Open links, Den Uyl lezing door Jan Pronk, Amsterdam, 2007


Twintig jaar geleden hield Soedjatmoko de eerste Den Uyl lezing  Toekomst der vrijheid, zo luidde de titel. Daarin schetste hij de grote uitdagingen waarvoor de wereld zich zag gesteld: een bevolkingsgroei die de draagkracht van het wereldwijde milieu te boven ging, toenemende armoede en ongelijkheid, en wereldwijde volksverhuizingen. Het is een wereldwijd belang, aldus Soedjatmoko, dat het Westen "de articulering van haar eigen toekomstvisie plaatst binnen het kader van een tegelijkertijd ontwikkelde visie op het voortbestaan van het menselijke ras, in veiligheid en menselijke waardigheden, en op de globale leefbaarheid van onze planeet."


Wat heeft dat met vrijheid te maken? Individuen, maar ook landen en culturen zullen op verschillende wijze reageren op de noodzaak tot aanpassing aan de globalisering. Zij die een economische voorsprong hebben genomen, of over macht beschikken, vertonen een grotere tolerantie voor sociale veranderingen dan daarmee minder bedeelden. De laatste zijn minder "in staat de grondelementen van hun wereldvisie te herinterpreteren, hun waardepatronen te herschikken, en gebruik te maken van de nieuwe mogelijkheden die naast de bedreigingen ten opzichte van die cultuur, in elke verandering ook aanwezig zijn. Dit leidt dan", aldus Soedjatmoko, "tot toenemende marginalisering en irrelevantie van individu en cultuur, en vervolgens tot anomie, irrationaliteit, vormen van fundamentalisme, vlucht in drugs en geneigdheid tot geweld (…) Hoe groter de sociale en economische verschillen (…), hoe moeilijker de aanpassing, vooral als die veranderingen alleen de rijkeren en machtigen ten goede komen. (…) Alleen "wanneer de verandering in (…) evenwicht is met het overheersende gevoel van rechtvaardigheid, (is) sociale verandering in vrijheid mogelijk".


Soedjatmoko's rede, afgestoken twee jaar voor de val van de Muur, lang voor de opkomst van grote, nieuwe en gewelddadige culturele, etnische en religieuze conflicten overal ter wereld na het einde van de Koude Oorlog en ver voor elf September 2001, had profetische betekenis. Als er geen sociale rechtvaardigheid is en als de ongelijkheid toeneemt, zowel binnen landen als in de wereld als geheel, komt de vrijheid, die toch al zo kwetsbaar is, nog meer onder druk te staan. Die conclusie bracht hem tot een pleidooi voor een heroriëntatie van waarden, "een uitbreiding van 's mensens morele horizon, en van onze persoonlijke loyaliteiten en verplichtingen, zodat ze uitgaan boven de stam, de etnische of dorpsgemeenschap en de natie, en de gehele mensheid, met inbegrip van de komende generaties, omvatten". Politieke partijen hadden tot taak de noodzakelijke waardeverschuivingen te verhelderen, zei hij. Dat hij was uitgenodigd om een dergelijke oproep te doen in het kader van de eerste Den Uyl lezing, verplicht de sociaal democratische beweging in Nederland.


Hoe dient de sociaal-democratie aan die loyaliteiten inhoud dient te geven in de huidige fase van globalisering? Dat is de kernvraag van de Den Uyl lezing van vandaag. Sedert Soedjatmoko zijn rede uitsprak is de globalisering geïntensiveerd en versneld. Hoe dienen we, in de wereld van nu, vrijheid, gelijkheid en sociale rechtvaardigheid zodanig met elkaar te verbinden dat overleven gewaarborgd is, niet alleen voor bevoorrechten, maar voor iedereen?


Ideologie, utopie, maatschappij kritiek en een waarden systeem.
De analyse die Soedjatmoko presenteerde was fundamenteel maatschappij kritisch. Zijn pleidooi voor een heroriëntatie van waarden raakte de ideologie van de sociaal-democratieZijn oproep tot sociaal-democratische partijen in Europa om een visie te ontwikkelen op het voortbestaan van deze wereld vraagt om de bereidheid utopisch te denken en ambitieuze doelstellingen te formuleren.

Daar gaat het om in de sociaal-democratie: ideologie, utopie, maatschappij kritiek en een waarden systeem. Die vier elementen zijn met elkaar verbonden. De sociaal-democratie heeft anderhalve eeuw lang de pretentie gehad een internationale beweging te zijn,gericht op de sociale, economische, culturele en politieke emancipatie van mensen die door systemen zijn onderdrukt dan wel gemarginaliseerd. In de loop der tijd kwamen tal van nieuwe problemen op: armoede, werkloosheid, bewapening, depressies, oorlog, wederopbouw, dekolonisatie, klimaatverandering, conflicten tussen culturen, fundamentalisme en terrorisme. Zij vroegen om nieuwe politieke antwoorden, programmatisch, pragmatisch, bereid tot compromissen, maar altijd op basis van een analyse van het systeem waarbinnen de problemen zich voordeden. Die analyse leidde meestal tot de conclusie dat de problemen deels door het systeem zelf waren veroorzaakt. Dat systeem was het kapitalisme: de productie middelen in particulier eigendom bij dehaves, in een samenleving met vele have nots; steeds verdere accumulatie van dat kapitaal en van het bezit ervan; machtsconcentratie en machtsongelijkheid die zichzelf versterken; dominantie van kapitaal over arbeid, technologie, economie, cultuur, sociale verhoudingen, leefomgeving, natuur en milieu. Een en ander werkte, aldus sociaal-democraten, ondemocratische besluitvormingsprocessen in de hand. Vandaar de strijd tegen het kapitalisme. Vandaar ook de keuze voor waarden als vrijheid, gelijkheid, gerechtigheid, democratie en solidariteit.

De keuze voor die waarden was ideologisch. Ideologisch, doch niet in de betekenis van een extreem radicaal gedachtegoed, waarin voor een werkelijke analyse van de verhoudingen geen ruimte was. Integendeel: het was ideologisch in de sociologische zin van het woord: een centraal systeem van waarden, normen, opvattingen en verwachtingen ter rechtvaardiging van een beweging, die zich ten doel had gesteld voor alle leden van de gemeenschap dezelfde rechten te verwezenlijken. Dat doel was ambitieus, utopisch wellicht, niet op korte termijn te verwezenlijken, maar wel middels stelselmatige, fundamentele en steeds voortgaande hervorming van het maatschappelijke systeem waarbinnen de beweging opereerde, nationaal zowel als internationaal.

Toen in 1995 Wim Kok in zijn den Uyl rede sprak over het "afschudden van de ideologische veren (…) als een bevrijdende ervaring" kon hij niet bedoeld hebben afstand te willen doen van het traditionele centrale waarden systeem van de sociaal-democratie. Hij sprak over 'oude ideologie' en citeerde den Uyl, die veertig jaar eerder geschreven had dat "afkeer van elke ideologie een verworvenheid van grote waarde is", en daaraan had toegevoegd dat een oriëntatie op de utopie weinig inzicht bood in de praktische politiek van alle dag, maar die tegelijkertijd wel had gepleit voor een "oriëntatie op de wereld van droom en verlangen". De gekozen bewoordingen, niet alleen die van Kok, maar ook die van Den Uyl, hebben tot misverstand geleid. Waar ligt bij Den Uyl de grens tussen droom en utopie? Waar bij Kok de grens tussen oude ideologie en centrale waarden?

In zijn rede zocht Kok naar een antwoord op de uitdagingen van de nieuwe tijd, na het einde van de Koude Oorlog. Hij deed dat door, op basis van enkele door hem expliciet genoemde waarden zoals solidariteit, een beleidsprogram te schetsen met nadruk op internationale samenwerking, de publieke sector en het publiek belang. Dat programma spoorde met de traditie van de sociaal-democratie, maar liet tegelijkertijd zien dat de tekenen van des tijd waren verstaan. Echter, het afschudden van ideologische veren, in een periode waarin Fukuyama's boodschap uit The End of History gemeengoed was geworden, vestigde indruk dat de sociaal-democratie geen stelling meer wilde nemen tegenover het kapitalisme en zich weinig meer gelegen liet liggen aan maatschappijkritiek.

Van ideologische franje was binnen de PvdA al lang geen sprake meer. Wat dat betreft viel er weinig meer af te schudden. Maar in de discussie die volgde op de rede van Wim Kok ontstond de indruk dat de PvdA ook aan een identiteitsbevestigend centraal waarden systeem geen behoefte meer had. Dat was ongelukkig. De schijn werd gewekt dat de PvdA zichzelf niet meer kon, dan wel wenste, te onderscheiden van andere politieke partijen. Het leidde ook tot gevoelens onder het publiek, dat het allemaal lood om oud ijzer was en dat politiek als zodanig er dus niet meer toe deed. Een en ander ging gepaard met het idee - aan de linkerzijde van het politieke spectrum - dat de PvdA het neoliberalisme had omarmd en - aan de rechterzijde - de overtuiging dat alle problemen in het land aan de politiek als zodanig moesten worden toegeschreven.

Een jaar eerder, bij de viering van het honderdjarig bestaan van de PvdA had Piet de Rooy gewaarschuwd voor een verzwakking van de sociaal democratische beweging, die niet alleen te wijten zou zijn aan de ingezette transformatie van massa partij naar kader partij, maar ook aan het teloorgaan van de gedachte dat een sociaal-democratische politiek gebaseerd is op een idee over richting en koers van de samenleving, en bovenal aan "het ontbreken van de utopie".

Maatschappijkritiek, in combinatie met de verwachting dat een revolutionaire verandering ooit onvermijdelijk vanzelf zal plaatsvinden, heeft niets met utopie te maken. Dat is een fata morgana. Het is niet eens een droom, eerder een nachtmerrie, een combinatie van anomie, irrationaliteit, fundamentalisme en geweld, waartegen Soedjatmoko waarschuwde. De utopie ontstaat wanneer men gelooft dat het mogelijk is de maatschappij te veranderen vanuit een doelbewust gekozen waarden systeem. Socialisten werden utopisten nadat zij waren afgevallen van een Marxistisch dan wel Schumpeteriaans geloof dat het kapitalisme uiteindelijk vanzelf zou bezwijken aan haar interne tegenstrijdigheden. Toen werd het van belang de strijd tegen dat kapitalisme aan te gaan. Vervolgens bekeerden zij zich tot een ander geloof: het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, althans de maakbaarheid van het maatschappelijk proces.

Dat was nooit een naïef geloof in maakbaarheid. Het ging er niet om het maatschappelijk proces vanuit een centraal punt te beheersen, maar om dat proces mee te sturen, in plaats van het maken en kneden van dat proces over te laten aan marktkrachten of aan ondemocratische duistere machten. Hoe zwaar men wilde meesturen, hoeveel mee te maken en wat - alleen de economie in engere zin, of ook daarbuiten: de politiek, de staat, de sociale instellingen, de cultuur - dat waren vragen over gradaties, niet over het beginsel. Het uitgangspunt was dat alle uitwassen van het kapitalistisch systeem op alle terreinen moeten worden bestreden, dat de bestrijding van economisch onrecht vraagt om politieke actie binnen staat en maatschappij, dat een goede werking van het democratisch proces vraagt om het inperken van economische macht, dat een aantal essentiële levensgebieden - onderwijs en zorg voor kinderen, zieken en ouderen - niet aan marktkrachten zou mogen worden overgelaten, en dat de culturele ontwikkeling, inclusief de keuze van normen en waarden, niet door de economie zou mogen worden beheerst, en zeker niet door een economie die beheerst wordt door het zichzelf accumulerend kapitaal.

De sociaal-democratische maatschappij kritiek heeft altijd berust op twee pijlers. Ten eerste: verzet tegen een economie en een technologie die mensen afhankelijk maakt in plaats van vrij en die leidt tot steeds meer armoede en ongelijkheid. Ten tweede: verzet tegen een overheersing van de cultuur en de leefomgeving van de mens door diezelfde economie, door geld en kapitaal. Dat is de kern van een linkse maatschappij opvatting.

In de meer dan anderhalve eeuw dat deze systeemkritiek is uitgeoefend is de wereld grondig veranderd, deels tengevolge van nieuwe technologische en economische doorbraken, deels als gevolg van bewust politiek handelen om het proces in goede banen te leiden. Maar er blijft altijd een keuze mogelijk tussen een systeem dat alle mensen in gelijke mate vrij maakt en een systeem dat ongelijkheid bestendigt en vergroot, mensen afhankelijk maakt en sommige mensen vrijer maakt dan andere. Het eerste noemen we links, het tweede rechts. Ook in het huidige tijdperk van globalisering en kennis economie heeft het zin dat onderscheid te maken. De accumulatie van geld, kapitaal, kennis en technologie en de verleiding om daarmee andere mensen een dictaat op te leggen zijn in de tegenwoordige wereldsamenleving niet afgenomen, integendeel. En daarom is, zoals Kalma stelt in zijn boekLinks, rechts en de vooruitgang, die tegenstelling politiek niet minder functioneel dan eertijds: "als de links-rechts tegenstelling niet bestond, zou ze moeten worden uitgevonden."

De breideling van het kapitalisme
In de opeenvolgende beginselprogramma's van de PvdA is de utopie, de duurzame verwezenlijking van beginselen als vrijheid, gelijkheid en solidariteit, altijd gekoppeld aan een andere organisatie van de economie. In de eerste beginselprogramma's werd het kapitalisme totaal afgewezen. In plaats daarvan werd gestreefd naar een socialistische samenleving, aanvankelijk door middel van klassenstrijd, later door politieke actie. In de beginselprogramma's van na de Tweede Wereldoorlog kwam de term bestrijding van het kapitalisme nog steeds voorkwam. Deze strijd zou moeten leiden tot een 'breideling' van het kapitalisme, dat wil zeggen de politieke beheersing en inperking ervan. Op democratische wijze te nemen politieke beslissingen zouden moeten resulteren in een alternatief: de gemengde economische orde, door Tinbergen in tal van geschriften geanalyseerd als een optimaal systeem, waarin de werking van het marktmechanisme aan voorwaarden werd onderworpen (geen externe effecten en geen monopolistische machtsvorming), terwijl daarnaast planning- en sturingselementen werden geïntroduceerd om conjuncturele onevenwichtigheden en structurele tekorten tegen te gaan, de groei te optimaliseren, volledige werkgelegenheid te verzekeren en een redelijke inkomensverdeling tot stand te brengen, dit alles ondersteund vanuit een sterke publieke sector. Dat waren de programmatische contouren die vanaf 1937 door de SDAP en later de PvdA op basis van haar beginselen werden ontworpen.

De beginsel programma's van 1947 en 1959 waren tamelijk optimistisch over de mogelijkheden het kapitalisme aldus in te perken. In de jaren daarna kwam een kentering in deze gedachte. Binnen de sociaal democratische beweging in Nederland werd een drietal opvattingen over het kapitalisme naast elkaar verkondigd.

De eerste werd vooral verwoord door de generatie, die na 1945 hard had gewerkt aan het economische herstel en het tot stand komen van de verzorgingsstaat en daarmee successen had geboekt. Zij achtte het kapitalisme afdoende gebreideld. Zo schreef Drees in 1979: "Het eerste dat opvalt als we op het verleden terugzien, is hoeveel groter de levenskracht en de groeikracht van het kapitalisme (…) is gebleken dan oorspronkelijk verwacht werd." Het kapitalisme moge in de jaren zeventig geplaagd zijn door crises als de opkomst van industrieën in ontwikkelingslanden, de olie crisis en de internationale arbeidsmigratie, maar, zo schreef Drees: "(tot) nog toe is het kapitalisme telkens weer de tegenslagen te boven gekomen, de diepe crisis van de jaren dertig zowel als de wereldoorlogen. Nu zijn de moeilijkheden geringer dan toen." Dit klinkt als de toonzetting van iemand die dat eigenlijk niet meer betreurt, omdat hij van mening is dat het kapitalisme van haar kwalijke kanten is ontdaan.

De tweede opvatting ging daar eigenlijk ook van uit. Het was de gedachte, vooral gekoesterd onder de naoorlogse generatie, dat de economie min of meer vervolmaakt was. Nu kon gewerkt worden aan een ontspannen samenleving, met voor de mens ongekende mogelijkheden om gelukkig te worden, ook zonder veel inspanning, arbeid of strijd. De economie kon fungeren als financieringsbron voor de leuke dingen voor de linkse mensen. Het onderwijs diende vooral om mensen in staat te stellen zich te ontplooien, niet om hen voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Economische groei en wereldvrede waren verzekerd en daarmee vrijheid, welvaart en geluk.

Haaks daarop stond een derde opvatting, ondermeer gehuldigd in de zogeheten Derde Wereld, die pleitte voor een Nieuwe Internationale Economische Orde. Dat is totaal onnodig, betoogde Kissinger, want "the present system has served the world well" Ontwikkelingslanden, nog maar net onafhankelijk geworden na een lange periode van koloniale overheersing, dachten daar geheel anders over. Zij eisten invloed in de internationale economische besluitvorming en verzetten zich tegen een internationaal economisch systeem waarin de macht steeds meer was komen te liggen bij transnationale ondernemingen die, zo stelden zij, arbeiders uitbuitten en de prijzen van olie en grondstoffen afkomstig uit ontwikkelingslanden stelselmatig laag hielden. Zodoende konden de economisch verder ontwikkelde landen, die zich in het kapitalistische koloniale proces een voorrangspositie hadden verschaft, ook na de dekolonisatie de meerwaarde afromen en hun voorsprong verder vergroten. Die visie werd aangevuld met analyses in het voetspoor van de Club van Rome: een normloos kapitalistisch systeem dreigde de voorwaarde voor voortbestaan en overleven te ondermijnen. Door de wereldwijde uitputting van fysiek schaarse grondstoffen zou er voor toekomstige generaties minder overblijven, terwijl de chemische vervuiling verbonden aan de economische groei in het welvarende Noorden werd afgewenteld op arme bevolkingsconcentraties in het Zuiden.

Het PvdA Beginselprogramma van 1977 koos voor deze derde opvatting. Het nam onverkort stelling ten gunste van een Nieuwe Internationale Economische Orde en een radicaal ander milieubeleid. Echter, het werd snel duidelijk dat de voorstanders van een andere orde internationaal geen voet aan de grond kregen. Bovendien was de analyse van de Club van Rome op steeds meer scepsis gestuit. De opstellers van het Beginselprogramma, hoe kritisch zij zich ook uitspraken over het kapitalistische systeem, toonden zich dan ook niet optimistisch over de mogelijkheid dat systeem te breidelen. Eigenlijk verschilden zij niet zo erg van opvatting met Drees, toen deze schreef dat het kapitalisme had gezegevierd. Het beginselprogramma van 1977 zei immers dat het kapitalisme weliswaar trekken vertoonde van een gemengde economie, maar deze werd geheel werd overheerst door grote oncontroleerbare multinationale ondernemingen, die zich niets gelegen lieten liggen aan andere dan de eigen belangen.

Het programma van 1977 was een langer leven beschoren dan alle daaraan voorafgaande. Maar het heeft van alle programma's het minst gefunctioneerd, omdat de partij er zich al spoedig van afkeerde. Het werd van het begin af aan sterk bekritiseerd. De jaren tachtig ademden een andere tijdgeest: nadruk op de markt, aanpassing aan de economische teruggang in plaats van deze door middel van overheidsingrijpen te keren, een politiek gebaseerd op het no-nonsense denken van managers, die efficiency beschouwden als een waarde op zich, van meer betekenis dan andere waarden, wier verwezenlijking daaraan ondergeschikt werd gemaakt.

Bart Tromp heeft geschreven dat het beginselprogramma van 1977 eigenlijk al in het midden van de jaren tachtig "ten grave was gedragen" en dat, met uitzondering van Lolle Nauta, die de beginselprogramcommissie had voorgezeten, niemand meer bereid was het te verdedigen. Lolle Nauta is ons helaas ontvallen, net als, veel te jong, Bart Tromp. Tromp heeft zich in tal van geschriften een overtuigd voorstander getoond van een beginselprogramma gebaseerd op een kritische maatschappijanalyse. De sociaal-democratische beweging had zichzelf, zo betoogde hij, altijd gedefinieerd als tegenkracht van het kapitalisme. "De opmars van het socialisme (stond) gelijk aan de breideling van dat kapitalisme, zelfs toen de gedachte aan zijn eliminatie was opgegeven", zo betoogde hij. .

Daarom betreurde Tromp het dat dit perspectief in de jaren negentig volledig leek verdwenen. "In de afgelopen twintig jaar," zo schreef hij in 2001, "(is) de geleidelijke breideling van het kapitalisme in een tegengestelde richting omgebogen. Een sociaal-democratisch programma dat deze ontwikkeling niet tot kernpunt van zijn diagnose maakt, verdient die naam niet."

Tromp heeft zich altijd tamelijk negatief uitgelaten over het beginselprogramma van 1977. Toch was dat programma zeer kritisch over het kapitalistische wereldsysteem, kritischer dan dat van 1959, zonder wishful thinking, want het toonde zich pessimistisch over de mogelijkheid dit systeem te breidelen. Meer dan Drees cs en meer dan de pleitbezorgers van de ontspannen samenleving waarschuwden Nauta cs tegen een internationaal kapitalisme dat zou uitmonden in grotere ongelijkheid in inkomen, kennis en macht en in een onrechtvaardige verdeling van de steeds schaarser wordende milieugebruiksruimte. Wat dat betreft zou, met de kennis van nu, en in het besef dat de globalisering van het kapitaal gepaard is gegaan met steeds meer ongelijkheid, met uitsluiting van grote delen van de wereldbevolking, met klimaatverslechtering en een toenemende schaarste aan vruchtbare grond, water en fossiele energie, dat beginselprogramma meer waardering hebben mogen ondervinden.

Het beginselprogramma van 2005.
Dat is niet gebeurd. Het huidige beginselprogramma, dat dateert van 2005, is heel wat minder maatschappij kritisch. De term kapitalisme komt er welgeteld twee maal in voor. Eenmaal wordt gesproken over het ongeremde kapitalisme van de negentiende eeuw, en eenmaal - in het hoofdstuk Verlangens - over een beschaafd kapitalisme dat vraagt om een gemengde economische orde waarin het marktmechanisme wordt ingeperkt en ingebed door wetten en regels.

In hoeverre weerspiegelt de gemengde economische orde een verlangen dan wel een ideaal dat verschilt van het huidige stelsel? Hoe kan dat ideaal worden verwezenlijkt en wie zal daarvan profiteren? De oudere beginselprogramma's hadden de breideling van het bestaande stelsel geproclameerd als voorwaarde om een gemengd stelsel te verwezenlijken. Maar de eerder geciteerde passage uit het beginselprogramma van 1977, dat het kapitalisme de trekken vertoonde van een gemengde economie, zou in plaats van als een vooruitgang ten opzichte van het pure kapitalisme van de vrije markteconomie ook anders kunnen worden geïnterpreteerd, namelijk dat het kapitalisme weliswaar de gedaante heeft aangenomen van een gemengde economie, maar in wezen zichzelf is gebleven. Ook Bart Tromp heeft dit kennelijk zo geïnterpreteerd, waar hij schreef dat "in het programma van 1977 de nadruk ligt op het feit dat de gemengde economie (…) van de werking van het kapitalisme doordrongen is." In die interpretatie heeft het kapitalisme zich de gemengde economie toegeëigend, aan haar functioneren dienstbaar gemaakt, opgeslokt als het ware. Het kapitalisme als wolf in schaapskleren.

Is het kapitalisme daartoe in staat? Alles hangt toch af van de politieke besluitvorming? "Politiek kan het verschil maken (…), politiek doet er toe", zo luidt een van de kernpassages uit het huidige beginselprogram. Daarmee staat dit programma in een oude traditie. Immers, ook al is er in de loop der jaren op een verschillende wijze tegen het kapitalisme aangekeken, het alternatief werd altijd in politieke termen beschreven: een andere politiek-economische orde, dan wel breideling door de staat, gebaseerd op politieke democratie en een rechtsstaat, dan wel door de mobilisering van individuele mensen en groepen "binnen en buiten de politiek, maar altijd langs democratische weg."

De democratisch politieke weg is voor de sociaal-democratie de enige weg. Echter, wanneer het kapitalisme de gemengde economische orde kan manipuleren, zou zij dat dan ook niet kunnen doen met de democratie? Wie die vraag stelt loopt het risico verweten te worden zich opnieuw te tooien met ideologische veren. Die waren toch afgeschud? De scherpe kantjes van het kapitalisme zijn er toch al lang van af geslepen? Het gaat toch steeds beter in Nederland en in de andere Westerse welvaartssamenlevingen? Er is toch vooruitgang geboekt? Is het succes van de beweging niet juist een argument geweest voor de stelling dat de sociaal-democratische beweging zich zelf heeft overleefd? Die stelling pareren vraagt toch om het sluiten van een nieuw pact met de voormalige tegenstanders in plaats van hen te bestrijden? Waarom zou men zich kwetsbaar opstellen en de kritiek over zich uitroepen dat men vastzit in het verleden, op schimmen jaagt en de huidige wereld niet begrijpt?

Vanuit dit soort overwegingen is in vele sociaal-democratische partijen een tendens ontstaan een derde weg te zoeken, ergens in het midden. Programma's ademen tegenwoordig redelijkheid. Zij zijn minder systeem kritisch, minder strijdbaar en minder ambitieus. Dat geldt ook voor het huidige beginselprogram van de PvdA. Daarin wordt het hoogste ideaal van de sociaal-democratie omschreven met de term een fatsoenlijk bestaan. Dat wordt gedefinieerd als een bestaan gebaseerd op het recht van iedereen op een dusdanig niveau van bestaanszekerheid, dat men volwaardig aan de samenleving kan deelnemen. De term komt welgeteld twaalf maal voor, meer dan enig andere centrale waarde. Ik kan het niet helpen, maar het woord fatsoenlijk klinkt mij minimalistisch en burgerlijk in de oren, net zo iets als leefbaar. Leefbaar, dat is kantje boord, meer niet. Fatsoenlijk, dat is netjes,met mate, meer niet. Fatsoenlijk, dat is een best aardige doelstelling, net zoals Europa in de campagne rond het referendum over de Unie best belangrijk werd geacht. Maar je mobiliseert er niet mee. Fatsoenlijk is prijzenswaardig, maar niet zo ambitieus. Fatsoen is het resultaat, niet van politieke of sociale strijd, maar van redelijk overleg tussen beschaafde mensen die allen in ongeveer dezelfde omstandigheden verkeren, elkaar respecteren en met rust laten. Echter, in de huidige wereldorde is er geen redelijk overleg, maar een botsing tussen beschavingen. In de wereld van nu zijn er geen gelijke omstandigheden voor allen, maar een grote voorsprong van velen en een grote achterstand voor vele anderen, en dus een zeer grote ongelijkheid. Er is geen wederzijds respect, maar angst en afkeer; geen rust, maar conflict en geweld.

Men zou kunnen tegenwerpen dat het beginselprogramma van 2005 alleen betrekking heeft op de verhoudingen binnen Nederland. Het is in ons land, mede dank zij de sociaal-democratie, inmiddels toch best aardig geregeld? Noopt dat niet tot terughoudendheid bij het formuleren van onze utopische vergezichten en tot beginselprogramma's waarin we niet meer, zoals vroeger, van die grote woorden gebruiken?

Die stelling gaat niet op, en wel om twee redenen. Ten eerste geldt door de globalisering thans nog meer dan voorheen, dat de omstandigheden in ons eigen land sterk worden bepaald door internationale factoren. Dat zou een voldoende argument moeten zijn om een sociaal-democratisch program meer dan ooit te richten op de verwezenlijking van waarden en beginselen in de wereldeconomie en op de breideling van internationaal kapitaal en andere machten, en wel in ons eigen belang.

De tweede reden waarom terughoudendheid ongepast is, ligt in de traditionele internationale ambitie van de sociaal-democratie. Het socialisme is altijd een beweging geweest met wereldwijde pretenties. De kritiek op het kapitalisme was kritiek op een systeem dat de wereld trachtte te omspannen. De solidariteit met de zwakken strekte zich uit tot alle uitgebuite en uitgesloten mensen. Voor hen is het in de huidige verhoudingen nog niet zo aardig geregeld. Terwijl de welvaart in het Westen de laatste halve eeuw aanzienlijk is toegenomen, stagneert de bestrijding van de armoede in de wereld. En sinds 1980 is bijna overal ter wereld de ongelijkheid sterk vergroot.

Volgens het Verenigde Naties Human Development Report 2005, het laatste dat specifiek aan ongelijkheid is gewijd, leeft tachtig procent van de wereldbevolking in landen waarbinnen de ongelijkheid de afgelopen twintig jaar is toegenomen. De rijkste 20% van de wereldbevolking ontvangt drie kwart van het wereld inkomen, de armste veertig procent - 2,6 miljard mensen, al diegenen die minder dan twee dollar per dag ontvangen, in het genoemde VN rapport de wereld onderklasse genoemd - een schamele 5%. Dat betekent dat de veertig procent daar tussen in, de wereld middengroepen met meer dan twee dollar per dag, twintig procent van het wereldinkomen ontvangen. Het gemiddelde inkomen van de top tien procent van de wereldbevolking bedroeg volgens de jongste gegevens meer dan 100 maal zo veel als dat van de armste tien procent. Dit verhoudingsgetal is in slechts enkele decennia verdubbeld. Het komt er op neer dat de rijkste tien a twintig procent in de wereld een uitbundige inkomensgroei doormaakt en dat het inkomen van de middengroepen - en daarmee ook hun consumptie capaciteit - gestadig groeit. De wereldwijde armoede cijfers laten ook volgens het meest recente, dit jaar uitgekomen, Human Development Report weliswaar enige verbetering zien, maar die cijfers zijn gebaseerd op een definitie van de armoede grens ver beneden het niveau van een fatsoenlijk bestaan. De allerarmste groepen, de wereldwijde onderklasse dus, raakt steeds verder achterop.

Hoe ongelijk de inkomensverdeling binnen ontwikkelingslanden is geworden moge blijken uit de schatting dat de economische groei in deze landen drie maal zo hoog zou moeten zijn als voor 1990 om eenzelfde vermindering van de armoede te bewerkstelligen. Inderdaad, in de hoogtij periode van de globalisering is de tendens naar groeiende ongelijkheid overal ter wereld versterkt.

Gelijkheid
Het huidige beginselprogramma van de PvdA biedt geen handvat om ons over die groeiende ongelijkheid op te winden. Het begrip gelijkheid komt er niet in voor. In 1977 was dat wel het geval: "Democratisch socialisten verwerpen de bestaande ongelijkheid in de wereld. Zij vinden het onaanvaardbaar dat er rijke en arme landen zijn en dat er in hetzelfde land grote verschillen in welvaart bestaan. Zij gaan er van uit dat mensen gelijkwaardig zijn aan elkaar en willen daarom streven naar gelijkheid tussen landen, tussen groepen van mensen en tussen mensen onderling. Het streven naar gelijkheid is een socialistisch beginsel"

Het gelijkheidsbegrip is niet altijd zo zonder enig voorbehoud omhelsd. Er is binnen de PvdA altijd discussie geweest over wat moest worden nagestreefd: gelijkheid dan wel gelijke kansen, gelijkwaardigheid of gelijke rechten. Voor dat soort begrippen was gekozen in eerdere beginselprogramma's. Er waren twee hoofdargumenten tegen het begrip gelijkheid. Ten eerste: mensen zijn niet gelijk, ze zijn verschillend en daarom hoogstens gelijkwaardig. Ten tweede: de vergaande doelstelling gelijkheid kan in conflict komen met die andere hoge doelstelling: vrijheid. In autoritaire, ondemocratische, communistische stelsels is de vrijheid immers opgeofferd aan het gelijkheidsideaal.

De argumenten tegen het gelijkheidsideaal verdienen serieus genomen te worden, maar zij overtuigen niet. Niet alleen de vrijheid werd opgeofferd in communistische en andere niet democratische systemen, maar ook de gelijkheid zelf. Dergelijke systemen bestaan bij de gratie van grote ongelijkheid in macht. En de beschrijving van Djilas van de Nieuwe Klasse in dit soort systemen, een klasse die het zich toe geëigende machtssurplus gebruikt om zich te verrijken en aldus de sociaal-economische ongelijkheid te vergroten, gaat op voor alle autoritaire stelsels. Het is eerder andersom: geen vrijheid zonder gelijkheid. Dat was het waar Soedjatmoko ons aan herinnerde.

Ook het argument dat mensen onderling zozeer verschillen en dat alleen daarom al gelijkheid geen beginsel kan zijn gaat niet op. Ook hier is het juist andersom: verschillen tussen mensen - qua sexe, leeftijd, ras, etnie, cultuur of anderszins - worden misbruikt om sociaal-economische ongelijkheid te bewerkstelligen. Die ongelijkheid, aldus het beginselprogramma van 1977, is het resultaat van het vrije spel van maatschappelijke krachten die zich zelf versterken door voor anderen barrières op te werpen. Het wegnemen van die barrières en van die maatschappelijk gecreëerde ongelijkheid dient er nu juist toe dat alle mensen hun onderlinge gelijkwaardigheid in de praktijk kunnen ervaren.

Nauta, de voorzitter van de commissie die het programma opstelde, heeft dit, naar Rawls verwijzend, als volgt toegelicht: "ieder persoon heeft een gelijk recht op vrijheid, voorzover dat te verenigen valt met even veel vrijheid voor de anderen. Vrijheid is wat dat betreft ondergeschikt aan gelijkheid: vrijheid voor iedereen of voor niemand"

Gelijkheid, aldus Nauta, is dus niet synoniem met identiteit, en gaat verder dan gelijkwaardigheid. Gelijkheid impliceert dat op geen enkele wijze onderscheid wordt gemaakt tussen mensen, hoe verschillend ook, bij het wegnemen van barrières die de vrije en individuele ontplooiing van de mensen in de weg staan. Wie streeft naar vrijheid, streeft naar vrijheid voor allen en dus naar gelijke rechten daarop voor allen en dus naar het beëindigen van alle situaties van ongelijkheid die dat in de weg staan.

Dit spoort met de visie van den Uyl en diens mede auteurs van het rapport De weg naar vrijheid uit 1951. Zij plaatstende scheppende ongelijkheid van de mens, opgesloten in zijn veelvormige aanleg, tegenover de remmende kunstmatige maatschappelijke ongelijkheid en concludeerden - "dwars tegen de gangbare opvatting van toen en nu in", stelde Kalma recentelijk vast - : gelijkheid is een voorwaarde voor pluriformiteit.

Dit is geen overbodig gefilosofeer. Overbodig, want niet opportuun, zou het zijn wanneer de maatschappelijke ongelijkheid ons geen zorgen zou baren. Dan zouden vrijheid en pluriformiteit kunnen gedijen. Waneer daarentegen de sociaal-economische ongelijkheid groot is dan wel groter wordt, zijn zowel de vrijheid als de pluriformiteit in het geding.

Dat is nu juist het geval. De sociale en economische ongelijkheid is de laatste vijf en twintig jaar sterk toegenomen, weliswaar in Nederland minder dan in de wereld als geheel, maar de sociaal-democratie is een internationale beweging. Alleen daarom al is het niet opportuun het gelijkheidsbeginsel te schrappen. Principiële gelijkgerechtigheid op politiek, sociaal en economisch gebied van alle leden der gemeenschap, geldt iedereen, ongeacht herkomst, woonplaats, etnische achtergrond, sexe of anderszins. Dat verplicht de sociaal-democratie in alle landen, juist ook in de meer welvarende, die zich in het huidige internationale economische systeem een voorsprong hebben verschaft. Aan het beginsel van principiële gelijkberechtigdheid is op deze wereld niet voldaan, niets meer dan enige decennia geleden. Integendeel. De globalisering is gepaard gegaan met een steeds grotere ongelijkheid.

Kalma heef er op gewezen dat de sociaal-democratische beweging in Nederland 'pro cyclisch politiek gedrag' heeft vertoond. Toen in de jaren zeventig het herverdelingsbeleid succes boekte kon men er niet genoeg van krijgen om nog meer gelijkheid te eisen. Nadat ook in eigen land de bordjes verhangen waren en de maatschappelijke ongelijkheid toenam, werd het gelijkheidsbeginsel in de ijskast gezet Het is hoog tijd daarin verandering aan te brengen, niet alleen vanwege ongewenste effecten in ons eigen land, maar vooral vanwege het schrijnende onrecht, dat zoveel mensen in de wereld de toegang wordt ontzegd tot vrijheid, welvaart en de feitelijke beleving van hun gelijkwaardigheid. Ik spreek het Kalma na: "gelijkheid: het is en blijft de core business van de sociaal-democratie"

Het tegengaan van ongelijkheid houdt meer in dan het vergroten van ontwikkelingskansen aan de onderkant aan de samenleving, hoe essentieel ook. Het vraagt ook om de beperking van de accumulatie aan de top, zelfs als de groepen aan de top niet zo omvangrijk zijn en er een brede massa is in het midden van de inkomenspiramide, waardoor steeds hogere top inkomens niet overduidelijk zichtbaar gereflecteerd worden in indicatoren van de inkomensongelijkheid. Sociaal-democraten, geïnteresseerd in meer gelijkheid, zullen ook in zo'n situatie willen streven naar de beperking van zeer hoge inkomens, in het belang van de maatschappelijke samenhang en van een spreiding van macht. Uiteindelijk gaat het immers om een eerlijker verdeling van macht. Een redelijke verdeling van inkomens en welvaart dient de spreiding van macht en het goed functioneren van de democratie. Kalma en Schuyt schrijven dat vermindering van cumulerende ongelijkheid andere waarden helpt realiseren, zoals "waardigheid en ontplooiing van de persoonlijkheid, hetgeen als het goed is, een ander woord is voor vrijheid". Inderdaad: vrijheid vergt gelijkheid.

Het lijkt enigszins verwarrend: 'geen vrijheid zonder gelijkheid', maar tegelijkertijd ook 'vrijheid ondergeschikt aan gelijkheid', omdat de mens niet wezenlijk vrij is zolang anderen in onvrijheid leven. Het een is niet met het ander in tegenspraak. Voor sociaal-democraten is grotere gelijkheid een middel, een noodzakelijk middel om vrijheid, pluriformiteit, de ontplooiing van de individuele mens - van alle individuele mensen, wie en waar dan ook - en duurzaamheid (dat wil zeggen gelijke ontplooiingskansen voor opeenvolgende generaties) tot stand te brengen. Wie is bereid zich echt solidair te verklaren met anderen - mensen ver weg; mensen dichtbij, maar met een geheel andere achtergrond; mensen die nog geboren moeten worden - als de lasten van de solidariteit ongelijk zijn verdeeld? Wie is bereid offers te brengen, als niet iedereen dat doet, in gelijke mate?

Solidariteit
Het antwoord lijkt vanzelf te spreken: echte solidariteit vraagt om grotere gelijkheid. De niet afnemende armoede in de wereld en de bedreiging van de overlevingskansen van toekomstige generaties vragen om meer solidariteit, dus om meer nadruk op het gelijkheidsbeginsel. Toch is dat beginsel naar de achtergrond verdrongen. Hoe zou dat komen? Zou het te maken kunnen hebben met de toegenomen aarzeling het vangnet van de solidariteit ver uit te werpen?

Ik vrees dat dit het geval is en dat de sociaal-democratie zich daar bij neerlegt, of, sterker nog, dit goedpraat met theoretische beschouwingen ter rechtvaardiging van een afgrenzing van de solidariteit tot mensen die behoren tot een groep die zichzelf definieert en anderen buitensluit.

In 1983 betoogde Piet Vos, in een artikel in het vierde jaarboek voor het socialisme, dat werkelijke solidariteit het eigenbelang als vertrekpunt neemt. Hij waarschuwde tegen de romantisering van de solidariteit, waarbij de behoefte aan zorg tot absoluut uitgangspunt wordt genomen, ongeacht of de middelen beschikbaar zijn. "De op principiële solidariteit gebaseerde samenleving bestaat niet en zal ook nooit bestaan. Solidariteit moet georganiseerd worden op basis van het: 'voor wat, hoort wat'", aldus destijds Vos. In die visie is de verzorgingsstaat een collectieve verzekering tegen risico's, op basis van samenwerking tussen mensen die min of meer in gelijke omstandigheden verkeren. De gemeenschap garandeert ondersteuning, zolang de burgers haar de middelen verschaffen, en toezeggen alleen wanneer het echt nodig is daarop een beroep te doen en ook zelf een bijdrage te leveren.

Over het artikel van Piet Vos is destijds heftig gediscussieerd. Aan de ene kant stonden zij, die van mening waren dat moderne markteconomie vereist dat het beslag van de publieke middelen op het nationale inkomen beperkt wordt en dat de burgers meer eigen verantwoordelijkheid nemen. Anderen vreesden dat deze rationele benadering van de solidariteit de morele plicht daartoe zou overschaduwen, de anonimiteit zou versterken en verschraling van de zorg in de hand werken. De rationele organisatie van de solidariteit maakt efficiency tot een waarde van grotere betekenis dan rechtvaardigheid. Het voldoen aan rechtmatige aanspraken op basis van behoefte zou in deze visie ondergeschikt worden gemaakt aan efficiency overwegingen. De posities in het debat werden omschreven als de organisatie van de solidariteit tegenover het cultiveren ervan.

Dat is een tamelijk suggestieve omschrijving van debatposities. Het gaat niet aan het organiseren voor te stellen als een als alternatief voor cultiveren. In beide posities wordt de solidariteit georganiseerd, in beide worden waarden gecultiveerd. Het gaat om de wijze waarop: welke waarden worden gecultiveerd en hoe wordt georganiseerd?

In zijn boek Dit land kan zoveel beter heeft Wouter Bos een analytische onderbouwing en een programmatische uitwerking gegeven van het beginselprogramma 2005. "Solidariteit", zo schrijft hij, "beklijft alleen als mensen een gemeenschappelijk belang hebben (lotsverbondenheid) en een zekere affiniteit met elkaar hebben (saamhorigheid)". Net als Piet Vos plaatst Bos dit uitgangspunt tegenover de stelling dat solidariteit een morele noodzaak zou zijn: "je moet kwetsbaren helpen omdat het goed is, ongeacht het belang dat je daarbij hebt." . Immers, zo schrijft Bos, "wie de geschiedenis van de verzorgingsstaat bekijkt, moet tot de conclusie komen dat de belangrijkste redenen voor het organiseren van de solidariteit toch gelegen waren in het welbegrepen eigenbelang". Dat kan ook niet anders, want, zo vervolgt hij, "zelfs bij solidariteit is het hemd nader dan de rok. We nemen gemakkelijker verantwoordelijkheid voor het lot van mensen die we kennen, die we begrijpen of met wie we ons anderszins verwant voelen, dan voor mensen waar we weinig mee hebben."

Inderdaad, zo zijn mensen van nature geneigd. Maar het gaat er bij de organisatie van het maatschappelijk leven toch juist om een beperkte, kortzichtige dan wel egocentrische geneigdheid van de individuele mens te overstijgen? Dat was ten diepste toch de reden waarom politici de verzorgingsstaat en de rechtsstaat in het leven riepen? Betekent dat dan niet dat we het vangnet toch veel verder moeten uitwerpen dan vele individuele personen geneigd zouden zijn, juist vanwege de moraliteit? In zijn boek wijst Wouter Bos overwegingen van moraliteit niet af, maar hij wist op de beperkingen daarvan. Immers, de verzorgingsstaat en de rechtsstaat zijn beide niet alleen gelegitimeerd door overwegingen van moraliteit, maar ook door rationele keuzes van burgers, die zich willen beschermen tegen risico's die ieder van hun kan treffen. Lotsverbondenheid lag ten grondslag aan het ontstaan van de verzorgingsstaat en de rechtsstaat, een nog sterkere lotsverbondenheid was het gevolg. Maar, zo vervolgt hij, "als de totstandkoming van solidariteit en rechtsstaat zozeer samenhangen met lotsverbondenheid en saamhorigheid, dan gaan op het moment dat de saamhorigheid en lotsverbondenheid onder druk komen te staan ook de solidariteit en de rechtsstaat wankelen. En dat is precies wat er nu in Nederland aan de hand is" Want, zo luidt zijn argumentatie, "als zich een permanente onderklasse vormt, een nieuw proletariaat waar alle maatschappelijke risico's zich concentreren, dan valt de lotsverbondenheid weg. En dan zal de solidariteit onder grote druk komen te staan". Dan ligt "de bijl aan de wortel van de lotsverbondenheid. Als de integratie van nieuwkomers faalt en deze onderklasse ook nog eens een etnisch stempel krijgt, komt de teloorgang van de saamhorigheid in zicht".

Het is een rationele en logische analyse van de beperkingen verbonden aan een moreel beroep dat mensen op elkaar plegen te doen. Het is ook een pragmatische erkenning van de beperkingen van een politieke partij die zoveel mogelijk mensen achter zich wil verenigen. Maar toch blijft de vraag: mag een sociaal-democratische politieke beweging deze logica als richtsnoer hanteren en zich beperken tot beleidskeuzes gebaseerd op een pragmatische rationaliteit? Is het niet juist de taak van de sociaal-democratie daarboven uit te stijgen en verder reikende maatstaven te hanteren?
Naar mijn mening heeft de sociaal-democratische beweging die plicht, en wel om twee redenen: haar internationale karakter en haar visie op het algemeen belang. De sociaal-democratie is ten diepste een internationale beweging, gebaseerd op internationale solidariteit, ook met mensen die we niet zo goed kennen, minder goed begrijpen, met wie we ons minder verwant voelen of waar we uit anderen hoofde weinig mee hebben. Dat zijn bijvoorbeeld mensen die ver weg wonen, of mensen in ons eigen land die niet in onze samenleving zijn geïntegreerd.

Wouter Bos heeft gelijk. Het ontstaan van een onderklasse moet worden voorkomen en tegengegaan. Maar wat te doen als er een onderklasse is? Hoe ons op te stellen tegenover personen die tot die onderklasse behoren, autochtoon dan wel allochtoon, legaal in Nederland dan wel illegaal? Er zijn er velen, vooral onder de migranten, en, of we dat nu willen of niet, er komen er steeds meer bij. De globalisering, ooit door ons zelf gestart, heeft dit als een onvermijdelijk tot gevolg. We kunnen het remmen, doch niet keren. Steeds meer mensen zien zich genoodzaakt te vetrekken uit de gebieden waar zij geboren en getogen zijn, maar die hun tengevolge van klimaatverandering, droogte en uitputting van de grond en onrechtvaardige handelspraktijken geen kans meer bieden op een fatsoenlijk bestaan. Soedjatmoko gaf het al aan: migreren is een poging tot overleven. De ogen sluiten voor de aanwezigheid van zogeheten illegalen, net doen alsof zij er niet zijn, hen niet registeren en uitsluiten van essentiële basisvoorzieningen waaronder zoals gezondheidszorg, betekent dat hun het recht op menselijke waardigheid wordt ontkend. Ook zij - en hun kinderen - hebben er recht op fatsoenlijk en beschaafd behandeld te worden, beschermd in plaats van te worden gecriminaliseerd, opgejaagd en langdurig gedetineerd.

En, volgende vraag, wat heeft de sociaal-democratie te bieden aan de ruim twee miljard mensen die behoren tot de wereldwijde onderklasse? Voelen we ons zelf alleen verantwoordelijk voor diegenen uit die onderklasse die er in geslaagd zijn Nederland te bereiken? Wat doen we met degenen die daarin niet slagen en buiten blijven? Hoe zorgen we ervoor dat degenen die uitgesloten zijn van ons nationale verzorgingsarrangement, worden binnengesloten in de wereldsamenleving?

De middenklasse
Deze vragen betreffen de houding van de middenklasse ten opzichte van de onderklasse. In zijn boek beschrijft Wouter Bos hoe het de middenklasse in ons land is vergaan: zij is groot en welvarend geworden.

Echter, "bij de middenklasse nestelt zich (…) een gevoel van onkwetsbaarheid, (…) en de verwachting dat "de pech zich vooral bij anderen voordoet. Waarom zouden zij dan nog investeren in solidariteit? Solidariteit is er immers alleen voor wie ziek, zwak of misselijk is en dat zijn zij zelf uiteraard niet. Een middenklasse die zich onkwetsbaar waant, is het begin van het einde van de solidariteit"

Die constatering is volstrekt juist. Daar kan op drie manieren op worden gereageerd. We kunnen ons bij de geschetste houding van de middenklasse neerleggen, realistisch en pragmatisch. We kunnen de solidariteit bepleiten als een bij uitstek morele categorie. En we kunnen aan de middenklasse laten zien dat het gevoel van onkwetsbaarheid vals is.

In het jongste beginselprogramma is voor de eerste benadering gekozen. "Solidariteit gedijt op een stevige ondergrond van saamhorigheid en lotsverbondenheid. De toenemende diversiteit zet dat fundament onder druk (…) Er is een omvangrijke, zij het gevarieerde middenklasse ontstaan. Deze is de voornaamste betaler van de solidariteit maar heeft niet altijd voldoende profijt daarvan."

O nee? Het profijt van de verzorgingsstaat en van de sociale, economische en politieke stabiliteit die daarmee sedert de Tweede Wereldoorlog gepaard is gegaan is toch juist een jarenlange omvangrijke welvaartsstijging, waarvan de middenklasse heeft geprofiteerd? Het gaat toch niet om een vergelijking van het dagelijkse korte termijn profijt van het ene individu ten opzichte van een ander? Het gaat toch om de structurele verbetering die tot stand is gekomen door de forse investering in de verzorgingsstaat als een georganiseerde vorm van solidariteit, niet alleen om te voorzien in situaties van pech, maar om te voorkomen dat er grote ongelijkheid zou ontstaan, waardoor de samenleving onder druk zou komen te staan? Het ging er toch ook om de spanningen en conflicten te voorkomen, die zouden kunnen voortvloeien uit grote ongelijkheid, uit gevoelens van onrecht, uit het gevoel niet als medemens te worden gezien en behandeld? Iedereen heeft daarvan toch geprofiteerd? Waarom wordt er tegenwoordig steeds maar weer gesproken over de druk die ontstaat doordat mensen het gevoel hebben te veel te betalen voor anderen en niet meer over de spanningen die onze samenleving kenmerkten doordat ongelijkheid en armoede te groot waren geworden? Mensen vergeten gemakkelijk, maar het is de taak van de sociaal-democratische beweging dat iedere keer weer over het voetlicht te brengen. Het gevoel van onkwetsbaarheid is vals.

Dat is het zeker in internationaal perspectief. De schrijnende armoede en ongelijkheid, het gebrek aan bestaansmogelijkheden en perspectief onder grote delen van de bevolking in het Zuiden kan leiden tot spanningen, gewelddadige conflicten, migratie en terrorisme. Daarover sprak Soedjatmoko in zijn rede en die is profetisch gebleken. Daarom is het ook nodig dat de sociaal-democratische beweging blijft hameren op de noodzaak van een internationaal verzorgingsstelsel. Abram de Swaan wijdde de tweede Den Uyl lezing aan een beschouwing daarover. Hij stelde dat de verzorgingsstaat tot dan toe was opgezet als een nationaal arrangement, met anti-internationale kenmerken, maar dat dit stelsel zich op de een of andere manier dient open te stellen voor degenen die nog geen toegang hebben. Verschijnselen als milieubederf en migratie, zo betoogde de Swaan, kunnen er toe leiden dat de rijke landen - waar het overgrote deel van de mondiale middenklasse woont - er een belang bij krijgen om elders in de wereld voorzieningen te treffen, die daar een minimumbestaan zouden kunnen waarborgen. Het is, zo betoogde hij, geen historische noodzaak dat een dergelijke collectivering zich ook op mondiaal niveau doorzet. "Maar de mogelijkheid bestaat", zo luidde zijn slotzin van zijn rede.

De sociaal-democratie is het aan haar beginselen verplicht die mogelijkheid waar te maken. Maar dat vraagt om een royale interpretatie van het begrip solidariteit. Elementen van onze eigen verzorgingsstaat moeten op de een of andere manier worden geïnternationaliseerd. Dat vraagt niet om uitsluiting, maar om insluiting. Twintig jaar na de lezingen van Soedjatmoko en de Swaan zijn de argumenten daarvoor alleen maar sterker geworden.
Wouter Bos schrijft in zijn boek Dit land kan zoveel beter "Elke vorm van solidariteit kan alleen maar tot stand komen en in stand blijven door anderen daarvan uit te sluiten. Insluiting en uitsluiting horen bij elkaar. Wie met iedereen solidair is, is uiteindelijk met niemand solidair".

Ik acht deze stelling in strijd met sociaal democratische beginselen. "We laten niemand los", schreef Wim Kok, en zo is het maar net. . Niemand loslaten betekent niemand uitsluiten. Het mensen buiten sluiten, omdat er onder degenen die al binnen zijn onvoldoende draagvlak voor solidariteit zou zijn, omdat zij onvoldoende profijt zouden hebben van een royale organisatie van de solidariteit, omdat zij geen gevoelens van lotsverbondenheid en saamhorigheid zouden koesteren, betekent een verloochening van de opdracht die de sociaal-democratie zichzelf heeft gegeven.

Het voordeel van een niet eens zo ambitieuze doelstelling als een 'fatsoenlijk bestaan', zoals gekozen in het huidige Beginselprogramma, is dat deze voor iedereen geldt. Immers, "in de kern gaat het bij een fatsoenlijk bestaan om de gedachte dat er een bepaalde grens is waaronder je niemand laat zakken" . Niemand, wie dan ook. We laten niemand los, waar dan ook. "Die ondergrens heeft immers te maken met menselijke waardigheid en met beschaving" Op die waardigheid hebben alle mensen recht. Die beschavingsnorm geldt allen.

Echter, Soedjatmoko, Abram de Swaan, Piet Vos, Wim Kok en Wouter Bos hebben gelijk wanneer zij stellen dat een beroep op de moraliteit niet volstaat. De middenklasse zal tot het besef moeten komen dat zij ook zelf een belang heeft bij royale solidariteit. Er moet een gevoel van lotsverbondenheid en saamhorigheid ontstaan met mensen uit de onderklasse. "Het helpt als iedereen het gevoel heeft in hetzelfde schuitje te zitten"schrijft Wouter Bos. Inderdaad, en juist in deze fase van de globalisering, die de kwetsbaarheid van mensen wijd en zijd verhoogt, gaat het er om iedereen in de wereld dat gevoel te geven. Juist de globalisering vraagt om een internationaal verzorging- en solidariteitsarrangement. Ook al zit niet iedereen in hetzelfde schuitje, allen bevaren dezelfde zee, sommigen in goede, stevige schuiten, anderen in wrakke scheepjes. Het zijn geen binnenzeeën meer: de globalisering heeft ze samengevoegd tot een en dezelfde oceaan.

Laat ik deze beeldspraak nog even doortrekken. Velen zitten niet in een stevige schuit, omdat ze niet aan boord werden toegelaten. Van vele anderen zijn de schepen lek, daar is het pompen of verzuipen. Hoe kwetsbaar zij zijn wordt gesymboliseerd door de wrakke scheepjes waarmee economische vluchtelingen, die in hun thuisland geen perspectief meer zien, trachten de zee over te steken om zich vast te klampen aan Europa. Velen halen het niet.
Van weer anderen is de schuit onklaar gemaakt door de bemanning van de meer zeewaardige schepen: zij eigenden zich brandstof, water, proviand en tuigage toe om de strijd tegen de elementen beter te kunnen doorstaan. We laten niemand los, is het devies. De praktijk is anders. We duwen mensen van ons af.

Klimaatverslechtering en haar slachtoffers
Overdreven? De gemeenschappelijke zee die wij allen bevaren is onze gemeenschappelijke planeet aarde en de atmosfeer die wij gezamenlijk delen, rijk en arm, dichtbij en ver weg. Ecologisch zijn wij volstrekt afhankelijk van elkaar geworden. Als iets ons dat duidelijk heeft gemaakt is het de klimaatverandering. Het Verenigde Naties Human Development Report van dit jaar was er geheel aan gewijd. Niemand twijfelt er meer aan dat klimaat verandering wordt veroorzaakt door het gebruik van fossiele energie, dat gepaard gaat met productie en consumptie. Wereldwijd staat duurzame ontwikkeling onder druk. Voor velen zelfs de mogelijkheid fatsoenlijk te leven. Binnenkort voor vele anderen de mogelijkheid tot overleven. Maar niet voor iedereen is de dreiging dezelfde.

Klimaat verandering leidt tot een stelselmatige achteruitgang van de ecologische basis die nodig is om een duurzaam bestaan op te bouwen: vruchtbare grond en schoon water. Steeds meer natuurrampen kunnen aan klimaatverslechtering worden toegeschreven: opwarming van de aarde, zeespiegelstijging, bovenmatig hevige regenval, overstromingen, droogte, stormen, ontbossing en erosie.

De gevolgen van klimaatverslechtering zijn omgekeerd evenredig verdeeld ten opzichte van de verantwoordelijkheden. De rijken zijn verantwoordelijk voor het merendeel van de uitstoot. De armen dragen de gevolgen. Zeven van iedere tien ton CO2 die sinds het begin van de industriële revolutie is uitgestoten komt voor rekening van de rijke landen. Per hoofd van de bevolking is het verschil in geaccumuleerde uitstoot gigantisch: 1100 ton in de rijke landen, nog geen 50 ton per gemiddelde inwoner van India en China. De ecologische voetafdruk van de armste miljard mensen op aarde is licht. Hun koolstof uitstoot bedraagt niet meer dan 3% van het totaal. Zij leven in kwetsbare rurale gebieden en in stedelijke sloppenwijken Zij staan bij uitstek bloot aan de bedreigingen ten gevolge van een proces klimaatverandering waarvoor zij zelf een verwaarloosbare verantwoordelijkheid dragen.

Tussen 2000 en 2004 werd in de Westelijke landen een op iedere vijftien honderd personen getroffen door een ramp die met klimaatverandering samenhing. In de ontwikkelingslanden was dat cijfer bijna tachtig maal zoo hoog. Van alle mensen die getroffen werden woont 98% in de ontwikkelingslanden. De verhoudingen zijn scheef. De verantwoordelijkheid van de rijke landen is het grootst. De risico's mogen min of meer gelijkelijk zijn verdeeld, maar de kwetsbaarheid van de arme landen is vele malen groter.

De rijken kunnen zich verzekeren en zich beschermen door te investeren in constructies die de veiligheid waarborgen, de armen ontberen de middelen daartoe. Hen rest niets anders dan minder consumeren, de uitgaven voor voeding en gezondheid terugbrengen, kinderen van school nemen of datgene te verkopen dat zij nodig hebben om de schok op te vangen: productiemiddelen, vee en land. Dat zijn keuzes die duurzame ontwikkeling in haar tegendeel doen verkeren, de armoede bestendigen en de ongelijkheid verder vergroten.

Het Human Development Report waarschuwt uitdrukkelijk: "Climate change will destroy the human potential on a vast scale. Rich countries may escape the immediate effects. They will not escape the consequences of the anger, resentment and transformation of human settlement patterns that will accompany dangerous climate change in poor countries" Is dit niet dezelfde waarschuwing als die van Soedjatmoko twintig jaar geleden? Klimaatverandering staat reeds jaren op de internationale politieke agenda. Eerder aangegane verplichtingen zijn niet nagekomen. Komt dat doordat we de gevolgen tot nu toe hebben kunnen afwentelen op de onderklasse in de wereld?

Globalisering: kapitalisme zonder teugels.
Armoede en ecologische verstoring zijn met elkaar verbonden. Beide verschijnselen hebben meerdere oorzaken. Een daarvan, en niet de geringste, hebben zij gemeen. Dat is de wijze waarop het economisch systeem functioneert, nationaal zowel als internationaal. Het vergroot de ongelijkheid, creëert en bestendigt armoede en stelt degenen die het goed hebben in staat een deel van de kosten van hun handelen af te wentelen op anderen, vooral op de armsten en zwaksten in de wereld. Dat is altijd het kenmerk geweest van het kapitalistisch systeem. Dat systeem werd gebreideld, maar de beteugeling heeft geen gelijke tred gehouden met de globalisering. Wereldwijd functioneert het kapitalisme weer volop. Het heeft zich van de breidels ontdaan. Het is daarvan losgekomen en lijkt zelfs losgeslagen: het is een autonome macht geworden, die zich niet meer laat aansturen.

Anders dan binnen afzonderlijke landen ontbreekt op internationaal niveau een politiek dan wel publiek tegenwicht tegen de macht van geld en kapitaal. En omdat dit het geval is zijn de destijds in het leven geroepen nationale publieke tegenwichten verzwakt. Het kapitaal is wereldwijd mobieler dan welke andere factor ook, en daarom ook nauwelijks meer beheersbaar, noch door de politiek, noch door toezichthouders op financiële markten, ook niet door internationale instellingen. Het wereldwijde kapitalisme bepaalt in belangrijke mate de gang van zaken op markten binnen afzonderlijke landen. Het beperkt de mogelijkheden van nationale regeringen, het rijgt markten aaneen en bevordert bovennationale machtsconcentraties. Het beheerst de moderne communicatie technologie en bevordert, met gebruikmaking van de kanalen van cultuuroverdracht - de traditionele en de nieuwe media, de reclame en het marktgericht onderwijs - een uniformering van waarden die het systeem bestendigt: materialisme, groei, efficiency, consumentisme, comfort, gemakzucht, amusement, gulzigheid, hebzucht, competitie en voortdurende vernieuwing en vervanging. Het praat mensen behoeften aan. Binnen het kapitalistische stelsel schept het aanbod de vraag. Op de globale markt functioneert dat mechanisme nog sterker dan op enigszins begrensde nationale markten, waar de productie en het aanbod mede geleid worden door een autonome dan wel een gesocialiseerde vraag (zoals Den Uyl voor ogen stond). Op de globale markt is het evenwicht zoek, omdat het tegenwicht ontbreekt.

Aldus leidt het kapitalisme tot consumptie drang, tot excessieve consumptie, tot een cultivering daarvan in plaats van een cultivering van de solidariteit. Het leidt tot een patroon van behoeften bevrediging met een korte termijn horizon en verduistert het zicht op duurzaamheid. Het versterkt de kansen van degenen die een voorsprong hebben ten koste van hen die het al moeilijk hebben. Het dualistische patroon van private welvaart en publieke armoede, waartegen Galbraith waarschuwde in The Affluent Society, een waarschuwing die Den Uyl als geen ander ter harte heeft genomen, heeft zich een halve eeuw later onwrikbaar genesteld op de globale markt.

De onderklasse.
Hoe valt dat te verklaren? Ik heb in eerdere beschouwingen de theorie ontwikkeld dat uitsluiting een groter probleem vormt dan uitbuiting. Degenen die worden uitgesloten ontberen de middelen om in verzet te komen. Degenen die worden uitgebuit hebben de beschikking over hun arbeidskracht en hun koopkracht als wapens in de sociale strijd. Die waren beide van belang voor de continuering van dat systeem en daarom reageerden degenen die de macht uitoefenden binnen het systeem uiteindelijk welwillend, vanuit overwegingen van verlicht eigenbelang, en dus rationeel. Dat werkt nu niet meer. Velen worden meer uitgesloten dan uitgebuit. Hun arbeidskracht wordt vervangen door technologie. Hun koopkracht is te verwaarlozen in verhouding tot de uitbundige koopkracht die op de markt kan worden uitgeoefend door de wereldwijde Zweidrittel Gemeinschaft: dat wil zeggen de rijke top twintig procent in de wereld plus een steeds groter deel van de veertig procent wereldwijde middenklasse. Ook al leven die in vele verschillende landen en vaak ver weg van elkaar, zij allen hebben gemakkelijk toegang tot een en dezelfde globale markt en zijn door de moderne technologie op die markt met elkaar verbonden. Die moderne technologie uniformeert: steeds gemakkelijker wereldwijde communicatie via internet, wereldwijde media en wereldwijde reclame en marketing, steeds lagere transport- en communicatiekosten, steeds gemakkelijker wereldwijd verplaatsbare productieprocessen, liberalisatie van de handel in goederen, diensten en kapitaal, bovennationale economische machtsconcentraties die commerciële en financiële processen gemakkelijk kunnen sturen. Op de wereldmarkten spelen afstanden, tijd en grenzen geen rol meer. Op die wereldmarkten worden de normen en waarden net zo snel gelijkgeschakeld als de ambities: steeds meer efficiency, steeds lagere kosten, steeds meer consumptie en steeds meer vervanging en vernietiging, dat alles gepresenteerd als vernieuwing, groei en welvaart. Het is vaak geen van drie, maar het globale kapitalistische stelsel heeft zo'n stevige greep gekregen op de kanalen van cultuur- en waardenoverdracht, dat de marktvraag overal kan worden gemanipuleerd.

In dat stelsel kan de wereldwijde onderklasse worden gemist. Haar leden hebben geen toegang tot die markt en zijn op die markt ook niet nodig om de koopkrachtige vraag te stimuleren en het aanbod overeind te houden. De onderklasse kan steeds langer worden afgehouden en buitengesloten. Haar leden worden door het systeem als een kostenpost beschouwd in plaats van als een potentiële aanwinst. Na de eerste fase van de industriële revolutie, toen de markten over de nationale grenzen heen nog niet zo sterk met elkaar verbonden waren en de groei vooral afhing van de ontwikkeling van de binnenlandse vraag, drong het besef door dat de verheffing van de onderklasse kon worden beargumenteerd op grond van economische rationaliteit. De binnenlandse vraag kon gestimuleerd worden door het betalen van hogere lonen, door een Keynesiaanse conjunctuurpolitiek en door de vestiging van de verzorgingsstaat. Op de globale markt vindt de stimulering van de consumptieve vraag vooralsnog vooral plaats via een wereldwijd financieel, technologisch en commercieel netwerk, waartoe diegenen toegang hebben die reeds over een redelijke mate van koopkracht beschikken. Dat netwerk functioneert zo goed, dat wereldwijde armoede bestrijding vanuit het oogpunt van vraagstimulering voorlopig achterwege kan blijven. Ooit wordt dat wel relevant, want op de wereldmarkt gelden soortgelijke wetten als op een tamelijk gesloten binnenlandse markt. De noodzaak daartoe zal zich echter veel minder snel voordoen dan op een binnenlandse markt die op grenzen stuit.

Voor het tot stand komen van een mondiaal mechanisme ter socialisering van de vraag - of een internationaal verzorgingsstelsel a la de Swaan - ontbreekt kennelijk nog steeds een economische ratio. Dat betekent dat de wereldwijde armoedebestrijding het in de komende decennia vooral zal moeten hebben van twee andere benaderingen: morele overwegingen - het solidariteitsgevoel - en een andere perceptie van het algemeen belang. Of die benaderingen ergens toe zullen leiden hangt af van de positie die wordt ingenomen door de wereldwijde middenklasse. Zal deze zich op morele gronden solidair weten met de steeds verder achterop rakende onderklasse? Zal zij haar eigen belang mede willen percipiëren in termen van vrede, stabiliteit, conflictpreventie en 'de boel wereldwijd bijeen houden'?

Wereldwijde solidariteit is zoek. De onderklasse wordt zelfs losgelaten. Desastreuze klimatologische en ecologische gevolgen van het economisch gedrag van de rijkeren, inclusief de middenklasse, worden afgewenteld op de armen. Maar er is meer aan de hand. Diegenen die proberen zich uit de onderklasse omhoog te worstelen worden door de anderen, die reeds tot het niveau van de middengroepen zijn geëmancipeerd, afgehouden en in hun strevingen belemmerd. We weten: het inkomen van de armste bevolkingsgroepen is niet toereikend om in essentiële behoeften aan voedsel, huisvesting, water, energie en gezondheidszorg te voorzien. Maar het is erger dan dat.De armsten worden verdreven van schaarse vruchtbare grond en van waterbronnen en moeten meer betalen voor schaars drinkwater dan wie ook. Waar armen geen moderne eigendom- dan wel gebruikstitels hebben worden zij van de grond waarop zij leven en werken weggewerkt, zodra de middenklasse haar oog daarop laat vallen. Zij moeten hun toevlucht zoeken op minder vruchtbare, veraf gelegen, kwetsbare, onveilige en soms vervuilde gebieden. Wanneer zij geen onderpand hebben krijgen zij geen krediet, nodig om te investeren. Kredieten en vergunningen gaan doorgaans naar bedrijven die een voorsprong hebben en zich al bewezen hebben, in plaats van naar hen die proberen uit het niets omhoog te klimmen. Arme boeren zijn niet in staat hun producten te verkopen omdat zij moeten concurreren met welvarende boeren uit het buitenland, die hun productiviteit hebben kunnen verhogen met behulp van jarenlange subsidies. Zelf zijn zij van dergelijke subsidies verstoken, omdat diezelfde rijkere landen, geholpen door internationale organisaties waarbinnen zij het voor het zeggen hebben, regelgeving hebben afgedwongen die deze subsidies verbiedt, op straffe van sancties. Diezelfde landen beschermen de voorsprong van hun deel van de wereldmiddenklasse op de armere bevolking in de armere landen door in het belang van gevestigde ondernemingen uitpakkende liberaliseringsmaatregelen, door het opwerpen van niet tarifaire handelsbelemmeringen, door corruptie fiscaal aftrekbaar te maken, door niet transparante betalingen voor de levering van schaarse en waardevolle grondstoffen, door een wetgeving terzake van intellectueel eigendom die de toegang tot de markt belemmert (juist voor niet bemiddelde nieuwkomers die trachten te emanciperen uit de onderklasse), door het in rekening brengen van schier onbetaalbare prijzen voor aids remmers en andere medicijnen (ook voor levensbedreigende armoede ziekten), door wapenleveranties aan onderdrukkende regimes, door politieke en economische steun aan bevriende regeringen (ook wanneer deze de mensenrechten van de onderklasse in hun landen schenden), door het verlenen van gebonden hulp, die discrimineert tegen productie ter plaatse, door het insisteren op schuldaflossing na een oorlog of een politieke omwenteling, ook wanneer het gaat om schulden die voortvloeien uit kredieten die alleen ten goede kwamen aan de kredietverstrekkers in de rijke landen en hun middenklasse partners in ontwikkelingslanden, waarbij de armen het nakijken hadden.

Inderdaad, het hedendaagse globale kapitalistische stelsel heeft, in de terminologie destijds van Lolle Nauta, de gedaante aangenomen van een gemengde economische orde, maar dan zodanig dat het publieke kaderstellende en regelgevende deel van die internationale gemengde orde functioneert ten gunste van het private, commerciële deel van die orde. Daarmee is tevens geïllustreerd hoe het kapitalisme niet alleen de gemengde economische orde heeft opgeslokt, maar ook, zoals ik hierboven suggereerde, greep heeft gekregen op de politieke besluitvorming, democratisch of niet.

De nieuwe Apartheid
Dat geldt zowel de internationale politieke besluitvorming als die binnen afzonderlijke landen. Kort geleden schreef Sundaram, de huidige Assistent Secretaris Generaal van de Verenigde Naties voor Economische Ontwikkeling: "(The) global economic agenda continues to be dominated by the powerful countries in the world and by the international institutions they control. Moreover, the agenda items emphasised … contribute to slowing down development and exacerbating inequality and poverty. Meanwhile, the issues considered important to developing countries rarely make it to the international development for negotiations."

Binnen afzonderlijke landen gaat het net zo. Zij die een voorsprong hebben, gebruiken het politieke proces om hun voorsprong verder te vergroten op de anderen. Die geneigdheid zit kennelijk in de menselijke natuur ingebakken. Methoden van politieke besluitvorming, die uiteindelijk altijd de verdeling van de schaarste betreft, bevatten lang niet altijd voldoende mechanismen om die geneigdheid te corrigeren. Dat geldt ook de democratie. Economisch gemarginaliseerde groepen hebben ook binnen democratische systemen hebben minder invloed. Zij geloven er niet in, worden er niet door uitgedaagd, worden gemanipuleerd door populisten, dan wel belemmerd in de uitoefening van hun rechten door ingewikkelde registratie procedures of omdat zij kennis en informatie ontberen.

Toen ik enige tijd geleden, ter voorbereiding van een essay over de inzichten van Den Uyl, veel van diens geschriften er nog eens op nalas, ontdekte ik dat hij het democratisch tekort in de maatschappij een groter gevaar achtte dan het publieke tekort in de economie. Voor mij was dat toen een verrassing. We herinneren ons Den Uyl als de man die hamerde op de socialisering van de vraag, de vurige pleitbezorger van de stevige publieke sector, de vechter voor een meer gelijke inkomensverdeling en voor goede sociale uitkeringen. Echter, terugkijkend op de jaren waarin ik het voorrecht had met hem te mogen werken, begreep ik dat mijn ontdekking geen verrassing kon zijn. Het was een herontdekking: het ging Den Uyl om de spreiding van niet alleen de inkomens, maar ook van kennis en macht, om wezenlijke democratisering, op voet van gelijkheid. Al zijn politieke keuzes hebben in dat teken gestaan. Maar tegelijkertijd maakte Den Uyl duidelijk: democratie is, net als gelijkheid, geen doel op zich. Het is een essentiële voorwaarde om iedereen recht te verschaffen, om voor iedereen vooruitgang mogelijk te maken, niemand los te laten of uit te sluiten.

Een aantal maanden geleden nam ik in Durban, Zuid Afrika, deel aan een conferentie over armoede. De deelnemers kwamen uit een groot aantal landen. De democratie heeft, na het einde van de Apartheid, niets bijgedragen tot de bestrijding van de armoede, was de klacht. Vertegenwoordigers uit het Brazilie van Lula en het India van Manmohan Sing betoogden hetzelfde: onze internationaal erkende democratieën hebben tot nu toe gefunctioneerd ter bestendiging van de status quo en zijn de belangen blijven dienen van degenen die ook voorheen de dienst uitmaakten. Dergelijke klachten zouden kunnen worden afgedaan als een ideologische stellingname van oppositionele bewegingen die nooit tevreden zijn, maar dat is te gemakkelijk. Het is immers een feit: ook in die drie landen is de ongelijkheid niet afgenomen en is er nog steeds schrijnende armoede in de townships en op het platteland van Zuid Afrika, in de favella's en het Amazone gebied in Brazilie, en in al die gebieden in India waar rond de moderne steden in India en in onder de honderden miljoenen paupers, landlozen en labouring poor in India. We zouden kunnen zeggen: het is ver weg en het zijn nog jonge democratieën. Maar is de onderklasse in het democratisch proces wel volledig aan haar trekken gekomen? En hebben we het goede voorbeeld gegeven door in het kader van de formele democratische besluitvorming in de internationale economische orde wel volledig recht te doen aan de armen?

Ieder stelsel van politieke besluitvorming heeft een ingebouwde bias ten gunste van degenen die zich in een eerder stadium een economische voorsprong hebben verschaft. De middelen waarover in de politiek moet worden beslist zijn schaars, op een andere wijze schaars dan de goederen en diensten die verhandeld worden op de markt, maar niet minder schaars. Dat geldt zowel de milieugebruiksruimte, waarover in de politiek verdelingsbeslissingen worden genomen, als de publieke middelen beschikbaar voor publieke voorzieningen. In alle landen, in Noord zowel als Zuid, stijgen de overheidsuitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, drinkwatervoorziening en habitat, maar daarvan profiteren vooral degenen die reeds behoren tot de gegoeden en de middenklasse. Zij hebben meer en beter toegang tot de kanalen waarbinnen politieke beslissingen worden genomen dan leden van de onderklasse. Vandaar dat hogere onderwijsuitgaven wel ten goede komen aan de universitaire studie van de kinderen van de middenklasse in Khartoum, maar niet aan alfabetisering of vakonderwijs aan ontheemden in de kampen, of aan basisonderwijs voor meisjes op het platteland. Vandaar dat hogere uitgaven voor gezondheidszorg ten goede komen aan klinieken en ziekenhuizen voor diezelfde middenklasse, maar in de Verenigde Staten niet aan mensen die geen geld hebben om zich te verzekeren, in West Europa niet aan illegalen, in Afrika niet aan de bestijding van armoede ziekten, in Azie niet aan basis gezondheidszorg op het platteland. Vandaar dat investeringen in drinkwatervoorziening in de metropolen van voorheen de Derde Wereld ten goede komen van de stedelijke middenklasse, maar niet van slum-bewoners. De laatstgenoemden moeten voor hun water zelfs meer betalen dan de eersten.

De onderklasse wordt geleidelijk uitgerangeerd. Kok heeft er op gewezen dat binnen onze eigen Nederlandse samenleving degenen die het best bewerktuigd zijn het beste hun weg vinden in de faciliteiten en arrangementen die in een (verzorging-)staat aan in principe iedere burger ter beschikking staan. De anderen zien zich op afstand gesteld en naar de grens van de maatschappij gemanoeuvreerd, omdat zij minder goed bewerktuigd zijn. Aldus wordt de onderklasse steeds naar de rand van de samenleving gedrongen. In Nederland een beetje, in West Europa als geheel steeds meer, en in het pure kapitalisme binnen de Verenigde Staten gebeurt het strijk en zet. Wereldwijd zijn er niet eens arrangementen. De onderklasse wordt meer dan gemarginaliseerd en zakt al gauw door de benedengrens. Maar het proces gaat nog verder: de middelen die zij zouden kunnen gebruiken om zich te handhaven, om binnen te komen en zich te emanciperen, worden hen ontnomen.

Globalisering kent winnaars en verliezers. Verliezers hebben pech, dan wel zij hadden reeds een achterstand, dan wel zij zijn niet zo nuttig en worden verwaarloosd dan wel geheel vergeten. Dat het proces van globalisering daartoe min of meer vanzelfsprekend toe leidt, is door vele auteurs betoogd. Recentelijk heeft Paul Collier in zijn The Bottom Billion nog eens overtuigend beschreven hoe degenen die tot de armste miljard behoren voor hun emancipatie niets te verwachten hebben van de internationale economische mechanismen: "So, don't count on trade to help the botom billion. (…), don't count on global capital mobility to develop the bottom billion, capital scarce as they are. It is more likely to reinforce the traps". Inderdaad, maar de traps die Collier beschrijft, de valkuilen waaraan de onderklasse tracht te ontkomen, zijn meer dan economische wetmatigheden. Zij worden opzettelijk gegraven en in stand gehouden om een deel van de bevolking daar een tijdlang in op te sluiten.

Het gaat niet alleen om verwaarlozing. De onderklasse heeft niet alleen pech. Het gaat niet om in principe gelijke risico's. Het gaat niet om lotsverbondenheid tussen mensen en groepen die allen in hetzelfde schuitje zitten. De leden van de onderklasse zijn bij uitstek kwetsbaar en lopen alleen al om die reden grotere risico's dan de anderen. Dat komt door hun achterstand en door de structurele ongelijkheid, die steeds groter wordt. En bovendien wordt hun kwetsbaarheid ook nog eens door die anderen bewust vergroot, willens en wetens, in de politieke, sociale en economische strijd om de toegang tot schaarse en steeds schaarser wordende middelen.

De voorsprong van welvarende en reeds min of meer geëmancipeerde bevolkingsgroepen vergroot zichzelf. Het systeem werkt dat in de hand. Geen wonder dat Bisschop Tutu en President M'beki het functioneren van de huidige kapitalistische globalisering kenschetsten als Global Apartheid. Degenen die verkeren aan de voor hen verkeerde kant van de streep worden noodzakelijke middelen van bestaan ontnomen. Hun leefgebieden worden als het ware bezet. Als het de anderen zo uitkomt worden zij zelfs verdreven naar elders, waar het leven en overleven veel moeilijker is.

Als gevoelens van lotsverbondenheid, saamhorigheid en solidariteit te kort schieten om hierin verandering aan te brengen, kan een beroep gedaan worden op overwegingen van rationaliteit en verlicht eigenbelang. Dat is niet het verlichte eigenbelang a la Piet Vos, maar het besef dat er grenzen zijn aan de ongelijkheid die een samenleving kan doorstaan zonder in haar voegen te kraken. Te veel ongelijkheid gedurende een te lange periode roept verzet op: protest, weerstand, afkeer, onveiligheid, misdaad, geweld, opstand. Zeker wanneer mensen het gevoel hebben dat hen binnen het systeem weinig meer rest, omdat hun de middelen uit handen zijn geslagen die zij zouden kunnen hanteren om het systeem te veranderen - hun arbeidskracht, hun koopkracht, maar ook een stem in de besluitvorming en zelfs een stem die gehoord wordt door degenen die claimen hen te vertegenwoordigen in een democratie - keren zij zich tegen dat systeem en tegen de waarden die daarbinnen opgeld doen. Het buiten de poort staan leidt niet vanzelf tot geweld. Maar de combinatie daarvan met een gebrek aan perspectief en het gevoel niet menswaardig behandeld te worden, wel. Dat maakt ieder systeem kwetsbaar. De schuit kan geënterd worden, geramd, beschoten, ook wanneer dat zou leiden tot zelfmoord voor de belagers. De sfeer buiten kan verworden tot een gevoel dat men niets heeft te verliezen.

Tal van landen, in Oost en West, in Noord en Zuid hebben in de loop van hun geschiedenis de grenzen van de ongelijkheid ervaren. Sommige reageerden door ongelijkheid en discriminatie tegen te gaan, door de rechtsstaat en de democratie een reële inhoud te geven, door armoede te bestrijden en een begin te maken met een verzorgingsstaat, ook al waren de economische mogelijkheden daartoe beperkt. Andere poogden het verzet te weerstaan, het conflict te beheersen en een greep naar de macht te voorkomen door zelf geweld toe te passen, het preventief contra geweld uitgeoefend door de gevestigde macht, ter verdediging van de status quo en van de voorrangpositie van de verschillende klassen van bevoorrechten. Het leidde soms tot uitstel, vaak tot schendingen van mensen rechten, niet zelden tot dictatuur.

Wat zich in afzonderlijke landen afspeelt kan zich ook voordoen in de wereldwijde samenleving. Ook daar kan te grote ongelijkheid niet langer houdbaar blijken. Verzet tegen de als onrechtvaardig ervaren globalisering kan leiden tot geweld, gemakkelijk verplaatsbaar met behulp van middelen van markt en technologie inherent aan de globalisering zelf. Een dergelijk conflict kan, zeker wanneer het niet alleen gegoten wordt in termen van sociaal-economische ongelijkheid, maar verward raakt in culturele, etnische en religieuze tegenstellingen, tal van samenlevingen bedreigen. Die dreiging neemt niet af wanneer gepoogd wordt het te beheersen louter vanuit overwegingen van homeland security, met geweld, soms zelfs geweld bij voorbaat - first strike -, potentiële tegenstanders karakteriserend als terroristen, zonder in te gaan op hun motieven en ambities. Wanneer niet van het begin af aan een poging wordt gedaan de fundamentele oorzaken van dergelijke conflicten te bestrijden,is het eind zoek. Het conflict zal zich verscherpen en onbeheersbaar worden, het geweld toenemen. Mensenrechten zullen steeds ernstiger worden geschonden, over en weer. Wanneer iedereen overtuigd blijft van het eigen gelijk, worden de tegenstellingen uiteindelijk onoverbrugbaar.

Open links
Ik heb in deze lezing getracht twee zaken met elkaar te verbinden: een kritische beoordeling van de hedendaagse vertaling door de PvdA, in Nederland, van het gedachtegoed van de sociaal-democratie en een blik vooruit, over de grens, naar een wereld waarin materiele vooruitgang haar eigen ecologische basis dreigt te vernietigen, waarin de ongelijkheid toeneemt en de conflictpotenties eveneens.

Wat de Partij van de Arbeid betreft heb ik een zestal kritische kanttekeningen geplaatst:

het afzwakken van de maatschappij kritische benadering van het kapitalistische systeem, terwijl dat systeem juist nu zozeer aan kracht gewonnen heeft;
het afzweren van het gelijkheidsbegrip, terwijl de ongelijkheid toeneemt;
het koesteren van de middenklasse, electoraal van belang, doch door de keuzen die zij maakt mede verantwoordelijk voor een ontwikkeling waartegen de sociaal-democratie altijd te hoop liep;
het zich onvoldoende inzetten voor een onderklasse die door het proces van globalisering wordt buitengesloten;
de weinig ambitieuze keuze voor 'een fatsoenlijk bestaan' als hoogste ideaal;
de neiging zich vooral te richten op nationale problemen, mogelijke internationale oorzaken daarvan als gegeven te beschouwen (in plaats van actie te ondernemen in het kader van de internationale sociaal democratische beweging) en bovendien weinig acht te slaan op gevolgen van binnenlands beleid over de grens.

Sociaal-democratisch politieke partijen wordt soms verweten dat zij zich tot het neo-liberalisme hebben bekeerd. Dat is niet het geval. Zij onderscheiden zich nog steeds, zoeken naar een derde weg tussen liberaal conservatisme en het traditionele socialisme, proberen een eigentijdse visie te ontwikkelen en die vast te leggen in beginselen en programma's. Dat heeft de ook PvdA bewust geprobeerd. Er is geen reden te twijfelen aan de oprechtheid van die pogingen. Zij resulteerden in een nieuwe benadering: een moedige keuze voor culturele pluriformiteit zonder de problemen te verdoezelen die daarmee gepaard gaan, en de ber4idheid consequenties te trekken uit het inzicht dat de emancipatie van arbeiders tot leden van een middenklasse zo goed als geslaagd is. Maar de focus op deze twee verschijnselen heeft de sociaal-democratie het zicht doen verliezen op andere vraagstukken: toenemende ongelijkheid en uitsluiting, steeds verdere aantasting van de ecologische basis van de economische groei en een steeds steviger greep van het geld en de commercie op culturele processen en waarden stelsels. Ook die verschijnselen vragen om een heroriëntering, niet het afschudden van ideologische veren, maar het vernieuwen van de verentooi.

Het lijkt wel of de sociaal-democratie het is verleerd zich ongemakkelijk te voelen en tegen te spreken. Zij is behoudzuchtig geworden. Zij is er vooral op uit de verworvenheden van de middenklasse- haar middenklasse - in stand te houden en uit te breiden. Zij acht die verworvenheden vooral van buitenaf bedreigd, in plaats van binnen uit, door het doen en laten van degenen die al in een bevoorrechte positie verkeren. Daardoor wordt de sociaal-democratie conservatief en naar binnen gekeerd en dreigt zij essentiële waarden als solidariteit en rentmeesterschap te verloochenen.

In het door mij beschreven proces is een cruciale rol weggelegd voor de globale middenklasse. Haar consumptie gedrag legt een zware hypotheek op de aarde, haar economische ambities verkleinen de ruimte voor zwakkeren in de samenleving, haar fixatie op veiligheid sluit anderen buiten. Dat zit ingebakken in het systeem zoals dat thans functioneert, niet gehinderd door grenzen en meer kapitalistisch dan in de jaren tussen 1945 en 1989. Draagt de middenklasse hieraan schuld? Nee, een dergelijk oordeel zou geen recht doen aan het feit dat het systeem waarbinnen mensen leven en werken hen steeds minder ruimte laat om af te wijken van wat gebruikelijk, gewoon en normaal wordt geacht en zich qua economisch gedrag te onderscheiden van de mondiale massale middenklasse zonder het risico te lopen ook zelf gemarginaliseerd te worden. Schuldig? Nee, wel verantwoordelijk, mee verantwoordelijk, voor het kritiekloos bestendigen van het systeem, waardoor de ongelijkheid zozeer toeneemt, de bestaansbronnen zo sterk worden aangetast en uitsluiting van bepaalde groepen mensen zodanige vormen gaat aannemen dat eenpoint of no return wordt bereikt. Voor de globale middenklasse geldt: niemand is individueel schuldig, gezamenlijk zijn allen verantwoordelijk.

Dat geldt ook voor de middengroepen in ons land. Deels behoren zij tot de bovenlaag in de wereld, deels vormen zij de kern van de mondiale middenklasse.
De mede verantwoordelijkheid kan ook worden vertaald in activiteiten om het point of no return af te wenden, om solidariteit met de medemens tot gelding te brengen, zonder uitzondering, en rentmeesterschap voor de aarde uit te dragen, uit solidariteit met toekomstige generaties. Hier ligt een taak bij uitstek voor de sociaal-democratie. Maar dan zal zij de steven moeten wenden.

Dat houdt iets anders in dan het slaan van een brug naar de middengroepen. De noodzaak daartoe is de laatste jaren herhaaldelijk onderstreept in redevoeringen en geschriften van PvdA politici. Zij is vastgelegd in het jongste beginselprogramma en in diverse verkiezingsprogramma's. Het besef van deze noodzaak is het politieke discours zodanig gaan domineren dat de politiek zelf steeds meer is verengd tot beleid dat aan deze groepen ten goede komt. Dat dreigt de sociaal-democratie als visionaire politieke beweging te verlammen.

Is de brug naar de middengroepen inmiddels niet allang geslagen? Toegegeven, middengroepen tonen zich ontevreden. Echter, staren we ons niet blind op een gevoel van ontevredenheid dat middengroepen nu eenmaal altijd zullen hebben, ingegeven door een kapitalistisch systeem dat hen aanpraat dat het nooit genoeg is, dat er altijd meer geconsumeerd moet worden, en vervolgens nog meer? Terecht is er onvrede over een tekort schietende kwaliteit van voorzieningen in het onderwijs en de gezondheidszorg. Echter, vloeit dat tekort juist niet voort uit een overmatige nadruk op particuliere consumptie en op de markt, in plaats van op de publieke ruimte, het algemeen belang en de gemeenschappelijke zorg? Zou het niet zo kunnen zijn, dat we door de ongebreidelde verruiming van de particuliere consumptie, ongeacht haar maatschappelijke betekenis, bezig zijn de verkeerde brug te slaan naar de middengroepen, een brug met daarop alleen eenrichtingsverkeer? En wordt daardoor niet het zicht op de noden en behoeften van anderen verduisterd? Wordt daardoor niet uit het oog verloren dat de meest belangrijke brug die geslagen moet worden de brug betreft naar mensen die zich in de meest kwetsbare omstandigheden bevinden?

Het slaan van die brug vraagt om een herijking van de ideologie en een open linkse attitude. Open Links: open naar het verleden, open naar de toekomst, open naar de wereld. Open naar het verleden, dat wil zeggen open naar de waarden en beginselen die destijds door de sociaal-democratie werden geijkt en de koers bepaalden. Open naar de toekomst, door de grote vragen onder ogen te zien - sociaal-economische ongelijkheid, culturele diversiteit, oorlog en geweld, mensen rechten schendingen, klimaatverslechtering, vermindering van biodiversiteit, technologische vernieuwing die de mens in staat stelt selecties toe te passen op het terrein van leven en dood, massale verspreiding van goedkope massa vernietigingswapens, verzwakking van de rechtsorde en andere bedreigingen van vraagstukken van fundamenteel belang voor hetgeen Soedjatmoko omschreef als 'het voortbestaan van het menselijke ras … en de globale leefbaarheid van onze planeet'. Open naar de wereld, door - ik citeer nogmaals Soedjatmoko - 'een uitbreiding van 's mensens morele horizon' en door de blik te richten over de grens, op de noden en behoeften van de mensen die daar wonen.
Politieke keuzes die mensen maken reiken verder dan het uitoefenen stemrecht, verder dan een actief lidmaatschap van een politieke partij, verder dan het participeren in vertegenwoordigende en lichamen en in het bestuur en het meedraaien in politieke circuits. Politieke keuzes zullen ook tot uitdrukking moeten worden gebracht in het persoonlijk handelen op het werk, op de markt en in de vrije tijd. Het persoonlijke is politiek, maar politiek is (ook) persoonlijk. Een politieke keuze voor een open en linkse sociaal-democratie kan door ieder persoonlijk worden uitgestraald, geëngageerd, solidair, democratisch, zich rentmeester tonend van een deel van de aarde, zich de naaste beseffend van anderen die men op het eigen pad ontmoet.

Vooral jongeren tonen zich weer meer betrokken bij vraagstukken rond milieu en klimaat, geïnteresseerd in opvattingen van mensen uit andere landen en culturen, nieuwsgierig naar wat onbekend is, niet bij voorbaat bevreesd voor wat vreemd is. Er groeit een bereidheid open te staan voor andere waarden, culturen en levenservaringen. Onder de nieuwe generatie van jonge mensen zijn er zeer velen die kritisch staan tegenover de zelfgenoegzaamheid die het politieke discours de laatste jaren is gaan domineren. Het is mijn indruk dat dit niet alleen het geval is onder jongeren in Nederland, maar ook in andere landen in het Westen, in Europa en ook in Amerika. Daar ligt een kans voor een sociaal-democratische beweging die bereid is zich te herijken. Zij kan daarbij aansluiten. Zij kan jongeren, maar ook alle mensen die behoren tot de middengroepen waar zij op steunt, oproepen tot het tonen van verantwoordelijkheid, niet alleen binnen traditionele politieke en bestuurlijke kaders, maar ook als burger, boer, consument, werknemer, zelfstandig ondernemer, manager, bankier, onderzoeker, hoogleraar, onderwijzer, student, ieder op de eigen plek. Solidariteit betekent niet alleen anders delen, maar ook verantwoord consumeren, energie besparen, je ecologische voetafdruk verkleinen, duurzaam ondernemen, je werk zo doen dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor zwakkere medeburgers van deze wereld, eerlijk handelen, je tijd zo indelen dat er ruimte is voor het verwerven van kennis en het luisteren naar andere opvattingen, open staan voor de andere kant van de eigen waarheid, vragen stellen, steeds maar weer doorgaan met vragen stellen en gewoonte wijsheden tegenspreken. Solidariteit betekent een stap terug doen om ruimte te scheppen voor minder bedeelden, met minder welvaart, geringere macht of beperkte toegang tot schaarse goederen, tot voorzieningen dan wel tot politieke beslissingen over dat alles. Dat kan zowel grootschalig door regeringen, organisaties en bedrijven, als kleinschalig, door individuele personen en groepen: het praktische idealisme in drie stappen, zoals beschreven door Natasja van den Berg en Sophie Koers: idealen kiezen, informatie vergaren en een afweging maken, uit een gevoel van "verantwoordelijkheid (…) voor personen of zaken waarmee je je verbonden voelt."

Sociaal-democratische politieke partijen kunnen daartoe oproepen. Zij kunnen het ook voordoen in de politieke beslissingen die zij helpen nemen: beslissingen om af te zien van protectionistische handelspraktijken, de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, geen veto's toe te passen in de Europese Raad, de Veiligheidsraad of het IMF, meer politieke en economische vluchtelingen binnen hun grenzen toe te laten, enzovoort. Zij kunnen leiding geven in het politieke en maatschappelijke discours, hun nek uitsteken en risico nemen, in plaats van behoudzuchtige standpunten in te nemen uit vrees voor minder gunstige publieke opinie cijfers. Een open linkse partij dient zich op een breder terrein te bewegen dan dat van de politieke besluitvorming in engere zin. Zij kan het nemen van een solidaire verantwoordelijkheid door leden van de middenklasse stimuleren, dat helpen organiseren. Aanzetten daartoe zijn voorhanden: organisaties en bewegingen als Amnesty International, Artsen Zonder Grenzen, Dokters van de Wereld, Max Havelaar, Fair Trade, Fair Food, Wereldwinkels, Schone Kleren, De Kleine Aarde en Lokaalmondiaal.

In zijn rede van twintig jaar geleden stelde Soedjatmoko: "Sociale verandering in vrijheid is alleen mogelijk wanneer deze in evenwicht is met het overheersende gevoel van rechtvaardigheid". Politieke partijen, zo zei hij, hebben tot taak dergelijke noodzakelijke waardeverschuivingen te verhelderen. Ik heb getracht aan te geven wat een dergelijke verheldering van waarden door een sociaal-democratische partij als de PvdA in deze tijd zou kunnen inhouden. In de wereldwijde veranderingsprocessen die zich sinds het uitspreken van de eerste den Uyl lezing hebben voltrokken is het evenwicht tussen vrijheid en rechtvaardigheid sterk onder druk komen te staan. De oproep van Soedjatmoko geldt vandaag den dag eens te meer.

Jan Pronk
Den Uyl lezing.
Amsterdam, 17 December 2007

Bronnen
Natasja van den Berg en Sophie Koers, Praktisch idealisme, Uitgeverij Podium, Amsterdam, 2006.
Wouter Bos, Dit land kan zoveel beter, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2006.
Jan Breman, The Jan Breman Omnibus. Of Peasants, Migrants and Paupers. Wage Hunters and Gatherers. The Labouring Poor in India, Oxford University Press, Oxford/New York, 2008.
Paul Collier, The Bottom Billion, Oxford University Press, Oxford/New York, 2007.
Ralph Dahrendorf, "Na de sociaal-democratie", in: Socialisme en Democratie, (38) 7/8, juli/augustus 1981.
Milovan Djilas, De nieuwe klasse, Uitgeverij Becht, Amsterdam, 1957
J.A.A. van Doorn en C.J. Lammers, Moderne sociologie. Systematiek en analyse, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1959.
Willem Drees, "Marxisme, communisme en democratisch socialisme", in: Dr. W. Drees, Marx en het democratisch socialisme, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1979, pp 109-189.
John Kenneth Galbraith, The Affluent Society, Londen, 1958
Paul Kalma, "De twee gezichten van de sociaal-democratie", in: Maarten Brinkman e.a. (red.), Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894 - 1994, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1994, pp 297-319.
Paul Kalma, Links, rechts en de vooruitgang, Uitgeverij Mets & Schilt/ Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam, 2004.
Wim Kok, "We laten niemand los", in: We laten niemand los. Den Uyl-lezingen 1993-1999, Uitgeverij Podium, Amsterdam, 2000, pp. 73-99.
Lolle Nauta: "Over gelijkheid en solidariteit"in: Demokratisch socialisme in Nederland. Over de beginselen van de PvdA, Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam, 1977, pp. 18-32.
Jan Pronk, "Pleidooi voor een mondiale publieke sector", in: L.W. Nauta en J.P. Koenis (red.), Een toekomst voor het socialisme?, Van Gennep, Amsterdam, 1987, pp. 112-128.
Jan Pronk, "Inzicht en uitzicht. Den Uyl en het democratisch tekort", in: Ronald van Raak, (red.), Socialisme. What's Left?, Veen Magazines, Diemen, 2004, pp. 68-82
Jan Pronk, Willens en wetens. Gedachten over globalisering en politiek. Uitgeverij BertBakker, Amsterdam, 2005
Jan Pronk, Vrijheid zonder grenzen, Nationaal Comite 4 en 5 Mei, Amsterdam, 2007.
PvdA Beginselprogramma 1977, in: PK. Ledenblad van de Partij van de Arbeid, Jg. 9 (1978), Nr. 10
PvdA, Beginselen. Manifest vastgesteld op 29 Januari 2005, Amsterdam, 2005.
PvdA Commissie Programmatische Vernieuwing, Schuivende Panelen, Amsterdam, 1987
PvdA
Piet de Rooy, "Van uit een nieuwe wereld. Over de periodieke somberheid en het utopisch verlangen vin de Nederlandse sociaal-democratie", in: Rudi Boon, (red.), Nieuwe arena's, Stichting de Mei/Uitgeverij Jan Mets, Amsterdam. 1993, pp. 20-33.
Piet de Rooy e.a., De rode droom. Een eeuw sociaal-democratie in Nederland, Uitgeverij SUN, Nijmegen,1995.
C.J.M. Schuyt, "Verzorgingsstaat en verzorgingssamenleving", in: Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat, Stenfert Kroese, Leiden, 1991.
Soedjatmoko, "Toekomst der vrijheid", in: De smalle marges. Vijf Den Uyl-lezingen, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1993, pp. 9-35.
Bas van Stokkom, "Vrienden noch vreemden. Over het cultiveren van solidariteit", in: Rudi Boon, (red.), Nieuwe arena's, Stichting de Mei/Uitgeverij Jan Mets, Amsterdam, 1993, pp. 58-69.
Jomo Kwame Sundaram, "Making Poverty History? Unequal Development Today", 2007 Wertheim Lecture, in: IIAS Newsletter, (45), Autumn 2007, pp. 10/11.
Abram de Swaan, De verzorging in het teken van het kapitaal. Over verzorgingsstaten in mondiaal perspectief, in: De smalle marges. Vijf Den Uyl-lezingen, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1993, pp. 37-63.
Tinbergen, Jan, "De optimale organisatie der economische beslissingen", in: Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afdeling Letterkunde, Nieuwe reeks (4) 7, Amsterdam, 1961
Bart Tromp, Het sociaal-democratisch programma. De beginselprogramma's van SDB, SDAP en PVDA 1878-1977, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2002.
UNDP, Human Development Report 2005, Oxford UniversityPress, New York, 2005.
UNDP, Human Development Report 2007/8, Oxford University Press, New York, 2007.
J.M. den Uyl, De weg naar vrijheid. Een socialistisch perspectief, Partij van de Arbeid,Amsterdam, 1951.
J.M. den Uyl, Inzicht en uitzicht. Opstellen over economische politiek, Amsterdam, 1978
Piet Vos, "De sociaal-democratie en de verzorgingsmaatschappij", in: J. Bank e.a., (red.), Het vierde jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam, 1983

Noten
Soejatmoko (1922 - 1989) speelde een actieve rol in het Indonesische onafhankelijkheidsstreven. Toen Indonesië eenmaal onafhankelijk was geworden bekleedde hij diverse ambtelijke en diplomatieke functies. Daarbij wist hij zich de positie te verwerven van een intellectueel met een onafhankelijke en kritische instelling, ook tennopzichte van het regime in zijn eigen land. In de jaren tachtig was hij rector van de UN Universiteit in Tokyo.
Soedjatmoko, p. 20.
Idem, p. 31.
Idem, p. 25.
Idem, p. 30.
Vgl van Doorn en Lammers, p.195
Kok, p. 78
Idem, p. 74
Den Uyl, p. 44
10 De Rooy (1995), p. 73
11 Kalma, p. 14
12 Tromp, p. 446
13 Drees, pp.174 en 179.
14 Geciteerd door den Uyl in een toespraak tot een conferentie in 1975: Symposium on a New International Economic Order. Report. Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, 1975, p. 3.
15 PvdA Beginselprogramma 1977, hoofdstuk I.2.
16 Tromp, p. 403.
17 Idem, p. 469.
18 Idem, p. 487.
19 Idem, p. 488.
20 PvdA Beginselen, par. 1.3 en 3.2.4.
21 Tromp, p. 382
22 PvdA Beginselen, par. 1.4.
23 Idem.
24 Idem, par. 2.1.
25 PvdA Beginselprogramma 1977, par. II.1.
26 Het Beginselprogramma van 1947 spreekt over "gelijke sociale ontwikkelingskansen", en over "principiële gelijkgerechtigheid op politiek, sociaal en economisch gebied van alle leden der gemeenschap, ongeacht sexe of ras." (par.I.3 en VI.17) Dat van 1959 over "gelijkheid van ontwikkelingskansen", "gelijkwaardigheid op alle terreinen van het maatschappelijk leven" en "gelijkgerechtigheid van alle leden der gemeenschap, ongeacht sekse, ras of levensbeschouwing." (II.2, II.4 en III.13)
27 Nauta, p. 25.
28 Kalma (2004), p. 79.
29 Idem, p. 84.
30 Idem, p. 97.
31 Schuyt, P. 44, geciteerd in Kalma (2004), p. 90.
32 Vos, p. 57
33 Bos, p. 84.
34 Idem.
35 Idem, p. 85.
36 Idem, p. 86/87.
37 Idem, p. 88.
38 Idem, p. 102.
39 Idem, p. 105.
40 Idem, p. 99.
41 Idem, p. 102.
42 PvdA Beginselen, par. 2.2.
43 De Swaan, p. 62.
44 Bos, p. 116.
45 Kok, p. 98.
46 Bos, p. 141.
47 Idem.
48 Bos, p. 143.
49 UNDP (2007).
50 Sundaram, p. 11.
51 Pronk (2004)
52 De term urban poor is wat India betreft geijkt door Jan Breman [zie oa. Breman, 2008]
53 Kok, p. 80.
54 Collier, p. 87 en 93.
55 Geciteerd in Pronk, p. 133
56 Van den Berg en Koers, p. 13.



terug naar boven |