine. Het heeft dus oude wortels, die teruggaan
tot de eerste helft van de negentiende eeuw. De romantische levensfilosofie
is tot aan het eind van de jaren zestig van de twintigste eeuw echter
een uiterst elitaire visie gebleven, die slechts weinigen kenden, waartoe
maar een kleine groep zich aangetrokken voelde en die door niet meer
dan enkelingen in de praktijk werd gebracht. Een zeer invloedrijk specimen
van deze filosofie treft men aan in John Stuart Mill's On Liberty, een
boek dat in 1859 verscheen en sindsdien door velen -ten onrechte- wordt
beschouwd als de summa van hét liberalisme. Sedert het eind van
de jaren zestig van onze eeuw -honderdvijfig jaar nadat ze voor het
eerst werden geformuleerd- zijn de romantische ideeën die onder
meer in dat boek worden uitgedragen tot 'cultuurgoed' van de massa geworden.
Centraal
in dit gedachtengoed staat de notie van authenticiteit, autonomie, of
individualiteit. Dit is een morele notie, die de opdracht behelst zichzelf
te zijn of te worden. Uitgangspunt daarbij is de overtuiging dat elk
mens volstrekt uniek is en dat bijgevolg wat goed is voor anderen vaak
niet goed is voor hem. In plaats van anderen te imiteren, moet hij dus
zijn eigen weg zoeken, daarbij alleen afgaand op de innerlijke stem
van zijn 'ik'. Moraliseren is in deze visie uit den boze; sociale controle,
het afdwingen van conformisme leidt tot neuroses, omdat het de mens
dwingt zich aan te passen en hem aldus verhindert zichzelf te verwerkelijken.
Het hoogste en enige morele gebod wordt zodoende het gebod niet te moraliseren.
De mens kan en mag niet oordelen over anderen. Hij kan en mag alleen
voor zichzelf spreken, zonder daarbij evenwel uit te gaan van wat anderen
als goed en slecht beschouwen. Dat kan immers voor hem geheel anders
liggen. Het enige grens die gesteld wordt, ligt daar waar het streven
naar zelfverwerkelijking het gelijke recht van anderen gaat doorkruisen.
Kritiek
van de romantiek
Dit is een interessante, maar funeste opvatting, die gebaseerd is op
een flinterdun mensbeeld, dat op twee punten vierkant onjuist is. Ten
eerste gaat zij uit van de natuurlijke goedheid van de mens, wat natuurlijk
van ongehoorde naïviteit is. Van nature is de mens een woeste barbaar,
die zonder bedenken moordt en rooft. Men leze Homerus er nog maar eens
op na. Zijn 'goedheid' is het resultaat van noeste beschavingsarbeid,
die door elke generatie, de volgende vormend, moet worden doorgegeven,
op straffe van een terugval in de primitieve wereld waaruit wij met
veel pijn en moeite tevoorschijn zijn gekomen. De weg omlaag is veel
makkelijker dan de weg omhoog. Men hoeft zich maar te laten vallen.
De tweede
fundamentele tekortkoming van het romantische gedachtengoed is het optimistische
idee dat men zijn 'ik' wel zal vinden, als men maar goed aan soul-searching
doet, al dan niet met assistentie van de therapeut. Het 'ik' bestaat
niet in kant en klare vorm, gereed om ontdekt te worden voor wie kan
kijken. En het kan ook niet met 'levensexperimenten' ontdekt worden.
Het 'ik' bestaat uit een vrijwel oneindig aantal mogelijkheden, die
men niet eens allemaal zou kunnen uitproberen, al was het maar wegens
tijdgebrek.
De generatie
van de jaren zestig, die deze ideeën heeft gepopulariseerd en voor
een deel nog steeds uitdraagt, lijkt in belangrijke mate immuun te zijn
voor de schaduwzijden van de romantische visie. Bij nader inzien is
dat overigens niet zo vreemd: deze generatie was al gevormd, toen ze
eenmaal met de nieuwe ideeën in aanraking kwam en in zich opzoog.
Veel schade kan dan niet meer worden aangericht. De romantiek is bij
velen van die generatie dan ook niet meer dan een oppervlakkige, vrijblijvende
pose. Dat geldt echter niet voor de generaties die in de jaren zeventig
en tachtig zijn opgegroeid. Deze is de romantiek met de paplepel ingegoten
en daar is de schade dan ook aanzienlijk. Lethargie en stuurloze experimenteerdrift
en -in toenemende mate- een voor ouderen onbegrijpelijke wreedheid en
ongevoeligheid strijden om voorrang. En zij die zich uiteindelijk aan
de romantiek weten te onttrekken, denken vaak dat de zin van het leven
dus wel moet bestaan uit zo veel mogelijk geld verdienen.
Conclusie
De vraag die resteert, is hoe we weer van onze demoralisatie afkomen,
voor het te laat is. De richting waarin we moeten marcheren is duidelijk:
die van de herbezinning op onze morele uitgangspunten. De romantische
minimale moraal van het niet moraliseren voldoet niet. Deze is gebaseerd
op een onjuist mensbeeld. Maar wat dan? Zonder nu onmiddellijk te willen
argumenteren dat we het ancien régime van voor de jaren zestig
in ere moeten herstellen, lijkt niettemin een hernieuwde kennismaking
met de traditie het voor de hand liggende punt van vertrek. Laat me,
tot besluit van dit artikel, kort de contouren schetsen van het traditionele
standpunt.
Van nature
is de mens een woeste barbaar en van nature blijft hij het. Beschaving
begint wanneer deze woestheid wordt ingedamd en waar mogelijk wordt
omgezet in constructieve activiteiten, de goede zorg voor zichzelf,
voor de anderen en voor de wereld. Het is de voornaamste taak van iedere
generatie de volgende generatie met dit oogmerk op te voeden. Wetten
kunnen zo'n opvoeding nooit vervangen. Een goede opvoeding maakt de
meeste wetten overbodig; een slechte opvoeding leidt tot een proliferatie
van wetten die massaal worden ontdoken. Hoe vreemd is het toch, in dit
licht bezien, dat het belang van de opvoeding in de huidige politiek
discussie wordt verengt tot het belang van de arbeidsmarkt.
De opvoeding
waarover hier gesproken wordt, is een morele opvoeding. Deze is min
of meer taboe geworden -een logisch voortvloeisel van het denken van
de jaren zestig- waardoor het begrip ervan vrijwel verdwenen is. Het
is een morele opvoeding die niet zozeer aangeeft wat wel en niet mag,
als wel hoe de dingen gedaan moeten worden. Vier deugden worden daarbij
altijd kardinaal genoemd, d.w.z. van het grootste gewicht: moed, gematigdheid,
rechtvaardigheid en piëteit. Daarachter schuilt overigens een hele
denkwereld, die hier natuurlijk niet uiteengezet kan worden. Maar zelfs
als we ons beperken tot deze vier begrippen; moeten we dan niet bekennen
dat een goed leven toch bij nader inzien vooral afhankelijk is van wijze
waarop wij, ieder voor zich en allen tesamen, erin slagen gestalte te
geven aan deze waarden?