`Me-vrouwe:
de selfde edelen die als nu in deser stad by malkanderen zijn, en andere
van gelijkder qualiteit, tot een redelijk getal, dewelk om eenseker
respects wille achter gebleven zijn, hebben gesloten tot dienste van
den coning, en tot gemene welvaert van dese sijne Erf-Nederlanden, uwer
Hoogheit in alder ootmoedigheit dese remonstrantie te presenteren, waer
op haer believen sal sulx te ordonneren gelijk de selve bevinden sal
voeglijk te wesen: biddende uwe hoogheit ons dit niet qualijk af te
willen nemen.
Voorts, Me-vrouwe, ist dat wy veradverteert worden, als datmen ons voor
uwer Hoogheit beswaert heeft, insgelijx in den Rade, en voor andere,
als dat dese ondsedeliberatie besonderlik gemaekt en aengeveert zy geweest,
om 't volk oto oploop, beroerte, oproer en muiterye te verwecken, ja
d'welke noch schandelijker is, wy worden aengegeven als dat wy wel wouden
een ander heer hebben, en heimelijk verbond geparactifeert, en onse
bontschap aengeleit hebben met vreemde heeren en capiteinen, so wel
met Fransoisen als met Hoogduitsen en andre, d'welk wy noit eens gedacht
en hebben, en onser getrouwigheit geheel tegen is, gelijk uwe Hoogheit
by dese remonstrantie vernemen sal. Biddende niet-te-min uwe Hoogheit
ons te willen noemen en verklaren welke die zijn, die so t'onrecht sulk
edel en eerlik geselschap geblameert hebben.
Daer-en-boven, Me-vrouwe, hebben de heeren die hier tegenwoordig staen
vernomen, hoe datter sommige zijn onder hen-luiden die besonderlijk
en int particulier bedragen, beswaert, en aengegeven worden, de hant
gereikt, en uit geweest te hebben om den voorseiden rampsaligen aenslag
int effect en werk te brengen, so wel met ten Fransoisen als ander uitlanders,
waer van wy ons seer beklagen; so bidden wy dan uwe Hoogheit ons so
veel goets te willen gunnen en deugts te willen doen, datse ons de namen
seggen, van beide de klagers en beklaegden, op deat geopenbaert zijnde
't ongelijk en de schelmerie, uwe Hoogheit daer over recht doe, den
anderen ten exempele, namelijk om alderley onraed en schandelisatie
die daer uit soudemogen rijsen, te voorkomen. Want wy werten welvan
te voren dat uwe Hoogheit nimmermeer gedogen sal, dat men so eerlijk
geselschap al sulke schandelijke en lelijke stucken of feiten na-seggen
soude.'
Het request of smeekschrift:
Me-Vrouwe, 't is kennelijk genoeg dat de Nederlanders t'allen tyden
over de gansche christenheit seer vermaert zijn geweest (gelijk sy op
dit pas ook noch zijn) om haer grote getrouwigheit tegen haer overheit
en wettelijke heeren, waer onder den adel altijds d'eerste is geweest,
als de gene die noit lijf noch goet gespaert en heeft om de selve te
helpen beschermen en groot maken, en also willen wy de alderootmoedigste
vassalen van sijne Conincklijk Maj. ons hoe langer hoe meer verbeteren,
envoortvaren, als dat wy, t zy by dage of by nachte, gereet zijn om
sijner Maj. met lijf en goet in aller ootmoedigheit te dienen. Bemerkende
dan hoe de saken hedendaegs geschapen en gestelt zijn, so hebben wy
raedsaem geacht uwe Hoogheit sommige dingen onderdaniglijk aen te geven,
hebbendeliever wat ondanks te behalen, dan of uwe Hoogheit sulks verholen
bleve, d'welk sijner Maj. namaels een prejudicie en achterdeel mogtewerden,
en also haest in stede van ruste en vrede, hier te lande grote beroerte
te maken, verhopende dat men metter tijd opentlijk sien sal, wat dienst
wy sijneConinglijke Maj. eertijts mogten bewesen hebben, of namaels
mogen bewysen, dat desen dienst behoort gehouden te wesen voor een van
de meeste, voegelijkste, en bat te passe komende, als wy ons certeinelijk
laten dunken, dat uwe Hoogheit ons sulks niet dan seer wel afnemen sal.
Hoe wel wy dan, Me-Vrouwe, geensins en twijffelen, o al 't gene wat
de Koninglijke Maj. wel eertijts, ja selfs als nu van nieuws geordonneert
heeft, roerende d'Inquisitie, en de scherpe onderhoudinge der Placcaten
op 't feit der religien, en hebben eenige reden, grotnt en goeden schijn
gehad, namelijk: om voorts te onderhouden al wat wijlen keiser Karel
hoogloflijker gedatenisse, tot goed meninge gedaen, geordonneert, en
gesloten hadde. Siende nochtans dat d'een tijd tegen d'andere ongelijk
is, en verscheiden remedie met haer brengt, ook dat alreets sedert sommige
jaren herwaers, de voorseide Placcaten, al zijse niet ten rigoreusten
ter executien gestelt geweest, d'oorsake zijn geweest van veel onraets
en sware inconvenienten: so ist voorwaer, dat de leste wille en resolutie
van sijne Coninklijke Maj. by de welke hy niet alleenlijken verbiet
de voorseide Placcaten eenigsins te modereren, maer beveelt duidelijk
en expresselijk dat d'Inquisitie stant grype en geobserveert werde.
Item, dat de voorseide Placcaten te scherper en rigoreuser executie
gestelt werden, ons goede oorsake enoeg geeft te beduchten hoe dat daerdoor
niet alleen de voorsz inconvenienten hoe langer hoe groter sullen werden,
maer datter lestelijk wel mochte volgen een seer grote en generale beroerte
en oproer, tenderende tot een jammerljke verderffenisse van het gehele
land, na dat wy 't volk gestelt sien, want hun alreets van alle kanten
merkelijke waerteken en voor ons oogen openbaren van alteratie veranderinge.
Bemerkende dan het merkelijk en grote perijkel, daer wy ons voor te
beduchten hebben, so ist dat wy tot nu to gehoopt hadden, dat of by
d heeren, of by de Staten van den lande, in tijde en wyle uwer Hoogheit
remonstrantie hier van soude gedaen zijn geworden, ten einde om de sake
te remedieren, weg nemende d'oorsaken en den oorsprong van allen desen
onraet. Maer nademael wy gesien hebben dat sy om eenige oorsaken, die
wy niet weten en kunnen, hun daer toe noch niet vervorder en hebben,
en dattet middeler tijd hoe langer hoe erger wordt, so dat het perijkel
van oproer en muiterie over 't gantsche land voor de deure is. So zijn
wy bedacht geweest om ons devoir te doen, om onsen eed te voldoen, om
ons eere te quiteren, sampt de goede wille en liefde die wy dragen tot
sijn Coninklijke Majesteit, en ons vaderland, niet langer te beiden,
maer ons liever voor d'eerste te vervorderen en doen 't gunt dat de
noot eischt, d'welk wy so veel te vryelijker doen mogen, mits wy meer
reden hebben te verhopen dat sijne Coninklijke Maj. onse waerschouwinge
ons niet qualijk afnemen sal, siende dat ons de sake meer aengaet en
roert, danse doet yemant anders: want wy altijds meer aenstoots te lyden
hebben, en in meerder perijkel staenmoeten alsser diergelijke inconvenienten
op handen zyn of geschien, hebbnde meestendeels onse huisen en goeden
int velt leggende, tot prijs en roof van alle man, ook gemerkt in dien
't rigeur der voorsz Placcaten voortgang heeft, gelijk als sijn Coninklijke
Maj. expresselijk gebiet te procederen, so en isser niemant van ons
allen, ja in alle de Nederlanden van herwaers-over, God geve van wat
staet, qualiteit, en conditie dat hy ook zy, sijns lijfsseker, d'welk
hy sal bevonden werden verbeurt te hebben, en sijne goeden daer neffens
econfisqueert, door wroeginge van den eersten hem benydende, de welke
hem sal beklagen om een deel te hebben in de confiscatievan sijne goeden,
onder 't dexel der Placcaten, den welken genen anderen troost noch toevlucht
gelaten en word, dan allenlijk de dissimulatie of gunste van den officier,
in wiens gratie, hant en macht sijn lijf en goet geheel en al sal gestelt
werden. Ter aenschou van 't welk wy te meer oorsake hebben om uwer Hoogheit
in aller ootmoedigheit te bidden (gelijk wy ook metter daet by dese
tegenwoordige requeste doen) hier in wel te willen voorsien, en overmits
niet weinig daer aen gelegen is, also heaest alst immer mogelijk is
aen sijn Coninklijke Majesteit eenen nutten en bequamen persoon te senden
en uit te maken, om de selve sulx te adverteren, en van onsent wegen
in aller gehoorsaemheit bidden, dat hem believe hier in geheel en al
voor nu en voor namaels te versien: maer mits 't selfde niet geschieden
en kan, also lange als de placcaten stand grijpen, en haer rigeur houden,
aengesien dat den oorspronk van alle dese inconvenienten daer uit komen,
dat de selve Coninklijke Majesteit gelieve te verstaen dat de voorsz
placcaten geaboleert en te niete gedaen werden: want sulx sal bevonden
worden van noden te zijn, om te beletten de bederffenisse en verlies
van alle dese Nederlanden van herwaerts-over, en ook de reden en rechte
gelijkmatig. Maer op dat sijn Coninklijke Majesteit geen oorsake en
hebbe te denken dat wy (die niet en pretenderen, dan den selven in aller
ootmoedigheit gehoorsaem te zijn) souden willen bestaen de sleve te
bedwingen, of yet te willen doen dat ons belieft, (gelijk wy niet en
twijfelen dat onse tegenpartyen uit leggen tot onsen achterdele) so
sal sijne Coninklijke Majesteit andere ordonnantien gelieven te maken,
by advyse en consent of bewillinge van alle de Staten, die in 't generael
en gelijk vergadert worden, ten eindeom in 't gene voorseit is, door
beter, voegelijkere en eigentlijker middelen te versien sonder so merkelijken
perijkel. Biddende ook in alder ootmoedigheit, te wijle sijne Coninklijke
Majesteit onledig wesende met onse rechtveerdige requeste, daer op believen
sal te ordonneren, wat der selver goet en oprecht dunkt te zijn, dat
uwe Hoogheit daer en tusschen voorsien wille op te voorseide periculen
door een generale ophoudinge, uitstellinge en opschorsinge, so wel van
der Inquisitien als van executien der voorseider placcaten, totter tijd
toe dat sijn Coninklijke Majesteit hier in andersins sla geordonneert
hebben, wel duydelijken en expresselijk protesterende, dat wy voor so
veel als ons aengaen mach, ons gequeten hebben mits sulke waerschouwinge,
so dat wy ons des opte staende voet ontlasten vor God en de werelt:
verklarende so verre als namaels eenig inconvenient, onraet, muyterie,
oproer, of bloetstortinge hier uit volgt, by faute van in tijds in de
weere geweest, en remedie daer voor gedaen te hebben, dat men ons geensins
sal mogen of konnen verwijten noch na gevn, also schijnbaer een quaet
verborgen en verholen gehouden te hebben, daer toe wy God, den Conin,
uwe Hoogheit, en de heeren van sijne raden, eensamelijk ook onse conscientien
tot een getuige nemen, dat wy hier in gedaen gen gehandelt hebben, gelijk
als 't de goede en rechtveerdige dienaers en getrouwe vassalen van sijneConinklijke
Majesteit toebehoort, sonder in 't minste, of ergens in ons devoir te
buiten gegaen te zijn, waerom wy ook so veel te vlijtelijker en vyeriger
zjn biddende uwe Hoogheit, dat deselve hier op letten wil eerder meer
quaets af komt. Also sal sy wel doen.